Tekstgrootte:  A A A

Persberichten

Reactie van drs W.J. Deetman op het rapport van de Commissie Archiefonderzoek inzake het handelen van het openbaar ministerie bij seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk.

Minister mr I.W. Opstelten van Veiligheid en Justitie bracht dit rapport op 10 september 2013 ter kennis van de Tweede Kamer.

Algemeen

De aanleiding voor het onderzoek van de Commissie Archiefonderzoek betreft documentatie die in het voorjaar van 2012, dat wil zeggen na de verschijning van het eindrapport van de Onderzoekscommissie onder voorzitterschap van Wim Deetman, is ontdekt.

De Commissie Archiefonderzoek is blijkens haar rapport zorgvuldig te werk gegaan bij haar onderzoek. De commissie heeft zich laten bijstaan door een groot aantal deskundigen en in haar voorwoord wijst zij op de medewerking die zij voor haar onderzoek van tal van instanties heeft gekregen.

Bevindingen

De bevindingen en de conclusies van de Commissie Archiefonderzoek sluiten aan en ondersteunen de bevindingen en conclusies van de Onderzoekscommissie onder voorzitterschap van Wim Deetman.

In één geval (casus 8.4) heeft de officier van justitie besloten tot een sepot onder voorwaarden. Hij heeft dat – zo blijkt uit dit onderzoek – niet gedaan op verzoek van een kerkelijke gezagsdrager, maar op verzoek van de burgemeester.

Voormalige commissie Deetman noemt uitkomsten feitenonderzoek openbaar ministerie indringend

Inzake aantal sterfgevallen in toenmalige RK-instelling te Heel

DEN HAAG – 28 juni 2012 - De voormalige onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) noemt de uitkomsten van het feitenonderzoek naar ‘Heel’ door het openbaar ministerie (OM) indringend. Bij haar archiefonderzoek trof de commissie vorig jaar informatie aan over een aanzienlijk hoger aantal sterfgevallen dan in andere jaren in de toenmalige RK psychiatrische inrichting Sint Joseph te Heel. Het OM beschouwt het nu ‘als meer dan waarschijnlijk dat het overlijden van een of meer jongens’ in deze inrichting ‘het gevolg kan zijn geweest van een misdrijf en minder waarschijnlijk dat er sprake is geweest van een natuurlijke dood’.

Bij de informatie die de onderzoekscommissie onder voorzitterschap van drs. W.J. (Wim) Deetman aantrof, ging het om een aantal sterfgevallen van minderjarigen dat in een bepaalde periode in de eerste helft van de jaren vijftig boven het jaarlijkse gemiddelde lag. Dit aantal riep vragen op bij de commissie over de oorzaak van het overlijden. Zij maakte hiervan melding in haar eindrapport dat ze medio december vorig jaar presenteerde.

Voor nader onderzoek buiten de competentie van de commissie bracht Deetman op 23 mei 2011 het OM op de hoogte van deze informatie. Op 31 mei droeg de commissie de betreffende documenten na een korte toelichting aan het OM over. De commissie lichtte over deze informatie tevens het bisdom Roermond in dat van zijn kant ook aangaf te hechten aan overdracht van de informatie aan het OM. Dat stelde na ontvangst van de informatie een uitvoerig feitenonderzoek in. De commissie stelt nu met onthutsing vast dat een aantal van de vermoedens die aanleiding waren om de documenten over te dragen aan het OM terecht is gebleken.

 

 

Persbericht 8, 16 augustus 2011

Openbaar ministerie stelt feitenonderzoek in

Commissie Deetman stuit op aantal sterfgevallen in

toenmalige RK-instelling te Heel dat vragen oproept

DEN HAAG, 16 augustus 2011 - De onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) trof in haar archiefonderzoek informatie aan over een aanzienlijk hoger aantal sterfgevallen dan in andere jaren in de toenmalige RK psychiatrische inrichting Sint Joseph te Heel. Zoals eerder bericht voert de commissie onder andere onderzoek uit naar archieven van bisdommen, ordes en congregaties.

Bij de genoemde informatie gaat het om een aantal sterfgevallen van minderjarigen dat in een bepaalde periode in de jaren 1952, 1953 en 1954 boven het jaarlijkse gemiddelde lag. Tegen het eind van de jaren vijftig was informatie hierover zowel bekend bij het betrokken bisdom Roermond als bij de arbeidsinspectie, het toenmalige Katholieke verbond van de kinderbescherming en vermoedelijk een inspecteur van de volksgezondheid.

Relevante informatie betrekt de commissie uiteraard bij haar rapportage die ze tegen het eind van dit jaar hoopt te presenteren. Voor nader onderzoek dat buiten de competentie van de commissie valt informeerde haar voorzitter, drs. W.J. (Wim) Deetman, het openbaar ministerie (OM) op 23 mei 2011 over deze informatie. Op 31 mei droeg de commissie de betreffende documenten na een korte toelichting over aan het OM. Dat stelde hierop een feitenonderzoek in. Hangende dit onderzoek doet de commissie hierover geen verdere mededelingen. De commissie lichtte over deze informatie tevens het bisdom Roermond in dat van zijn kant ook aangaf te hechten aan overdracht van de informatie aan het OM.

Met haar onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek brengt de commissie aard, omvang en omstandigheden van, als ook de verantwoordelijkheden voor seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK in Nederland in beeld, evenals de gevolgen hiervan voor slachtoffers en hun omgeving. Naast een analyse van de meldingen van seksueel misbruik en/of fysiek geweld en van de verklaringen van plegers voorziet het onderzoek in opdracht van de RKK bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) onder andere in enquêtes (survey), diepte-interviews, casestudies, een studie naar de internationale literatuur en het archiefonderzoek. Eerder bracht de commissie het openbaar ministerie op de hoogte van negen bij de commissie binnengekomen meldingen van seksueel misbruik waarvan het mogelijk is dat de strafbare feiten niet zijn verjaard.

Download het persbericht (word)

Download het persbericht (PDF)

Download the press release (word)

Download the press release (PDF)

Twijfels over onderzoeksrapport seksueel misbruik in RKK berusten niet op feiten

DEN HAAG, 30 maart 2012 – Het onderzoeksrapport over seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) berust op feiten en zorgvuldige afwegingen die de betrouwbaarheid ervan staven. De in de berichtgeving uitgesproken twijfel berust niet op feiten. Hierover hebben voorzitter drs. W.J. (Wim) Deetman en secretaris dr. H.P.M. (Bert) Kreemers van de gelijknamige commissie die wetenschappelijk onderzoek deed naar dit misbruik een notitie aan de opdrachtgevers van het onderzoek gestuurd.

Een afschrift van deze notitie (zie: www.onderzoekrk.nl) zonden zij naar de Tweede Kamer. Die houdt op 4 april aanstaande een hoorzitting. Van de kant van de voormalige Onderzoekscommissie nemen naast Deetman en Kreemers ook de betrokken archiefonderzoekers professor dr. J.Th.M. (Jan) Bank en dr. G. (Gerrit) Valk hieraan deel. Aanleiding voor de hoorzitting vormen publicaties tussen 17 en 23 maart jongstleden in NRC Handelsblad (verder: krant) over een melding over castraties binnen de Rooms-Katholieke Kerk alsmede over de betrokkenheid van mr. V.G.M. Marijnen hierbij.

In de notitie gaan de voormalige voorzitter en de voormalige secretaris van de commissie van onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen binnen de Rooms-Katholieke Kerk (hierna de Onderzoekscommissie) in op een aantal vragen die deze artikelen oproepen.

1.De krant heeft op 17 en 20 maart 2012 bericht over het door de krant veronderstelde verband tussen seksueel misbruik van een aantal minderjarigen, de aangifte van een van deze minderjarigen wegens dit misbruik tegen een van de broeders van Amsterdam en een hierop volgende en met de aangifte samenhangende castratie van dit slachtoffer.

Noch de in de krant genoemde melding noch de feitelijke gegevens die de Onderzoekscommissie ter beschikking stonden tonen een verband aan tussen hetseksuele misbruik van een aantal minderjarigen, de aangifte en de castratie.

2. De krant meldt op 17 maart 2012 aanwijzingen te hebben voor negen vergelijkbare gevallen van castratie bij minderjarige jongens die seksueel zouden zijn misbruikt binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Op 20 maart 2012 meldt de krant dat het gaat om tien vergelijkbare gevallen. Op 23 maart 2012 wordt gesproken over “tenminste één geval”.

De Onderzoekscommissie beschikt over de (negen) namen van personen (van wie niet bekend is of ze allemaal op dat moment minderjarig waren) die in de jaren vijftig in het kader van de aangifte zijn gehoord. Geen van deze personen, met uitzondering van een persoon die wordt aangeduid als NN2, heeft in Huize Padua in Boekel verbleven. Anders dan de mededeling van de krant zijn geen feiten bekend waaruit castratie van deze personen kan worden afgeleid.

3. De krant bericht op 17 maart 2012 dat mr. V.G.M. Marijnen zou hebben gepoogd bij justitiële autoriteiten strafvermindering te bepleiten voor wegens seksueel misbruik veroordeelde broeders. Het zou gaan om een gratieverzoek.

De Onderzoekscommissie heeft geen informatie aangetroffen in het archief van het bisdom Haarlem en in het archief van de broeders van Amsterdam waaruit blijkt dat de verklaring van de advocaat van een veroordeelde broeder inzake de mogelijke verlening van gratie heeft geleid tot een officieel gratieverzoek door of ondersteund door het bestuur van Harreveld of door Marijnen. Marijnen was voorzitter van het bestuur van Harreveld voordat hij politieke functies bekleedde.

4. De krant bericht op 23 maart 2012 dat mr. V.G.M. Marijnen nog een tweede poging heeft ondernomen om justitiële autoriteiten te beïnvloeden “in misbruikzaak RK Kerk”.

De kwestie die hier aan de orde is betrof niet seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk, maar een vermoeden van financiële malversaties. Dit is op 14 maart 2012 desgevraagd en nadrukkelijk aan de krant meegedeeld door de voormalige secretaris van de Onderzoekscommissie. De voormalige secretaris van de Onderzoekscommissie heeft op een rectificatie aangedrongen bij de hoofdredactie van NRC Handelsblad.

5. De krant bericht in een aantal van haar artikelen dat het eindrapport van de Onderzoekscommissie onvolledig is en dat gevoelige informatie opzettelijk zou zijn achtergehouden.

