Tekstgrootte:  A A A

Persbericht over slotactie voor erkenning en genoegdoening en Regeling van slotactie voor erkenning en genoegdoening

Erkenning en genoegdoening voor klagers over seksueel

misbruik in RK kerk van wie klacht ongegrond is verklaard

 

DEN HAAG, 12 oktober 2015 – De Rooms-Katholieke Kerk in Nederland heeft op voorstel van drs W.J. (Wim) Deetman besloten tot erkenning van en genoegdoening voor klagers over seksueel misbruik, van wie een onafhankelijke klachtencommissie de klacht eerder ongegrond heeft bevonden. Het gaat hierbij om klagers die ter ondersteuning van hun klacht zich alleen konden beroepen op hun eigen verklaring en niet over verder steunbewijs beschikten, terwijl hun klacht authentiek en geloofwaardig is.

 

Het gaat hierbij om ongeveer 250 klagers van wie de klachten tot 1 mei 2015 ongegrond zijn verklaard. Ongeveer 150 van deze klagers hebben inmiddels via herziening, mediation of schikking alsnog erkenning en genoegdoening gekregen. Op advies van een onafhankelijke commissie bieden de Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen een resterende groep van ongeveer 100 klagers van wie de klachten authentiek zijn, erkenning en genoegdoening aan. Zij bieden dit eveneens aan klagers aan van wie de klachten na 1 mei 2015 ongegrond zijn verklaard. Het gaat bij deze groep om een bedrag van bijna een miljoen euro. De bedragen die als financiële tegemoetkoming worden aangeboden liggen tussen 1.000 en 17.500 euro.

 

In het kader van de gegrond verklaarde klachten is tot 1 januari 2015 een bedrag toegekend van 16 miljoen euro, gemiddeld 30.000 euro. In totaal zijn tot 1 januari 2015 1.839 klachten ingediend. Daarvan zijn er 222 ingetrokken. Met 212 klagers werd tijdens de klachtprocedure een schikking getroffen. Voor de klagers over seksueel misgebruik en over geweld hebben de kerkelijke instanties tot nu toe twintig miljoen euro beschikbaar gesteld. Bij de onafhankelijke klachtencommissie zijn nog 393 klachten over seksueel misbruik in behandeling. Ook degenen van wie de nog niet volledig behandelde klacht in deze procedure ongegrond wordt bevonden, komen in aanmerking voor de slotactie. Het percentage ongegrondverklaringen is op dit moment twintig procent.

 

Regeling voor slotactie

De Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen hebben het initiatief genomen voor deze slotactie om erkenning en genoegdoening te bieden aan alle klagers, ook al is hun klacht door de onafhankelijke klachtencommissie ongegrond bevonden. De Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen hebben Deetman gevraagd een voorstel te doen voor zo’n regeling. De regeling voor de slotactie is zonder precedent, zowel wat betreft inhoud als ook wat betreft de hoogte van de bedragen die in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden aangeboden. Bij de uitvoering van de regeling is het niet de bedoeling uitspraken te doen over de feitelijke context van de gebeurtenissen. Met de regeling wordt het risico op de veronderstelling van een voor de klager als pijnlijk ervaren afwijzing teniet gedaan.

 

Contacten met klagers

Aan alle klagers wordt een gesprek aangeboden met vertegenwoordigers van de Rooms-Katholieke Kerk. Het bestuur van de Stichting Beheer & Toezicht van het Meldpunt Seksueel Misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk heeft aangeboden via de daar ten dienste staande voorzieningen hulpverzoeken te beantwoorden en voor hulp te zorgen.

 

Samenstelling commissie

De onafhankelijke commissie bestaat uit vier leden:

• mr P. (Pieter) Kalbfleisch die eerder deel uitmaakte van de Onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK;

• dr W. (Willie) Langeland, die ook bij dat onderzoek betrokken was;

• mr G.A.M. (Wiel) Stevens, die voorzitter is van de Klachtencommissie voor seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK;

• dr R.L.N. (René) Westra, die de opsteller is van de zogeheten nulmeting, een evaluatie van processen van erkenning van en genoegdoening over seksueel misbruik in de RKK.

 

Toezicht en verantwoording

In de regeling voor deze slotactie is vastgelegd dat Deetman toeziet op een onafhankelijke, transparante en juiste uitvoering van de regeling. Later dit jaar legt hij tegenover de opdrachtgevers, de Bisschoppenconferentie en de KNR, verantwoording af over de uitvoering van de regeling. Ook informeert Deetman dan de lotgenotenorganisaties hierover.