Castratie is een medische ingreep die plaatsvond in de gezondheidszorg.
Instellingen op het terrein van de (geestelijke) gezondheidszorg en ziekenhuizen vallen buiten de onderzoeksopdracht van de Onderzoekscommissie. Het seksueel misbruik van de negen personen op het opvoedingsinstituut Harreveld is uitvoerig beschreven in het eindrapport (blz. 250 tot en met 257). De berichtgeving in de krant over het optreden van mr. V.G.M. Marijnen vindt geen grond in de bij de Onderzoekscommissie bekende feiten en dient door de krant te worden rechtgezet.

Noot voor de redactie, niet bestemd voor publicatie:

De brief aan de opdrachtgevers vindt u op de website www.onderzoekrk.nl.
Gert Jan Verhoog (g.j.verhoog@gmail.com, 06 – 52 53 98 97)

Download het persbericht (pdf)
Download het persbericht (word)

Publicatie van reactie op nagekomen vragen over commissierapport

DEN HAAG, 16 maart 2012 – Aan de voormalige Onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) is tot en met gisteren een aantal vragen en opmerkingen toegezonden naar aanleiding van haar gelijknamige eindrapport. De commissie heeft dit rapport op 16 december jongstleden gepubliceerd.

Toegezegd is op de nagekomen vragen en opmerkingen eenmalig en openbaar te reageren. De reactierapportage is te vinden op de website www.onderzoekrk.nl. Met de publicatie van deze reactierapportage is aan de toezegging voldaan. Eventuele nadere vragen zullen dan ook niet langer in behandeling worden genomen.

Download het persbericht als word-bestand (Word, 70 kB)

Dubbele kans op seksueel misbruik in instellingen voor minderjarigen

Geen betekenisvol verschil met instellingen zonder RK-signatuur

DEN HAAG, 16 december 2011 – De kans op ongewenste seksuele benadering was voor minderjarigen in een instelling tweemaal zo groot als het landelijk gemiddelde van 9,7 %. Bij deze uitkomst is geen betekenisvol verschil tussen instellingen met en zonder RK-signatuur. Dit concludeert de onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) vandaag in haar eindrapport. Ook stelt de commissie vast dat enkele tienduizenden minderjarigen tussen 1945 en 2010 in de RKK te maken kregen met lichte, ernstige of zeer ernstige vormen van grensoverschrijdend seksueel gedrag van personen werkzaam in de Rooms-Katholieke Kerk.

De commissie verrichtte onafhankelijk onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen binnen de RKKerk in Nederland in de periode 1945 tot 2010. Ze deed haar wetenschappelijk onderzoek, dat vorig jaar augustus begon, in opdracht van de Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR). Naast voorzitter drs. W.J. (Wim) Deetman bestond de commissie uit vijf wetenschappers en deskundigen: dr. P..J. (Nel) Draijer, mr. P. (Pieter) Kalbfleisch, prof. dr. H.L.G.J. (Harald) Merckelbach, prof. dr. M.E. (Marit) Monteiro en prof. dr. ir. G.H. (Gerard) de Vries.

Belangrijkste resultaten survey

Voor een wetenschappelijk onderbouwde schatting van seksueel misbruik maakte de commissie gebruik van vragenlijsten onder een selectie van melders en een grootschalig survey-onderzoek onder 34.234 Nederlanders van veertig jaar en ouder. Als het om de omvang van seksueel misbruik gaat komt hieruit naar voren:

  • Van de Nederlanders van veertig jaar en ouder is 1 op de 10 (9,7%) voor het achttiende jaar tegen zijn of haar zin seksueel benaderd door een volwassen niet-familielid. Het gaat hier om seksueel misbruik in de ruime betekenis van het begrip: lichte, matige maar ook ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag jegens minderjarigen. Bij deze uitkomst ligt het aantal Nederlanders dat rooms-katholiek is opgevoed iets hoger dan onder degenen die niet rooms-katholiek zijn opgevoed. Tal van andere factoren (bij voorbeeld sociaaleconomische status en culturele verschillen) kunnen bij dit verschil een rol hebben gespeeld. Deze uitkomst beslaat de periode van 1945 tot 1981;
  • Van de Nederlanders van veertig jaar en ouder heeft één op de honderd (0,9%) tot één op de driehonderd (0,3%) ervaring met ongewenste seksuele benadering voor het achttiende jaar door een pleger die werkzaam was binnen de RKK;
  • Het totale aantal gevallen van seksueel misbruik waarbij een pleger werkzaam in de RKK betrokken is geweest kan, wanneer alle gerapporteerde vormen van misbruik – van lichte tot ernstige gevallen – worden verdisconteerd, geschat worden op enkele tienduizenden. Wanneer de aandacht exclusief wordt gericht op ernstige vormen van seksueel misbruik (penetratie) kan het totale aantal worden geraamd op ruwweg enkele duizenden;
  • De kans op ongewenste seksuele benadering was voor degenen die een deel van hun jeugd in een instelling hebben doorgebracht tweemaal zo groot (respectievelijk 21 en 22%) als het landelijk gemiddelde van 9,7%. Er is bij deze uitkomst geen betekenisvol verschil tussen instellingen met en zonder RK-signatuur. Kinderen in 24-uurs instellingen van onderwijs en opvoeding waren kwetsbaar omdat zich daar op dagelijkse basis meer gelegenheid tot (onopgemerkt) grensoverschrijdend gedrag voordeed en ouders afwezig waren;
  • Rond katholieke internaten, kindertehuizen, seminaries, kostscholen en weeshuizen lijkt zich een specifiek probleem van falend toezicht te hebben voorgedaan;
  • Bij de omvang van seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK die een deel van hun jeugd in een van de genoemde instellingen hebben doorgebracht gaat het om een aantal slachtoffers dat vermoedelijk ligt tussen de 10.000 en 20.000. Het gaat hier om ervaringen die uiteenlopen van zeer licht tot ingrijpend. Deze uitkomst beslaat de periode van 1945 tot 1981.

Na deze periode zijn er nagenoeg geen RK-tehuizen meer voor minderjarigen. Met de komst van de Wet op het voortgezet onderwijs (Mammoetwet) ontstonden er op vele plaatsen schoolgemeenschappen. De onderwijsvoorzieningen verbeterden snel en veel internaten begonnen hun bestaansrecht te verliezen. In 1946 bedroeg het aantal RK-internaten 217. Op het hoogtepunt, in 1960, waren er 321. Tien jaar later waren hiervan nog 199 RK-internaten over.

Daarna was het einde snel in zicht. Een deel van het katholieke onderwijs probeerde te overleven door zich te richten op specifieke categorieën jongeren. Andere katholieke scholen gingen spoorslags mee in de veranderingen, stootten het internaat af en transformeerden tot een gewone school met een gemengde leerlingenpopulatie.

Beeldvorming

Vanaf de eerste maanden van 2010 berichtten de media op grote schaal over seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK in Nederland. De commissie komt op basis van de survey tot de conclusie dat de media een vertekend beeld boden van seksueel misbruik in de RKK.

Het beeld dat in de media werd geschetst is dat misbruik voornamelijk voorkwam binnen de RKK en verweven is met de gesloten en hiërarchische cultuur van internaten, kostscholen, seminaries, opvoedingstehuizen en andere instellingen van deze kerk. In dat beeld werd nauwelijks onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van misbruik. Het kwam veelvuldig voor en alle vormen van misbruik waren even ernstig. Bovendien zou sprake zijn van een doofpotcultuur.

Analyse van de spontane meldingen die bij de commissie binnenkwamen leidt tot conclusies die in hoofdlijnen overeenkomen met het beeld dat de media schetsten. Dit beeld fundeerde zich hoofdzakelijk op ervaringen van degenen die bereid waren tegenover journalisten hun verhaal te doen.

Vooral ook het surveyonderzoek leidt op belangrijke punten tot bijstelling van dit beeld. Zo houdt het beeld geen stand dat seksueel misbruik van minderjarigen primair een zaak is geweest van de RKK. Seksueel misbruik van minderjarigen komt breed voor in de Nederlandse samenleving. Ook vond het misbruik niet hoofdzakelijk plaats in onderwijsinstellingen. Bovendien wijkt ook het beeld in de media over de aard en ernst van het misbruik af van de bevindingen van de commissie.

Bronnen onderzoek

Voor het inzicht in de aard en omvang van seksueel misbruik baseerde de commissie zich op empirische gegevens uit meldingen en een grootschalig survey-onderzoek onder de Nederlandse bevolking. Tussen maart en december 2010 ontving de commissie ongeveer 2000 meldingen en berichten, waarvan 1795 betrekking hebben op seksueel misbruik van minderjarigen binnen de RKK. Voor een wetenschappelijk onderbouwde schatting van dit misbruik maakte zij gebruik van vragenlijsten onder een selectie van de melders en van een survey-onderzoek onder 34.234 Nederlanders van veertig jaar en ouder.

Tevens maakte de commissie gebruik van informatie van het Kaski, expertisecentrum over religie en samenleving, en het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut. Bij de interpretatie van de gegevens uit het surveyonderzoek dat TNS NIPO uitvoerde, hanteert de commisssie enige voorzichtigheid, omdat dit onderzoek tot 65 jaar terugkijkt, het menselijk geheugen feilbaar is en er verschillende opvattingen zijn over wat onder seksueel misbruik moet worden verstaan.

Download het persbericht als PDF-bestand (56 kB)

Probleem van seksueel misbruik was bekend in ordes en bij kerk

Adequaat optreden bleef uit

DEN HAAG, 16 december 2011 - De problematiek van seksueel misbruik was bekend binnen ordes en bisdommen van de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) in Nederland. Bovendien bleef adequaat optreden uit, evenals voldoende aandacht voor slachtoffers. Dit concludeert de onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK vandaag in haar eindrapport.

De commissie verrichtte onafhankelijk onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen binnen de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland in de periode 1945 tot 2010. De commissie deed haar wetenschappelijk onderzoek, dat vorig jaar augustus begon, in opdracht van de Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR). Naast voorzitter drs. W.J. (Wim) Deetman bestond de commissie uit vijf wetenschappers en deskundigen: dr. P..J. (Nel) Draijer, mr. P. (Pieter) Kalbfleisch, prof. dr. H.L.G.J. (Harald) Merckelbach, prof. dr. M.E. (Marit) Monteiro en prof. dr. ir. G.H. (Gerard) de Vries.

Voor het inzicht in de bestuurlijke verantwoordelijkheid deed de onderzoekscommissie archiefonderzoek bij zeven bisdommen en zestien congregaties en ordes. De commissie plaatste deze gegevens tegen de achtergrond van tal van maatschappelijke, culturele, economische en politieke ontwikkelingen die zich in 65 jaar hebben voltrokken in Nederlanden in de RKK.

Erkenning, hulp, genoegdoening, nazorg

Op basis hiervan en met behulp van gesprekken met bestuurlijk verantwoordelijken stelt de commissie vast dat de omgang van de kerkelijke leiding met seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK ernstige tekortkomingen kent. De commissie ziet hiervoor verschillende oorzaken, waaronder een gefragmenteerde bestuursstructuur van de Nederlandse kerkprovincie, de geslotenheid van de bestuurlijke structuur en cultuur en hetcultiveren tot de jaren zestig van de noodzaak van saamhorigheid en eendracht in de RKK, evenals het taboe in kerk en samenleving op seksualiteit. Deze oorzaken werkten het toedekken van seksueel misbruik in de hand. Om schandaalvorming te voorkomen bleven maatregelen uit, evenals erkenning, hulp, genoegdoening en nazorg voor slachtoffers.

Deze bevinding geeft volgens de commissie het belang aan ‘van eendrachtig handelen binnen de Rooms-Katholieke Kerk om nu en in de toekomst samen met de slachtoffers door erkenning, hulp, genoegdoening, nazorg bij te dragen aan herstel van het aangedane leed. Deze eendrachtige aanpak vraagt om een open, onderlinge communicatie tussen bisschoppen onderling, maar ook tussen hen en hogere oversten‘. De commissie beveelt aan dat de bisschoppen en hogere oversten gezamenlijk in een jaarlijks verslag in het openbaar verantwoording afleggen over de inspanningen om met slachtoffers en anderen laagdrempelig bij te dragen aan deze erkenning, hulp, genoegdoening en nazorg.

Aanvankelijk ruime bestuurlijke aandacht

In tegenstelling tot het gangbare beeld kreeg het probleem van seksueel misbruik van minderjarigen tot halverwege de jaren vijftig in de RKK, overigens evenals daarbuiten, relatief veel aandacht van bestuurlijk verantwoordelijken. Er werden pogingen ondernomen om bestuurlijk greep te krijgen op ontucht door ambtsdragers en vertegenwoordigers van de RKK in Nederland. Zo was er vanaf het eind van de jaren veertig tot dan sprake van een opeenstapeling van gedragsregels die zich richtten op het zedelijk leven van de religieuzen en kwam de problematiek aan de orde in menig bestuurlijk overleg.

Wanneer de verantwoordelijke superieuren (waarschijnlijk of zeker) op de hoogte waren van misbruikgevallen, was overplaatsing (eventueel naar het buitenland) één van de meest toegepaste maatregelen. Om verlies van leden of een schandaal te voorkomen was boete doen, overplaatsen en eventueel behandelen kennelijk aantrekkelijker dan uitzetten uit de orde of congregatie. De bestuurlijke aanpak van de problematiek richtte zich primair op ambtsdragers en vertegenwoordigers van de RKK.

Van enige hulp of nazorg aan slachtoffers heeft de commissie in de (kerkelijke) archieven weinig gevonden. De sociale positie en status van de klager waren van invloed op de reactie van bestuurders. De commissie vermoedt dat minderjarige slachtoffers zich dat ook realiseerden en daardoor misbruik wellicht niet aanhangig maakten. Bovendien werden jeugdige slachtoffers vaak niet serieus genomen door hun omgeving. Ze moesten erover zwijgen, kregen ze te horen. Ook kwam het voor dat slachtoffers werden gezien als degenen die het misbruik hadden uitgelokt.

Als het om de periode tot halverwege de jaren vijftig gaat kan volgens de commissie niet worden gesproken van onwetendheid op bestuurlijk niveau door een cultuur van zwijgzaamheid in de verschillende bisdommen, ordes en congregaties. Na deze periode week de relatief grote aandacht voor seksueel misbruik van minderjarigen tamelijk abrupt. Tegelijkertijd verdween het onderwerp nagenoeg van de bestuurlijke agenda van bisschoppen en hogere oversten. Min of meer parallel hieraan stond de hulpverlening aan priesters en broeders met problemen ook niet langer op deze agenda.

Psychische problemen

Dat laatste stond vermoedelijk vooral in verband met een toenemende druk vanuit Rome (zie persbericht). Als gevolg hiervan werd de problematiek van seksueel misbruik gedefinieerd als individueel probleem. Die benadering stond een beleidsmatige of structurele aandacht in de weg.

Intussen stelden bestuurders zelf aan het eind van de jaren veertig en ook de eerste helft van de jaren vijftig vast dat er onder hun kandidaten in toenemende mate jonge mannen zaten met psychische problemen, meestal aangeduid in termen van neurose. Deze jonge mannen werden nog tijdens hun opleidingstijd doorgestuurd naar een psychiater.

Psychische problemen waren vaak geen beletsel voor intrede. Deze ongeschreven beleidslijn stond op gespannen voet met Romeinse richtlijnen ten aanzien van de selectie van kandidaten, tenminste als de psychische moeilijkheden ook met seksualiteit te maken hadden of zich in lichamelijk-seksuele zin uitten.

Een soortgelijk beeld van souplesse dringt zich op ten aanzien van de zogeheten late roepingen. Kwam dit in de jaren vijftig nog sporadisch voor, vanaf de jaren zestig nam het aantal kandidaten toe voor wie een leven als priester vooral een tweede levenskeuze was. Sinds de jaren zeventig was dat zelfs in verhevigde mate het geval, waarbij ook de leeftijd aanzienlijk toenam waarop die tweede keuze werd gemaakt. Niet zelden ging het om mannen die al een (gehuwd) leven achter zich hadden. Deze ontwikkeling moet worden bezien in samenhang met het forse tekort aan priesters dat sinds de jaren zestig veel kerkelijk bestuurders zorgen baarde.

Politieke agenda

Vanaf de jaren tachtig ontstond er publiekelijk aandacht voor seksueel misbruik van minderjarigen. Deze late onderkenning van de problematiek kan worden verklaard vanuit het feit dat tot die tijd deze problematiek als taboe werd gezien. Het thema seksueel misbruik van minderjarigen was vanaf 1985 niet meer van de politieke agenda weg te denken. Nadat onderzoek had aangetoond dat een substantieel aantal vrouwen en meisjes slachtoffer was van seksueel misbruik, werden door de overheid tal van beleidsmaatregelen genomen.

De verantwoordelijke ambtsdragers in RKK onder wie de kardinaal, bisschoppen en hogere oversten, waren ook later veelal op de hoogte van de problematiek van seksueel misbruik. Aan het eind van de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig keerde het onderwerp weer terug in bestuurlijk overleg van de RKK. Vanaf toen stond de problematiek van seksueel misbruik tweemaal op de agenda van de Bisschoppenconferentie. Maar hoewel sprake zou zijn van een zeer ernstige problematiek kwam het niet tot een inhoudelijke bespreking ervan.

Aandacht voor slachtoffers kwam pas vanaf de jaren negentig langzaam op gang. Meldingen van seksueel misbruik leidden de afgelopen jaren meer dan eens tot contact tussen het slachtoffer en de pleger. In de meeste gevallen betuigde de pleger of verantwoordelijke bestuurder spijt. Excuses en schadevergoedingen dateren over het algemeen van na 2000. Het grootste deel van de jaren negentig en de eerste tien jaren van de nieuwe eeuw bleef seksueel misbruik van minderjarigen in het perspectief van kerkelijk bestuurders ondergeschikt aan misbruik van volwassenen binnen pastorale relaties.

Het handvat dat Rome eind jaren negentig aan de bisschoppen bood om in te grijpen bij seksueel misbruik van minderjarigen door laïcisatie ex officio van priesters die als pedoseksueel leefden, werd door de bisschoppen in de daarop volgende jaren niet toegepast. Van een structurele beleidsvoering door de bisschoppenconferentie rond het vraagstuk van seksueel misbruik van minderjarigen was geen sprake.

Schoorvoetende beleidsmatige prioritering

Na geruime tijd van advisering en voorbereiding besloot de RKK in 1995 tot de oprichting van Hulp & Recht. Maar toen was het voorkomen van seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK al lang over het hoogtepunt heen. Als het gaat om oog voor de slachtoffers stelt de commissie vast dat er vanaf de jaren negentig sprake is van een schoorvoetende beleidsmatige prioritering.

Aangifte doen behoorde niet tot het bestuurlijke repertoire, noch van de bisschoppen, noch van religieuze oversten. Dat werd aan de slachtoffers en hun ouders overgelaten, die daar bepaald niet toe werden aangemoedigd. De commissie plaatst een kritische kanttekening bij de aarzelingen, soms onwil van kerkelijke en religieuze bestuurders het openbaar ministerie (OM) op de hoogte te stellen. Er bestaat immers een wettelijke plicht om bij verkrachting dit
ter kennis te brengen van het OM. De maatregelen die tegen plegers werden genomen hadden vooral het karakter van interne maatregelen: overplaatsen, met vervroegd emeritaat sturen of (tijdelijk) op non-actief stellen.

Na alle aandacht in de media in het voorjaar van 2010 werd het tot kerkelijk bestuurders duidelijk dat seksueel misbruik van minderjarigen een onderschat verschijnsel is, waarvan de ernstige implicaties nu pas in volle omvang doordringen. Daarbij speelt de spanning die ook nu nog bestaat tussen het officiële denken over seksualiteit en algemeen geaccepteerde relatievormen tussen volwassenen een rol. Deze spanning draagt risico’s in zich bij de toelating van priesters.

De commissie roept de bisschoppen en hogere oversten op de toelating, opleiding en begeleiding van haar priesters en geestelijken kritisch tegen het licht te houden en zoveel mogelijk te harmoniseren. Ook dringt de commissie er bij hen op aan het personeelsbeleid te verbeteren door professionalisering, meer onderlinge samenwerking of zelfs centralisatie.