 

---

 

Regeling voor het bieden van erkenning en genoegdoening aan degenen die in de klachtenprocedure van het Meldpunt Seksueel Misbruik Rooms-Katholieke Kerk niet hebben kunnen voldoen aan het vereiste van aannemelijkheid

 

1. Doel van de regeling

De regeling heeft betrekking op twee groepen klagers die een klacht hebben ingediend bij het Meldpunt Seksueel Misbruik Rooms-Katholieke Kerk. De eerste groep betreft degenen waarvan de klacht(en) naar de stand van zaken van 1 mei 2015 ongegrond is/zijn verklaard. De tweede groep betreft degenen waarvan de klacht(en) thans nog in behandeling is/zijn en waarvan te zijner tijd zal blijken dat de klacht ongegrond wordt/worden verklaard.

 

De Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen zijn zich bewust van het leed dat zovelen als minderjarige is aangedaan door seksueel misbruik door personen die werkzaam zijn binnen de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland. Indachtig het onderzoek van de Onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk en het vervolgonderzoek van drs. W.J. Deetman spannen de Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen zich in om erkenning en genoegdoening te geven aan al degenen die als minderjarige slachtoffer zijn van seksueel misbruik door personen werkzaam in de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland.

 

Deze regeling is bedoeld om de hierboven genoemde twee groepen klagers erkenning en genoegdoening te geven. In de regeling wordt rekening gehouden met reeds door bisschoppen en hogere oversten verstrekte genoegdoeningen ongeacht het ongegrond verklaren van de klacht.

 

2. Reikwijdte van de regeling

Uitgangspunt is de authenticiteit van wat is gemeld over het leed dat het slachtoffer heeft ondergaan. De regeling is algemeen van aard en de uitvoering van de regeling is er niet op gericht om de feitelijke context van gebeurtenissen vast te stellen. Klachten, die door de Klachtencommissie als aantoonbaar onaannemelijk zijn bestempeld, worden buiten beschouwing gelaten, hoe zeer ook de regeling het risico op de veronderstelling van een voor de klager als pijnlijk ervaren afwijzing te niet wil doen.

 

3. Uitvoering van de regeling

a. de uitvoering van de regeling geschiedt door een onafhankelijke commissie die bestaat uit:

• mr. P. (Pieter) Kalbfleisch

• mevrouw dr. W. (Willie) Langeland

• mr. G.A.M. (Wiel) Stevens

• dr. R.L.N. (René) Westra

b. de commissie start haar werkzaamheden zo spoedig mogelijk en zij beëindigt haar werkzaamheden op 15 december 2015. Over na 1 mei 2015 ongegrond verklaarde klachten adviseert ze periodiek, totdat erkenning en genoegdoening is gedaan aan ook de laatste klager wiens klacht is ongegrond verklaard. Ten behoeve van haar werkzaamheden maakt de commissie een werkinstructie.

c. degenen waarvan de klacht ongegrond is verklaard vóór 1 mei 2015 ontvangen per aangetekende brief uiterlijk oktober 2015 van de kerkelijke autoriteiten bericht of zij in aanmerking komen voor deze regeling. Klagers zullen vervolgens op een eenvoudige wijze kenbaar kunnen maken bij de commissie of zij in aanmerking willen komen voor de regeling.

d. op een later moment zal eenzelfde procedure worden gehanteerd voor degenen wier klacht vanaf 1 mei 2015 ongegrond wordt verklaard.

e. de commissie doet voor haar vaststelling van het in aanmerking komen geen nader onderzoek en zij doet geen uitspraken over de feitelijke context van de gebeurtenissen waarvoor is geklaagd.

f. al degenen onder c. en d. ontvangen door of namens de kerkelijke autoriteiten een aanbod voor een financiële genoegdoening, die overeenkomt met het advies van de commissie. De commissie kan aan de heer Deetman specifieke zaken voorleggen. De heer Deetman adviseert of en zo ja welke maatregelen behoren te worden genomen waarin deze regeling niet voorziet. Het advies van de heer Deetman is bindend.

g. de commissie doet geen eigen onderzoek. De vaststelling van het in aanmerking komen voor deze regeling door de commissie betekent dan ook niet dat de ongegrondverklaring herroepen wordt.

 

4. Hulp en ondersteuning

Aan al degenen onder 3.c en 3.d wordt de mogelijkheid van (doorverwijzing naar) hulp geboden. Ook bestaat de mogelijkheid van gesprekken met vertrouwenspersonen van het Meldpunt en met de verantwoordelijke kerkelijke autoriteiten.

 

5. Toezicht en verantwoording

Op de uitvoering van de regeling houdt drs. W.J. Deetman toezicht. Op twee momenten bericht hij over de uitvoering van de regeling: uiterlijk eind dit jaar en kort na het advies over de laatste klacht die ongegrond wordt verklaard. De commissie stelt een verantwoording op over de wijze waarop zij haar werkzaamheden uitvoert. Deze verantwoording wordt gepubliceerd op www.onderzoekrk.nl.