Toenmalige bisschop Rotterdam in gebreke

Voor haar archiefonderzoek volstond de commissie met twaalf uitgebreide, vijf beperktere en vijf beperkte studies. Het gaat hierbij om de zeven bisdommen, de ordes van de franciscanen en jezuïeten en dertien congregaties waarvan één van vrouwelijke religieuzen. De commissie deed geen uitputtend onderzoek in alle afzonderlijke geledingen van de RKK kerkprovincie. In de archieven stuitte de commissie op (soms ernstige) misstanden in RKordes, -congregaties en hun tehuizen, evenals op (ernstig) tekortschietende reacties van bestuurlijk verantwoordelijken.

Zo werden in de jaren tachtig in het bisdom Rotterdam, tegen de adviezen van de toenmalige selectiecommissie in, mannen toegelaten tot de priesterwijding die daarvoor niet geschikt werden geacht en van wie een aantal zich aan misbruik van minderjarigen schuldig heeft gemaakt. De commissie kwam in haar onderzoek vijf concrete gevallen op het spoor. Op deze misdrijven en misdragingen tussen 1983 en 1993 volgde geen enkele vorm van correctie.

Evenmin is een voorzorgsmaatregel genomen om herhaling te voorkomen, terwijl dit naar buiten toe wel werd volgehouden. Naar buiten – onder andere in de richting van slachtoffers en hun familie – werd volgehouden dat strenge maatregelen waren genomen, maar in werkelijkheid waren dit loze gebaren. De tamelijk luchtige wijze waarop de toenmalige bisschop, monseigneur Bär, reageerde op de (voorwaardelijke) strafrechtelijke veroordeling van een van deze priesters plaatst de commissie voor raadsels.

Dit geval staat niet op zichzelf. Dat roept de vraag op of de toenmalige bisschop wel in staat was om zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid waar te maken. De commissie is geneigd die vraag ontkennend te beantwoorden. Onder monseigneur Bär als bisschop zijn afdoende maatregelen uitgebleven. Priesters die in het bisdom Rotterdam niet meer konden worden gehandhaafd werden in andere bisdommen tewerkgesteld waarbij de risico’s van dit doorschuiven schromelijk werden onderschat, wat ten koste kon gaan van de fysieke en mentale integriteit van minderjarigen die met zulke priesters in aanraking kwamen. Priesters tegen wie maatregelen werden uitgevaardigd negeerden de aanpak van de bisschop. Met het vertrek van monseigneur Bär en de komst van een nieuwe bisschop hield deze situatie op te bestaan.

Download het persbericht als PDF-bestand (65 kB)

Celibaatsverplichting: geen cruciale factor, wel risico seksueel misbruik

DEN HAAG, 16 december 2011 – Er is geen wetenschappelijke onderbouwing voor de stelling dat het celibaat dé verklarende factor is voor de mate waarin binnen de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) seksueel misbruik voorkomt. Dit concludeert de onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK vandaag in haar eindrapport.

De stelling zou impliceren dat seksueel misbruik in de RKK opmerkelijk meer vóórkomt dan in vergelijkbare andere contexten (niet-RK-instellingen). Dat blijkt echter niet uit de resultaten van de survey die TNS NIPO op verzoek van de onderzoekscommissie uitvoerde. Bij haar wetenschappelijk onderbouwde schatting van seksueel misbruik baseert de commissie zich in belangrijke mate op dit grootschalig survey-onderzoek onder 34.234 Nederlanders van veertig jaar en ouder.

De commissie verrichtte onafhankelijk onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen binnen de RKK in Nederland in de periode 1945 tot 2010. Ze deed haar wetenschappelijk onderzoek, dat vorig jaar augustus begon, in opdracht van de Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR). Naast voorzitter drs. W.J. (Wim) Deetman bestond de commissie uit vijf wetenschappers en deskundigen: dr. P..J. (Nel) Draijer, mr. P. (Pieter) Kalbfleisch, prof. dr. H.L.G.J. (Harald) Merckelbach, prof. dr. M.E. (Marit) Monteiro en prof. dr. Ir. G.H. (Gerard) de Vries.

Kader kwetsbaar

Hoewel er dus geen wetenschappelijke onderbouwing voor de stelling bestaat dat het celibaat dé verklarende factor is, mag volgens de commissie evenmin worden geconcludeerd dat er daarom geen verband bestaat tussen celibaat en seksueel misbruik. Ze wijst hierbij op uitkomsten van haar archiefonderzoek en van door haar gevoerde gesprekken. Binnen de RKK bestaat de juridische koppeling tussen het priesterambt en de verplichting tot celibatair leven. Deskundigen in de geestelijke gezondheidszorg onderstrepen dat deze celibaatsverplichting het kerkelijk kader kwetsbaar kan maken voor diverse vormen van grensoverschrijdend gedrag.

De commissie voegt hier nog aan toe dat velen die – vaak op twaalf- of dertienjarige leeftijd – zich geroepen voelden tot het priesterschap, toen niet beseften wat de verplichting tot het celibaat voor hen persoonlijk inhield. Uit de casuïstiek maakt de commissie op dat dit met name tot de jaren zestig in een aantal gevallen geleid heeft tot ‘noodseksualiteit’, waarbij na verloop van tijd uittreding en een huwelijk volgden. De commissie houdt het dan ook niet
voor onmogelijk dat de problemen als waarvan sprake is in haar onderzoek, zich niet of in mindere mate zouden hebben voorgedaan indien sprake zou zijn geweest van een vrijwillig celibaat.

Geplaatst tegen de historische en sociaal-culturele context van de periode vanaf 1945 tot nu valt de taboesfeer op waarin seksualiteit zich lange tijd zowel binnen de RKK als in andere delen van de Nederlandse samenleving bevond. Voor de RKK geldt dat nog steeds een forse spanning bestaat tussen het officiële denken over seksualiteit en algemeen geaccepteerde relatievormen tussen volwassenen, stelt de commissie vast.

Rectoren van de opleidingen in Rolduc en De Tiltenberg wezen de commissie erop dat deze spanning risico’s in zich draagt bij de uiteindelijke toelating van priesters. De commissie betwijfelt of de gekozen combinatie van specifieke selectieeisen en spirituele begeleiding afdoende is. De primaire selectieeis van het celibaat (want zonder dat geen priesterwijding) vergt feitelijk een andersoortige vorming en begeleiding dan louter spiritueel. De commissie verbindt aan deze bevinding de oproep aan de bisschoppen en hogere oversten toelating, opleiding en begeleiding van haar priesters en geestelijken kritisch tegen het licht te houden, zoveel mogelijk te harmoniseren en het personeelsbeleid te verbeteren door professionalisering, meer onderlinge samenwerking of zelfs centralisatie.

Hulpverlening aan plegers

Sinds de jaren dertig bouwden kerkelijke en religieuze bestuurders in samenspraak met psychiaters kennis op over wat zij konden en moesten doen met plegers1 van seksueel misbruik. Psychiaters vormden voor hen een klankbord en toetssteen. Inbreng vanuit de psychiatrie garandeerde dat eenzijdig religieus-morele interpretatiekaders verruimd werden met inzichten uit de psychopathologie. Die kaders sloten bovendien aan bij de algemene strafrechttoepassing in Nederland inzake zedendelinquentie. Hierin vervulden psychiaters veelal een scharnierfunctie bij psychiatrische behandeling en trajecten voor resocialisatie van zedendelinquenten. Psychiaters gaven veelal advies over werkvelden waar misbruikplegers veilig konden werken: niet met minderjarigen, wel onder toezicht en controle.

Overigens wijst het onderzoek uit dat aan zulke eisen soms slechts tijdelijk werd voldaan. Dit is toe te schrijven aan het ontbreken van een centraal personeelsbeleid, waarvoor de commissie pleit. Door de gefragmenteerde organisatiestructuur van de RKK ontbrak en
ontbreekt het zicht op de verdere carrière en dus ook op mogelijke recidive van plegers.

Tegen de ontstane praktijk van hulpverlening tekende Rome vanaf de tweede helft van de jaren vijftig kritiek aan. Rome liet de selectie van het eigen kader liever over aan de geestelijkheid zelf. Om die kritiek te pareren was het voor kerkelijke en religieuze bestuurders zaak om voor zulke evaluaties en beoordeling psychiaters en psychologen te kiezen die de toets van de kerkelijke kritiek konden doorstaan.

Tweede Vaticaans Concilie

Om de resultaten van het Tweede Vaticaans Concilie specifiek voor Nederland te concretiseren ging op initiatief van de bisschoppen het Pastoraal Concilie van 1968 tot 1970 aan de slag. Sommige kwesties, waaronder het celibaat, leidden tot verdeeldheid. De meerderheid van het Pastoraal Concilie stuurde aan op toelating van gehuwden tot het priesterambt. De Nederlandse bisschoppen en de kardinaal, beducht voor afkeurende reacties uit de wereldkerk, zeiden niet duidelijk ‘nee’, maar ook geen ‘ja’. Er ontstond onder leken en een deel van de priesters en religieuzen de verwachting dat binnen enkele jaren het celibaat geen verplichting meer zou zijn. Vanuit deze verwachting kozen sommigen voor het
priesterschap en zegden jonge priesters eenzijdig hun celibaatsverplichting op. Een invloedrijk deel van de kardinalen in Rome keurde het Nederlandse standpunt echter af; ontkoppeling van priesterambt en celibaat bleef uit.

Terwijl de Nederlandse Kerkprovincie oog had voor structurele verklaringen van de drastische afname van het aantal wijdingen en een toenemend aantal uittredingen, hielden Romeinse bestuursorganen vast aan individualiserende verklaringen zoals: uittreders en ambtsverlaters hadden hun roeping niet waar kunnen maken, waren hun idealisme kwijt en bleken niet opgewassen tegen het celibaat. Zoals gezegd werd vanuit Rome bovendien paal en perk gesteld aan de inzet van deskundigen uit de geestelijke gezondheidszorg. Een sterkere bemoeienis vanuit Rome met kwesties die de psyche raken, leidde in Nederland tot een grotere omzichtigheid als het ging om het bespreken van psychische problemen bijgeestelijken en religieuzen.

Op resocialisatie gerichte hulpverlening aan plegers van seksueel misbruik verplaatste zich eind jaren zestig van RK-psychiatrische ziekenhuizen naar het extramurale circuit van vrijgevestigde psychiaters en psychologen. Die werden ook ingeschakeld bij de al langer bestaande praktijk om priesterkandidaten en priesters met specifieke problemen te laten evalueren en beoordelen. De commissie adviseert nader onderzoek in te stellen om te verhelderen wat de criteria waren die aan deze, meestal vrijgevestigde behandelaars werden gesteld.

Ze stelt vast dat kerkelijke en religieuze bestuurders in deze situatie gedurende de jaren zeventig en tachtig ook een beroep deden op nieuwe, vaak door priesterordes en priestercongregaties gestichte centra voor bezinning en hulpverlening, zowel in als buiten Nederland. De commissie betwijfelt of deze centra werkelijk toegerust waren voor de behandeling van plegers van seksueel misbruik met minderjarigen.

Plegers zelf ook slachtoffer

De commissie stuitte tijdens het archiefonderzoek op gevallen van seksueel misbruik, waarbij bleek dat de pleger zelf in zijn jeugd slachtoffer was geweest van zulk misbruik.
Opmerkelijk genoeg betrof het in deze gevallen vaak misbruik dat in de vormings- en opleidingsfase plaatsvond van de congregatie of orde waarin zij waren ingetreden.

Bij zowel de bisdommen als de religieuze ordes en congregaties blijkt dat een deel van de plegers ook op tal van andere terreinen problemen kende. Meest in het oog springen problemen als alcoholisme en financiële problemen. Vaak klaagden bestuurders over deze plegers met een gecombineerde problematiek ook dat die zich maar moeizaam voegden naar de opdrachten en voorschriften van hun bisdom of congregatie.

Biechtvaders zetten plegers van seksueel misbruik niet zelden onder druk om uit te treden. Dit blijkt uit aanvragen tot ontslag van de geloften van een aantal religieuzen dat zich schuldig maakte aan seksueel misbruik. Of biechtvaders die druk uitoefenden om meer slachtoffers te voorkomen dan wel om het aanzien van de religieuze stand te beschermen, kon de commissie niet vaststellen.

Aantal plegers uit meldingen

Tussen maart en december 2010 ontving de commissie ongeveer 2000 meldingen en berichten, waarvan 1795 betrekking hebben op seksueel misbruik van minderjarigen binnen de RKK. Op basis van deze meldingen kon ze in totaal ongeveer 800 namen van plegers herleiden tot personen die werkzaam zijn of waren in bisdommen, ordes en congregaties.
Van deze 800 personen is bekend dat er nog minstens 105 in leven zijn. Hoeveel van deze personen nog in functie zijn is onduidelijk. De commissie stelde de betrokken bisschoppen en hogere oversten hiervan in kennis. De klachtencommissie van het nieuwe meldpunt voor seksueel misbruik in de RKK behandelt met voorrang klachten over plegers die nog in leven zijn.

1
In de omstandigheid, dat telkens over ‘pleger(s)’ wordt gesproken, kan niet gelezen worden dat de commissie deze personen - zo deze al te individualiseren zijn - ook daadwerkelijk schuldig acht aan enig strafbaar feit in de strikt juridische zin van het woord. De commissie hanteert hier dus uitdrukkelijk de zogenaamde onschuldpresumptie. De aannemelijkheid van een bepaald voorval baseert ze op een consistente melding van een binnen de focus van dit onderzoek vallend voorval, bezien in combinatie of context met andere onderzoeksbevindingen. Om deze reden heeft de commissie namen van beschuldigden overeenkomstig de in Nederland gebruikelijke handelwijze geanonimiseerd. Alleen waar beschuldigden een zodanige functie hebben bekleed dat ze hun organisatie naar buiten vertegenwoordigen en hun identiteit dus bekend is, zijn hun functie en naam genoemd. De commissie doet – zo kan niet genoeg worden benadrukt – geen juridisch onderzoek en doet dus ook geen uitspraken over wat zich nu wel of niet heeft voorgedaan, wat nu waar is of niet. Slechts in algemene zin kan zij uitspraken doen. Tegenover degenen die bij de Onderzoekscommissie seksueel misbruik hebben gemeld heeft zij zich open en respectvol proberen op te stellen. Ze heeft met veel slachtoffers gesproken, maar de commissie heeft haar eigen keuzes gemaakt met wie zij voor het onderzoek van belang zijnde vragen wilde bespreken. Zou de commissie met alle melders hebben gesproken dan zou deze eindrapportage pas over enkele jaren zijn verschenen. Dat zou om tal van redenen onverantwoord zijn geweest en zeker niet in het belang zijn van de slachtoffers van seksueel misbruik.

Download het persbericht als PDF-bestand (63 kB)

Commissie Deetman: centrale regie geboden bij aanpak misbruik van en geweld tegen kinderen

DEN HAAG, 16 december 2011 – De onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) roept de Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) op om bij de overheid aan te dringen op een geïntegreerde en effectieve aanpak van seksueel misbruik van en geweld tegen minderjarigen. Zij doet dit vandaag in haar eindrapport.

De commissie verrichtte onafhankelijk onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen binnen de RKK in Nederland in de periode van 1945 tot 2010. De commissie deed haar wetenschappelijk onderzoek, dat vorig jaar augustus begon, in opdracht van de Bisschoppenconferentie en de KNR. Naast voorzitter drs. W.J. (Wim) Deetman bestond de commissie Deetman uit vijf wetenschappers en deskundigen: dr. P..J. (Nel) Draijer, mr. P. (Pieter) Kalbfleisch, prof. dr. H.L.G.J. (Harald) Merckelbach, prof. dr. M.E. (Marit) Monteiro en prof. dr. ir. G.H. (Gerard) de Vries.

De commissie noemt seksueel misbruik van minderjarigen ‘een algemeen en serieus te nemen probleem’. Ze baseert zich hierbij ook op het advies van de Gezondheidsraad dat eerder dit jaar verscheen. Volgens onderzoeksgegevens in dit advies worden alleen al in Nederland jaarlijks ruim 100.000 kinderen mishandeld: geestelijk, fysiek maar ook seksueel. Het gaat hier in zijn totaliteit om een groot maatschappelijk probleem, aldus de Gezondheidsraad. Het eindrapport van de commissie Deetman bevestigt de hoofdconclusies van de Gezondheidsraad.

Dit grote en in omvang nog steeds toenemende probleem blijkt ook uit het rapport van de Nationaal rapporteur mensenhandel die dit in oktober 2011 aanbood aan de minister van Veiligheid en Justitie en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Zoals de Nationaal rapporteur mensenhandel aanbeveelt is bij de aanpak van dit probleem een belangrijke rol weggelegd voor de overheid. Het gaat hier om centrale regie bij preventie, signalering, registratie, opsporing, vervolging, berechting, hulpverlening en nazorg.

Om dit probleem in te dammen en om nieuwe slachtoffers te voorkomen is dit de beste aanpak, meent ook de commissie Deetman. Maar centrale regie houdt volgens haar tevens medewerking van andere partijen in. De commissie hoopt dat de diverse rapporten bijdragen aan de aandacht in samenleving en politiek die dit probleem vereist.

Voorrang aan hulpverlening

Volgens de commissie is het ‘aannemelijk dat de heftigheid en de omvang van de huidige klachten van melders mede hun oorzaak hebben in het ontbreken van hulp ten tijde van of vlak na het misbruik. Anders gezegd: als de bestuurlijk verantwoordelijken toen wel in hulp zouden hebben voorzien dan zou velen mogelijk een deel van hun huidige problemen bespaard zijn gebleven’.

De commissie meent dat de uitkomsten van het onderzoek naar psychische klachten iets zegt over hoe de RKK in gesprek zou moeten gaan met slachtoffers van misbruik: ‘het gaat om een groep die serieuze aandacht verdient en wier problemen niet makkelijk zijn weg te wuiven’. Ook adviseert de commissie dat de RKK ‘er verstandig aan zou doen voorzieningen in te richten en aan te houden voor de begeleiding van en de hulp aan deze groep’.

‘Deze voorzieningen betreffen in de eerste plaats een meldpunt dat op een deskundige manier doorverwijzing naar de professionele hulpinstanties voor haar rekening kan nemen. Dit meldpunt moet deel uitmaken van een keten van instanties waar slachtoffers van seksueel misbruik zich kunnen melden. Slachtofferhulp Nederland en de koepelorganisatie van lotgenotengroepen nemen een voorname plaats in die keten in.’

Bij haar onderzoek gaf de commissie voorrang aan advies over (de organisatie van) hulpverlening en genoegdoening aan slachtoffers. Dit advies leidde inmiddels onder andere tot reorganisatie van Hulp & Recht, de instelling van een onafhankelijke Stichting Beheer & Toezicht inzake seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk, een meldpunt en klachtencommissie hiervoor.

Ontreddering

De commissie wijst op een ‘uiterst belangrijk uitgangspunt’ voor de beoordeling van seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK tussen 1945 en 2010: ‘De omvang van seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk is in procenten betrekkelijk gering maar in absolute aantallen gaat het om een serieus probleem. Enige tienduizenden minderjarigen hebben te maken gehad met lichte, ernstige of zeer ernstige vormen van grensoverschrijdend seksueel gedrag’. De commissie stelt vast dat slachtoffers vaak tientallen jaren gebukt gaan ‘onder misbruikervaringen en hebben ze daarvoor weinig gehoor
gevonden. Dat gaat gepaard met problemen voor hen, hun naaste familie en omgeving, die aandacht en soms professionele begeleiding behoeven’.

Het is volgens de commissie onmogelijk om stellige uitspraken te doen over de relatie tussen seksueel misbruik en psychische symptomen of klachten. Dit komt omdat psychische klachten vaak door een complex geheel van vele factoren worden beïnvloed. Onderzoek naar de samenhang tussen seksueel misbruik en psychische symptomen of klachten is uiterst moeilijk. Met dit in het achterhoofd waagt de commissie zich niet aan algemene uitspraken over de vraag of en in welke mate het seksueel misbruik dat wordt gerapporteerd verantwoordelijk is voor eventuele huidige en eerdere psychische problemen. Wel blijkt uit haar onderzoek dat degene die zich als slachtoffer van seksueel misbruik bij de commissie meldde, meer psychische klachten meldt dan dat slachtoffers van seksueel misbruik binnen de RKK uit het survey-onderzoek dit doen.