Onderzoekscommissie seksueel misbruik minderjarigen RKK: Berichten NRC Handelsblad bevatten ‘in aard en ernst opvallende feitelijke onjuistheden’

DEN HAAG – 27 maart 2013 – Publicaties in NRC Handelsblad van 16 maart 2013 bevatten ‘in aard en ernst opvallende feitelijke onjuistheden’, ‘waarvan het de vraag is of ze kunnen worden afgedaan als onbewust gemaakte fouten’. Dit stelt de voormalige onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen binnen de Rooms-Katholieke Kerk (RKK).

De voormalige commissie onder voorzitterschap van drs. W.J. (Wim) Deetman presenteerde op 16 december 2011 het eindrapport van haar onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek. Met haar onderzoek in opdracht van de RK Bischoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) bracht de commissie aard, omvang en omstandigheden van, als ook de verantwoordelijkheden voor seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK binnen Nederland in beeld, evenals de gevolgen hiervan voor slachtoffers en hun omgeving.

Op 16 maart publiceerde de betrokken redacteur van NRC Handelsblad (opnieuw) berichten waarin hij juistheid en oprechtheid van het eindrapport in twijfel trekt. In een eerste publieke reactie op deze artikelen, ‘Deetman meldde belastende feiten bisschop Van Luyn niet’ en ‘Wat Deetman niet opschreef in zijn misbruikrapport’, nam de onderzoekscommissie hier afstand van op haar website www.onderzoekrk.nl.

Morgen voert de Tweede Kamer een gesprek met Deetman over de vraag of en in hoeverre de RKK werk maakt van de aanbevelingen in het eindrapport. Een Kamerlid zou Deetman op de zitting willen bevragen over beweringen in de publicaties. Mede met het oog hierop komt de commissie met een uitvoerige weerlegging op beide artikelen terug. 

Hoor en wederhoor niet serieus
Vóór publicatie van de artikelen ontving de commissie een reeks vragen van de redacteur, ‘een aantal suggestief en tendentieus’. De commissie zag haar antwoorden nagenoeg niet terug in beide publicaties en stelt dat dit niet voor het eerst is: ‘Van een serieus te nemen hoor en wederhoor is geen sprake. Toen niet en ook nu niet. Het gaat hier niet om nieuwsmakerij maar om beschuldigingen die niet met feiten zijn gestaafd, hoe ijverig de betrokken journalist ze ook probeert te verbuigen en te vervormen’.

In haar reactie loopt de commissie de beweringen in beide artikelen na en stelt hierin een reeks feitelijke onjuistheden vast die in aard en ernst uiteenlopen: ‘In een aantal gevallen gaat het om opvallende feitelijke onjuistheden, waarvan het maar de vraag is of ze als slordigheden moeten worden afgedaan’. Elders ‘worden de bewoordingen die de Onderzoekscommissie heeft gekozen plotseling van een andere, veel stelliger, redactie voorzien en wordt door weglating van het voorafgaande de desbetreffende passage uit haar context gehaald’.

Beide artikelen suggereren dat bisschop mgr. A.H. van Luyn Deetman aanzocht voor het onderzoek omdat hij hem volgens de redacteur goed zou kennen en zich zo verzekerde van een voor de RKK welgevallig onderzoek dat hemzelf zou sparen: ‘Dat Van Luyn bij Deetman uitkomt is niet vreemd. Ze kennen elkaar goed. Hun contact dateert uit de periode dat Deetman burgemeester is in Den Haag, in het bisdom van Van Luyn’, aldus de krant.

Verdachtmaking
Deetman sprak Van Luyn toen echter slechts enkele malen en wel uitsluitend over zakelijke aangelegenheden. In haar reactie stelt de commissie: ‘De bewering “kennen elkaar goed” is de opmaat naar de verdachtmaking dat de heer Deetman niet onafhankelijk is’.

Terwijl NRC Handelsblad de indruk wekt als zou de commissie haar opdrachtgever Van Luyn, toen voorzitter van de bisschoppenconferentie, hebben ontzien, laat de krant ook onvermeld dat de commissie aanvullend onderzoek deed in de archieven van de salesianen te Rome: ‘Twee van de vier vragen die de Onderzoekscommissie wilde beantwoorden met informatie uit deze archieven hadden betrekking op het handelen en het kennisniveau van mgr. Van Luyn als provinciaal overste en als persoonlijk secretaris van de provinciaal overste‘. Ook voerde de commissie twee uitgebreide gesprekken met Van Luyn zelf over diens betrokkenheid bij enkele zaken. Het eindrapport doet hier verslag van.