Niettemin bestaat er volgens de commissie voor de RKK ‘een morele plicht om degene die kampt met klachten en dit wijt aan ervaringen met seksueel misbruik waarbij plegers werkzaam in de Rooms-Katholieke Kerk betrokken waren, serieus te nemen en bij te staan. Deze morele plicht weegt bijzonder zwaar omdat de Rooms-Katholieke Kerk zich publiekelijk als hoedster van waarden en normen op zedelijk gebied manifesteert. Juist de schending van die waarden en normen door personen werkzaam in de Kerk heeft bij velen – binnen en buiten de Kerk - een gevoel van ontreddering veroorzaakt’.

Download het persbericht als PDF-bestand (45 kB)

Presentatie eindrapport op 16 december om 10.30 uur in Nieuwspoort

De voorzitter van de onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (de commissie Deetman) hoopt op vrijdag 16 december aanstaande om 10.30 uur het eindrapport te presenteren in perscentrum Nieuwspoort te Den Haag. Onder embargo tot dit tijdstip kunnen journalisten die morgen vanaf 9.30 uur in Nieuwspoort kennis nemen van dit rapport. De persconferentie is in het Nederlands. In interviews na afloop van de persconferentie zal drs W.J. (Wim) Deetman desgewenst ook in het Engels reageren.

Voor het bijwonen van deze persconferentie dient u zich tijdig aan te melden. De persconferentie is uiteraard uitsluitend bestemd voor journalisten. U kunt zich aanmelden tot en met vrijdag 9 december via Gert Jan Verhoog: g.j.verhoog@gmail.com.

Daags na de persconferentie zal de commissie het eindrapport ook presenteren aan slachtoffers. Menig slachtoffer hecht aan een besloten karakter van deze bijeenkomst. De commissie verzoekt deze beslotenheid te respecteren.

Sluitingsdatum aanmelding voor besloten bijeenkomst op 17 december

De commissie Deetman organiseert voor slachtoffers die zich eerder bij de commissie meldden een besloten bijeenkomst op 17 december in de Jaarbeurs in Utrecht. Aanmelden voor de bijeenkomst was mogelijk tot 30 november 12.00 uur. Alleen wanneer u een bevestiging van uw aanmelding hebt ontvangen, kunt u hierbij aanwezig zijn.

Commissie Deetman raadt erkenning en inleving aan die voldoening geeft

Evaluatie van uitvoering tussenadvies voor hulp en recht 

DEN HAAG, 8 november 2011 - De onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) raadt de kerk aan om seksueel misbruik te erkennen en zich hierin ook in te leven. Bovendien beveelt de commissie aan een bisschop aan te wijzen die lotgenotengroepen en individuen kunnen aanspreken. Ook adviseert ze verbeteringen in de eerste opvang van slachtoffers en de klachtenprocedure, aangifteplicht voor bestuurders en mediation.

De onderzoekscommissie doet dit in haar tweede tussentijdse advies ‘Hulp aan en recht voor slachtoffers’. Hierin evalueert ze het gevolg dat de RKK gaf aan haar eerste tussentijdse advies van eind 2010 voor hulp aan slachtoffers en afdoening van hun klachten. De commissie herkent haar advies in hoofdzaak in de gevolgde aanpak. Omwille van de voortgang van hulp en genoegdoening brengt ze haar evaluatie vandaag uit. Die maakt straks ook deel uit van haar eindrapport. De commissie hoopt dit eindrapport, onder nadrukkelijk voorbehoud van een tijdige afronding van haar onderzoek, medio december te presenteren in perscentrum Nieuwspoort te Den Haag. De exacte datum hiervoor volgt.

Met haar onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek brengt de commissie onder voorzitterschap van drs W.J. (Wim) Deetman omvang, aard en omstandigheden van, als ook verantwoordelijkheden voor seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK in Nederland in beeld, evenals gevolgen hiervan voor slachtoffers en hun omgeving. Naast een analyse van meldingen van seksueel misbruik en van verklaringen van plegers voorziet het onderzoek in opdracht van de RK bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) onder andere in enquêtes, diepte-interviews, casestudies, een studie naar de internationale literatuur en een archiefonderzoek.

Voldoening

De commissie ziet haar onderzoek als de ‘eerste stap naar een aanpak’ van de problematiek en acht het dan ook ‘van groot belang dat die ingeslagen weg daadkrachtig wordt voorgezet door de bisschoppen en hogere oversten‘. Ze onderkent dat financiële compensatie alleen ontoereikend is. Hulpverlening alleen volstaat evenmin.

In haar evaluatie wijst de commissie op het belang van een passende reactie op haar eindrapport. Ze raadt de kerk aan deze reactie te gebruiken ‘om erkenning van en inleving met de slachtoffers en hun naasten tot uitdrukking te brengen op een wijze die voldoening geeft aan iedereen die door het misbruik van minderjarigen geraakt is‘.

Hulp aan slachtoffers

De commissie adviseert een herkenbaar, zichtbaar en toegankelijk meldpunt in te richten dat fungeert als loket (‘nuldelijnszorg’) voor slachtoffers van seksueel misbruik en waar doorverwijzing plaatsvindt naar passende hulpverlening of naar contact met lotgenoten. Het meldpunt dient aan te sluiten bij de bestaande landelijke infrastructuur van de geestelijke gezondheidszorg in Nederland. De commissie adviseert dit meldpunt onder te brengen bij drie organisaties: Slachtofferhulp Nederland, Meldpunt Seksueel Misbruik RK Kerk en de koepel van lotgenotengroepen (KLOKK).

Deze inrichting helpt volgens de commissie niet alleen personen die als minderjarigen in de RKK te maken kregen met seksueel misbruik. Ook voor slachtoffers van misbruik in jeugdinstellingen en pleegzorg, waarnaar de commissie Samson onderzoek doet, dient dit meldpunt.

De commissie meent dat financiële ondersteuning van dit meldpunt door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) geboden is. Deze ondersteuning moet het voortbestaan van het meldpunt veiligstellen en een goede inbedding hiervan in de bestaande infrastructuur van de geestelijke gezondheidszorg mogelijk maken. De beoogde loketfunctie van dit meldpunt sluit volgens de commissie aan bij de ambitie van het ministerie om de hulpverlening en zorg aan slachtoffers van seksueel geweld te verbeteren.[1]

De onderzoekscommissie beveelt aan in nauw overleg met de KNR één van de bisschoppen aan te wijzen als portefeuillehouder die lotgenotengroepen en individuen kunnen aanspreken. Over enige tijd zullen verschillende religieuze instituten niet meer in staat zijn in dit opzicht de rol te vervullen die nu en in de nabije toekomst van hen wordt verwacht.

Recht voor slachtoffers

De commissie doet in haar evaluatie ook aanbevelingen die zich richten op recht voor slachtoffers, onder andere door verduidelijking van posities en procedures. Zo pleit de commissie ervoor dat klachten over één en dezelfde pleger en/of met betrekking tot één en dezelfde inrichting bij dezelfde juridische adviseur terecht komen. Ook dringt ze aan op duidelijke ‘bewegwijzering’ voor melders van misbruik opdat hun melding zonder omweg op de bestemde plek terecht komt. Verder stelt ze voor een meldingsplicht in te voeren en voor bestuurlijk verantwoordelijken een aangifteplicht van seksueel misbruik.

De commissie adviseert om voor bepaalde uitspraken de mogelijkheid van een nieuwe procedure bij de commissie van bezwaar te bieden, ook al zijn de bezwaartermijnen verstreken. Het gaat hier om uitspraken die indertijd niet zijn opgevolgd door de desbetreffende bisschop of hogere overste en/of waarvan is gebleken dat niet alle nu beschikbare informatie bij de vaststelling van de uitspraak zijn betrokken. De commissie stelt voor dat de informatie in haar eigen archief als (steun)bewijs kan dienen met strikte inachtneming van de waarborging van vertrouwelijkheid van de aan haar toevertrouwde informatie.

Ze raadt ook aan dat bisschoppen en hogere oversten mediation als één van de mogelijkheden gebruiken om de klachten over seksueel misbruik van minderjarigen op een voor alle betrokkenen bevredigende wijze te behandelen. Als de keuze op mediation valt stelt de commissie voor de kosten van deze procedure voor rekening te laten komen van de desbetreffende orde, congregatie of bisdom.

Betekenis functioneren van nieuwe organisatie

In haar evaluatie waardeert de commissie de oprichting van een stichting onder Nederlands recht voor hulp aan en recht voor slachtoffers van seksueel misbruik in de RKK. Ook stelt ze bij deze stichting waarborgen vast voor transparantie.

Om het toezicht op de stichting inhoud en vorm te geven raadt de commissie aan om het bestuur van de stichting te laten bijstaan door een commissie van toezicht waarvan in ieder geval een vertegenwoordiger van KLOKK deel uitmaakt. De commissie beschouwt dit ook als een verdere versterking van de onafhankelijkheid van de nieuwe organisatie.

De opdrachtgevers van het onderzoek zullen de leden van de onderzoekscommissie, die na presentatie van het eindrapport ophoudt te bestaan, een half jaar en vijf jaar na publicatie van het rapport berichten over hun omgang met de aanbevelingen hierin. De gewezen commissieleden zullen hier dan publiekelijk op reageren.

In hun reactie betrekken zij dan niet alleen de mate van onafhankelijkheid en het zelfstandig functioneren van de nieuwe organisatie. De commissie hecht vooral ook ‘grote betekenis aan het functioneren van de nieuwe organisatie bij het erkennen, het verwerken en het hopelijk goed afsluiten van wat voor zo velen een ingrijpende ervaring was die vaak zo lang belastend is geweest‘.

Download het persbericht als DOC-bestand (79 kB)


[1] In de beleidsbrief ‘Seksuele Gezondheid’ van 27 november 2009 ziet de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het als taak van het kabinet om naast de eerste en tweedelijnszorg, goede hulpverlening en zorg via andere (niet-juridische) wegen te stimuleren. Zo zijn op initiatief van de staatssecretaris in 2008 landelijke spreekuren georganiseerd voor jongeren voor wie geen duidelijke aanspreekpunt bleek voor vragen over seksualiteit. De staatssecretaris onderschrijft het belang van vroegtijdige, snelle en goede hulp voor slachtoffers van seksueel geweld.

Openbaar ministerie stelt feitenonderzoek in

Commissie Deetman stuit op aantal sterfgevallen in
toenmalige RK-instelling te Heel dat vragen oproept

DEN HAAG, 16 augustus 2011 - De onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) trof in haar archiefonderzoek informatie aan over een aanzienlijk hoger aantal sterfgevallen dan in andere jaren in de toenmalige RK psychiatrische inrichting Sint Joseph te Heel. Zoals eerder bericht voert de commissie onder andere onderzoek uit naar archieven van bisdommen, ordes en congregaties.

Bij de genoemde informatie gaat het om een aantal sterfgevallen van minderjarigen dat in een bepaalde periode in de jaren 1952, 1953 en 1954 boven het jaarlijkse gemiddelde lag. Tegen het eind van de jaren vijftig was informatie hierover zowel bekend bij het betrokken bisdom Roermond als bij de arbeidsinspectie, het toenmalige Katholieke verbond van de kinderbescherming en vermoedelijk een inspecteur van de volksgezondheid.
Relevante informatie betrekt de commissie uiteraard bij haar rapportage die ze tegen het eind van dit jaar hoopt te presenteren. Voor nader onderzoek dat buiten de competentie van de commissie valt informeerde haar voorzitter, drs. W.J. (Wim) Deetman, het openbaar ministerie (OM) op 23 mei 2011 over deze informatie. Op 31 mei droeg de commissie de betreffende documenten na een korte toelichting over aan het OM. Dat stelde hierop een feitenonderzoek in. Hangende dit onderzoek doet de commissie hierover geen verdere mededelingen. De commissie lichtte over deze informatie tevens het bisdom Roermond in dat van zijn kant ook aangaf te hechten aan overdracht van de informatie aan het OM.

Met haar onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek brengt de commissie aard, omvang en omstandigheden van, als ook de verantwoordelijkheden voor seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK in Nederland in beeld, evenals de gevolgen hiervan voor slachtoffers en hun omgeving. Naast een analyse van de meldingen van seksueel misbruik en/of fysiek geweld en van de verklaringen van plegers voorziet het onderzoek in opdracht van de RKK bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) onder andere in enquêtes (survey), diepte-interviews, casestudies, een studie naar de internationale literatuur en het archiefonderzoek. Eerder bracht de commissie het openbaar ministerie op de hoogte van negen bij de commissie binnengekomen meldingen van seksueel misbruik waarvan het mogelijk is dat de strafbare feiten niet zijn verjaard.

Download het persbericht als DOC-bestand (89 kB)

Tussenrapportage 28 februari 2011

De onderzoekscommissie presenteert haar tussenrapportage over de stand van zaken met betrekking tot het onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk.
 
Download het persbericht als DOC-bestand (90 kB)
Lees de volledige tussenrapportage in PDF-bestand (163 kB)

Daderoproep 17 februari 2011

De onderzoekscommissie doet een klemmend beroep op plegers van seksueel misbruik binnen de Rooms Katholieke Kerk om zich in het belang van het onderzoek te melden.

Download het persbricht als doc-bestand (38 kB)
Lees de volledige oproep in het PDF-bestand (80 kB)

Persberichten 9 december 2010

Persbericht: Kwaliteitscentrum voor hulp aan slachtoffers seksueel misbruik
Persbericht: Onvolkomenheden bij hulp aan slachtoffers en klachtenbehandeling dwingen tot verbetering

Persbericht: Kwaliteitscentrum voor hulp aan slachtoffers seksueel misbruik

Onderzoekscommissie RKK adviseert:

Kwaliteitscentrum voor hulp aan slachtoffers seksueel misbruik

DEN HAAG, 9 december 2010 – De onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) adviseert de huidige instelling Hulp & Recht (H&R) om te vormen tot een organisatie die bestaat uit een klachtencommissie, een meldpunt en een professioneel kwaliteitscentrum. Dit centrum moet klagers die hulp nodig hebben op deskundige wijze doorverwijzen naar de juiste hulpverlening.

De onderzoekscommissie onder voorzitterschap van drs. W.J. (Wim) Deetman adviseert dit aan haar opdrachtgevers, de Rooms-Katholieke bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR). Zij komt tot haar advies met de titel ‘Naar hulp, genoegdoening, openbaarheid en transparantie’ mede op basis van een doorlichting van het huidige H&R, opgericht door de kerkelijke autoriteiten in april 1995. Zie hierover persbericht 4b (‘Gebreken Hulp & Recht dwingen tot ingrijpende verbetering’).

Kwaliteitscentrum

De commissie raadt in haar advies een ‘kleine, maar professioneel toegeruste organisatie’ aan die ‘melders en klagers kan ondersteunen en doorverwijzen naar allerlei vormen van hulp’. Het Kwaliteitscentrum Seksueel Misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk moet slachtoffergroepen faciliteren, groepsgesprekken voor lotgenoten mogelijk maken en ook familieleden van slachtoffers de weg wijzen naar hulpinstanties. Uit tal van gesprekken die de commissie in de afgelopen maanden voerde, bleek deze behoefte te bestaan.

In het kwaliteitscentrum werkt volgens het advies een aantal professionele consulenten. Om klagers die hulp nodig hebben op deskundige wijze door te verwijzen moeten deze consulenten goed zijn ingevoerd in het aanbod van hulpverlening in praktische zin, eerste-, tweede- en derdelijns geestelijke gezondheidszorg.

Toezegging hulp

Met het oog op deze doorverwijzing benaderde de onderzoekscommissie alvast diverse organisaties: vier gespecialiseerde instellingen voor geestelijke gezondheidszorg en Slachtofferhulp Nederland. Deze organisaties zegden hun medewerking inmiddels toe. Naar gelang de  behoefte kan het kwaliteitscentrum ook verwijzen naar pastorale hulp.

In de visie van de onderzoekscommissie organiseert het kwaliteitscentrum tevens de inzet van vertrouwenspersonen en ondersteuning van slachtoffers in afzonderlijke bisdommen. Het centrum sluit zich aan bij platforms en kenniscentra die zich buigen over hulp aan slachtoffers van seksueel misbruik.

Om van hulpverlening via het kwaliteitscentrum gebruik te maken moet sprake zijn van een officiële klacht bij de RKK. De commissie sluit hiermee aan bij de definities die het klachtenbureau H&R hanteert voor een ‘melding’ (kennisgeving) en een ‘klacht’, die een officieel onderzoek vergt.

Openbaarheid hoeksteen

De onderzoekscommissie meent dat de klachtenprocedure over seksueel misbruik in de RKK in vergelijking met die van andere (maatschappelijke) instellingen vatbaar is voor kritiek. Bij de nieuwe klachtenprocedure moet openbaarheid de ‘hoeksteen’ vormen, meent de commissie, ook als het gaat om ‘de wijze waarop bisschoppen en oversten omgaan met adviezen en uitspraken uit de klachtenprocedure’.

Zo dient de klachtencommissie (nu nog de Beoordelings- en Advies Commissie) jaarlijks verantwoording af te leggen in een openbaar jaarverslag, waarvan publicatie ook op internet plaatsvindt. Dit jaarverslag bevat tevens een geanonimiseerde opgave van meldingen, ontvangen en behandelde klachten, uitspraken, adviezen en van besluiten over de wijze waarop de bisschop of hogere overste adviezen uitvoert.

Bovendien heeft elk jaar een onafhankelijke, externe evaluatie plaats van de klachtencommissie. Deze evaluatie strekt zich nadrukkelijk ook uit tot de uitvoering van adviezen die de klachtencommissie uitbrengt aan de kerkelijke autoriteiten. In dit verband moet de evaluatie zich toespitsen ‘op de vraag of bij gegrond verklaarde klachten disciplinaire straffen zijn gegeven en, zo ja, hoe dergelijke besluiten zich verhouden tot de in de adviezen gedane aanbevelingen’. Ook deze evaluatie is openbaar, adviseert de commissie.

Gemotiveerd

De klachtencommissie is statutair adviseur van de bisschoppenconferentie, vervolgt het advies. Jaarlijks ook bespreekt deze commissie met de bisschoppenconferentie en de KNR haar jaarverslag, de meta-thema’s die voortvloeien uit klachten en adviezen evenals haar behoefte aan ondersteuning. De klachtencommissie beschikt over een griffie die haar ondersteunt. De RKK stelt voor de uitvoering van de beoogde organisatie voldoende financiële middelen beschikbaar.

Uitspraken van de klachtencommissie staan vast. Als deze commissie een klacht gegrond verklaart staan de feiten en omstandigheden eveneens vast en kunnen die dan ook geen punt van discussie meer vormen bij de vaststelling van eventuele schade. De bisschop of hogere overste bericht een klager, de klachtencommissie en het publiek (via publicatie op internet) binnen een bepaalde termijn gemotiveerd of en, zo ja, in welke mate hij/zij opvolging geeft aan een uitspraak van de klachtencommissie. Bovendien wijst de bisschop of hogere overste een klager op de middelen van beroep die tegen dit besluit openstaan, aldus het advies.

Schadevergoeding

Klagers met verzoeken om financiële genoegdoening kunnen zich wenden tot de civiele rechter en, op basis van de procedure van H&R, tot een onafhankelijke externe commissie. Deze commissie bestaat echter nog niet. Wel stelde de RKK onlangs de adviescommissie Lindenbergh in. De onderzoekscommissie dringt erop aan dat de commissie Lindenbergh ‘zo spoedig mogelijk voor alle geledingen‘ binnen de RKK ‘aanbevelingen doet voor de wijze van afhandeling van schadevergoeding en compensatie’.

In het belang van klagers die schadevergoeding en compensatie vragen is het volgens de onderzoekscommissie denkbaar dat de RKK hen een collectieve regeling aanbiedt. Voor individuele klagers die schadevergoeding en compensatie vragen en niet akkoord gaan met wat hen in een collectieve regeling wordt aangeboden, ligt de weg naar de rechter open.

De onderzoekscommissie beveelt bisschoppen en hogere oversten aan om verantwoordelijkheid te nemen ‘voor het door seksueel misbruik veroorzaakte en bij velen aangedane leed’. Om die reden moeten zij volgens de commissie ’bij de vraag naar (financiële) compensatie een beroep op verjaring niet leidend’ laten zijn.

Bisschoppen en oversten zijn verplicht voorvallen van seksueel misbruik die hen bekend zijn, te melden bij de klachtencommissie. Bij het vermoeden van een strafbaar feit dat nog niet is verjaard, is aangifte bij het openbaar ministerie geboden. De binnengekomen meldingen en klachten bevatten ook niet verjaarde zaken. De commissie beveelt met klem aan hiervan zo spoedig mogelijk aangifte te doen. Als een niet-verjaarde zaak leidt tot een strafrechtelijke veroordeling dan kan de rechterlijke uitspraak worden gebruikt bij een individuele afdoening van schadevergoeding en compensatie.

Aantal meldingen

Momenteel analyseert de onderzoekscommissie de meldingen van seksueel misbruik. Die konden tot en met afgelopen maand bij de commissie binnenkomen voor het onderzoek. Vanaf medio maart dit jaar ontving de commissie ongeveer 1350 meldingen van seksueel misbruik en/of fysiek geweld. Bovendien ontving de commissie ongeveer 1225 meldingen via H&R. Over ongeveer 600 meldingen hiervan beschikte de commissie zelf ook al. Haar onderzoek zal zich dan ook mede baseren op deze in totaal ongeveer 1975 meldingen. Inmiddels bracht de commissie vijf geanonimiseerde meldingen ter toetsing onder de aandacht van het openbaar ministerie.

De meldingen aan de commissie zijn essentieel voor haar onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek. Naast een analyse van alle meldingen voorziet het onderzoek verder onder andere in diepte-interviews, een survey, een oproep aan daders (eerste kwartaal 2011), een internationale literatuurstudie, enquête en archiefonderzoek.

De commissie moet met haar onderzoek de aard, omvang en omstandigheden van, als ook de verantwoordelijkheden voor seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK in beeld brengen, evenals de gevolgen hiervan voor slachtoffers en hun omgeving. Het eindrapport van het wetenschappelijk onderzoek hoopt de commissie eind 2011 te presenteren. Afgelopen mei ried Deetman in zijn onderzoeksvoorstel aan het nu gepresenteerde advies met voorrang ter hand te nemen. De commissie ging in augustus officieel van start.

Download het persbericht
Download het adviesrapport

Persbericht: Onvolkomenheden bij hulp aan slachtoffers en klachtenbehandeling dwingen tot verbetering

Onderzoekscommissie RKK concludeert:

Onvolkomenheden bij hulp aan slachtoffers en klachtenbehandeling dwingen tot verbetering

DEN HAAG, 9 december 2010 – De onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) beveelt een ingrijpende verbetering aan van de hulp aan slachtoffers en behandeling van klachten. Opdracht en organisatie van de huidige instelling Hulp & Recht (H&R) zijn volgens de commissie complex. Ze bevatten tegengestelde belangen, botsende structuren en een ambitieniveau dat H&R in de praktijk onvoldoende waarmaakt.

De commissie komt mede op basis van een doorlichting van H&R tot haar advies onder de titel ‘Naar hulp, genoegdoening, openbaarheid en transparantie’ over hulp aan slachtoffers en behandeling van klachten. Zie voor een beknopte weergave van de hoofdpunten van het advies van de commissie persbericht 4a (‘Kwaliteitscentrum voor hulp aan slachtoffers seksueel misbruik’).

In haar advies merkt de commissie op dat de Beoordelings- en Advies Commissie (BAC) van H&R zich onafhankelijk opstelt ten opzichte van de RKK en dat de BAC, evenals het bestuur en de medewerkers van H&R, het werk doet ‘met grote inzet en integriteit’. Bij H&R is men volgens de commissie ‘doordrongen’ van de ernst van seksueel misbruik.

Verlammend en verwarrend

De commissie signaleert een ‘complexe opdracht’ aan H&R: hulp en recht bieden; voor klagers én aangeklaagden zorgen; Nederlands en kerkelijk recht toepassen. Bovendien stelt de commissie vast: ‘Een organisatie met twee gremia (met elk een eigen voorzitter en elk een eigen ambtelijk apparaat) werkt verlammend en verwarrend’. De organisatievorm van H&R staat ‘transparantie en verantwoording, intern maar ook naar buiten, in de weg’, formuleert de commissie.

Statutenwijziging in 2007 wilde dat H&R, opgericht door de kerkelijke autoriteiten in april 1995, niet alleen zou voorzien in hulpverlening en afhandeling van klachten in concrete gevallen. Het instituut zou ook onderzoek moeten doen en studie verrichten op het terrein van seksueel misbruik, algemene beleidsadviezen moeten uitbrengen aan bisschoppen en oversten. Op grond van de statuten is H&R een expertisecentrum voor seksueel misbruik in de RKK. De commissie stelt vast: ‘De verwachtingen over zo’n rol van Hulp & Recht zijn in de praktijk niet waargemaakt’.

Bestuur Hulp & Recht schoot tekort

In de lente van dit jaar zag H&R zich geconfronteerd met een forse toename van het aantal meldingen. Tussen 1995 en 2009 ontving H&R 286 meldingen, gemiddeld twintig per jaar. In deze periode leidden deze meldingen tot 141 klachten, gemiddeld negen per jaar. In 2010 ontving H&R tot 23 november bijna 1800 meldingen, waarvan 241 klachten.

De onderzoekscommissie stelt vast: ‘Het grote aantal meldingen in 2010 heeft de instelling volledig overvallen, het bureau was er niet voor toegerust. Richtsnoeren en protocollen ontbraken, alsmede richtlijnen voor de registratie en behandeling van reacties, het vervolg daarop en de uitvoering. De bureaumedewerkers moesten zich maar zien te redden’. In mei stelde het bestuur van H&R een tijdelijk hoofd aan, nam de opzet van een organisatie en het wegwerken van de opgelopen achterstanden een aanvang. ‘In september was sprake van een enigszins normale situatie’.

De commissie meent dat het bestuur van H&R te lang heeft gewacht ‘met het professioneel opvangen van deze meldingen en klachten. Te lang was de administratie bepaald niet op orde. Dit vormde een extra voedingsbodem voor het wantrouwen in Hulp&Recht. Het bestuur is verantwoordelijk, was op de hoogte van de ernst van de situatie, reageerde onvoldoende adequaat en schoot dan ook tekort’.

Kenmerken van verbetering

De onderzoekscommissie beveelt voor verbetering van hulp aan slachtoffers en behandeling van klachten een ingrijpende verbetering aan van de huidige situatie (waarvan de hoofdpunten in persbericht 4a). Deze verbetering moet aan de volgende kenmerken voldoen:

  • een goed functionerende organisatie, die zo snel mogelijk (binnen één jaar) alle in behandeling zijnde klachten afdoet en voor de toekomst de klachtenprocedure verbetert en zonder haperingen laat functioneren;
  • strakke protocollering;
  • een uitgebreid en passend hulpaanbod waarnaar klagers met een hulpbehoefte kunnen worden doorverwezen en waarvan de (extra) kosten voor rekening van de Rooms-Katholieke Kerk komen;
  • een klachtenprocedure die onafhankelijk functioneert en die het bestaande wantrouwen kan wegnemen;
  • een regeling voor het vaststellen van schade en de schadevergoeding die de gang naar de gewone rechter niet nodig maar wel mogelijk maakt.

De commissie noemt openbaarheid de ‘hoeksteen’ van deze benadering, ‘ook over de wijze waarop bisschoppen en oversten omgaan met adviezen en uitspraken uit de klachtenprocedure’.

Kwartiermaker

De onderzoekscommissie realiseert zich dat de implementatie van dit advies op korte termijn veel werk met zich meebrengt. Om die reden raadt zij haar opdrachtgevers aan een kwartiermaker in te schakelen voor een voortvarende uitwerking van haar aanbevelingen.

Later in 2011 zal de commissie nagaan of en in hoeverre haar aanbevelingen zijn overgenomen en inmiddels het gewenste effect hebben. De bisschoppenconferentie en KNR leggen de commissie hiertoe uiterlijk 1 juli 2011 een verslag voor. ‘Hierin geven ze aan of en, zo ja, op welke wijze zij deze aanbevelingen hebben overgenomen en uitgevoerd.’ Aan de hand hiervan zal de commissie in haar eindrapportage voorstellen doen voor de positionering van de aanbevolen organisatie als kerkelijke instelling dan wel als zelfstandige stichting.

Download het persbericht
Download het adviesrapport

Melden aan commissie mogelijk tot 1 december 2010

Onderzoekscommissie seksueel misbruik in RK Kerk ontvangt duizend meldingen.

DEN HAAG, 15 oktober 2010 – De onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk ontving vanaf medio maart dit jaar inmiddels ongeveer duizend meldingen van seksueel misbruik en/of fysiek geweld. Gelet op de voortgang van het onderzoek kunnen mensen tot 1 december 2010 hun melding onder de aandacht brengen van de commissie. Zij kunnen dit doen via het e-mailadres reactie@onderzoekrk.nl of het postadres Commissie Deetman, Postbus 556, 2501 Den Haag.
 
De meldingen waarover de commissie onder voorzitterschap van drs. W.J. Deetman inmiddels beschikt zijn veelal afkomstig van slachtoffers die zich op eigen initiatief tot haar richtten. De laatste tijd krijgt de commissie in toenemende mate ook meldingen van mensen die zich eerder wendden tot Hulp & Recht en diverse media. Deze media maakten de mensen attent op de mogelijkheid hun melding over te brengen aan de commissie. Die deed hiertoe niet tevergeefs een beroep op de redacties van met name NRC Handelsblad, Wereldomroep en de Volkskrant.
 
De commissie stelt de vele meldingen bijzonder op prijs. Ze vormen een essentieel bestanddeel van haar onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek. Naast een analyse van alle meldingen voorziet het onderzoek verder onder andere in diepte-interviews, een survey, een oproep aan daders (eerste kwartaal 2011), een internationale literatuurstudie, enquête en archiefonderzoek. De commissie wil met haar onderzoek aard en omvang van en ook verantwoordelijkheid voor seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk zo goed mogelijk in beeld brengen.

Algemeen contact

Voor persinformatie
Gert Jan Verhoog
T 06 – 52 53 98 97 
E g.j.verhoog@gmail.com

Overige informatie

Voor informatie, advies, begeleiding of hulpverlening inzake seksueel misbruik binnen de Rooms-Katholieke Kerk  

Hulplijn Seksueel Misbruik
T 0900-9999001
E contact@hulplijnseksueelmisbruik.nl
W www.hulplijnseksueelmisbruik.nl

Meldpunt Seksueel Misbruik RKK
T 030-2306900
E secretariaat@meldpuntmisbruikrkk.nl
W www.meldpuntmisbruikrkk.nl

KLOKK - Koepel Landelijk Overleg Kerkelijk Kindermisbruik
E raymond.lelkens@gmail.com
W www.klokk.nl