De commissie concludeert tot slot: ‘Bij beschuldigingen dat niet integer is gehandeld ligt de bewijslast bij degene die de beschuldiging uit. Aan zijn feitelijke onderbouwing mogen inderdaad hoge eisen worden gesteld. Uit het bovenstaande blijkt dat de feitelijke beweringen in NRC Handelsblad in aard en ernst opvallende feitelijke onjuistheden bevatten, waarvan het de vraag is of ze kunnen worden afgedaan als onbewust gemaakte fouten’.

Download het feitenoverzicht (word)
Download het feitenoverzicht (PDF)

Download het persbericht (word)
Download het persbericht (PDF)

Download het volledige onderzoek (PDF)

Verklaring inzake publicatie in NRC Handelsblad d.d. 16 maart 2013

NRC Handelsblad van vandaag, 16 maart 2013, geeft een onjuiste voorstelling van zaken met betrekking tot het eindrapport van de onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk. Het eindrapport van dit onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek verscheen op 16 december 2011. De artikelen onder de kop 'Deetman meldde belastende feiten bisschop Van Luyn niet' en 'Wat Deetman niet opschreef in zijn misbruikrapport' bevatten beweringen en aantijgingen die in een eerste reactie nopen tot een feitelijke weerlegging door de secretaris en onderzoeksmanager van de voormalige commissie, dr H.P.M. (Bert) Kreemers.

De kern van het artikel van de betrokken redacteuren is dat de onderzoekscommissie en in het bijzonder haar voorzitter Deetman niet integer hebben gehandeld, bij het schrijven van het eindrapport in 2011. Als bewijs wordt aangedragen dat de bisschoppen Van Luyn en Wiertz, te beschouwen als mede-opdrachtgevers, uit de wind zijn gehouden. Het gaat hier om historisch onderzoek, uitgevoerd langs meerdere lijnen (onderzoek naar meldingen in gesprekken en in archieven, internationaal literatuuronderzoek, onderzoek TNS-NIPO). Vervolgens zijn keuzes gemaakt, op basis van interpretaties van bronnenmateriaal dat in het rapport is verantwoord. De commissie heeft haar onafhankelijkheid vastgelegd, heeft zich gebonden aan algemeen aanvaarde criteria voor wetenschappelijk onderzoek, en blijft zich verplicht zien om de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen niet onnodig te schaden. Een aanval op de persoonlijke integriteit moet per definitie zorgvuldig worden beargumenteerd en van sterke bewijzen zijn voorzien. Dat geldt des te sterker in een geval als dit, waarin de commissie en haar opdrachtgevers juist uitdrukkelijk de risico’s onder ogen hebben gezien, daarover afspraken hebben gemaakt en die ook hebben gepubliceerd. De bewijslast dat niet integer is gehandeld ligt bij degene die die beschuldiging uit en daaraan mogen zeer hoge eisen worden gesteld. Het enkele gegeven dat er opdrachtgevers zijn geweest, is geen argument. Elke commissie, hoe ook samengesteld, zou in dezelfde situatie verkeren en er zijn keiharde afspraken gemaakt om de onafhankelijkheid te verzekeren. Het argument is ook gevaarlijk want het is schijnbewijs: bij alles wat een kritische buitenstaander, onkundig van het complete materiaal, opvalt lijkt dit argument zijn gelijk te bevestigen. Dat heet: ‘tunnelvisie’.

Alle verantwoordelijken in de Rooms-Katholieke Kerk gelijk behandeld

De Onderzoekscommissie heeft bij haar onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk alle verantwoordelijken (kardinaal, bisschoppen, hogere oversten) gelijk behandeld. Met alle ambtsdragers zijn gesprekken gevoerd waarvan de verslagen zijn geautoriseerd. Met enkele ambtsdragers is meer dan een keer gesproken. Dat geldt ook voor mgr. A.H. van Luyn, met wie twee keer is gesproken waarbij zowel zijn functioneren als bisschop van Rotterdam en voorzitter van de Bisschoppenconferentie alsmede zijn gehele loopbaan binnen de congregatie van de Salesianen aan de orde zijn gesteld. De gesprekken zijn gevoerd en voorbereid door onderzoekers van de Onderzoekscommissie in aanwezigheid van drs. W.J. (Wim) Deetman.  Met mgr. F.J.G. Wiertz is één keer gesproken. Dit gesprek is eveneens voorbereid en gevoerd door onderzoekers van de Onderzoekscommissie in aanwezigheid van de heer Deetman.

Onderzoek werd uitgevoerd in onafhankelijkheid en naar wetenschappelijke maatstaven

Het onderzoek van de Onderzoekscommissie is in onafhankelijkheid en naar wetenschappelijke maatstaven uitgevoerd. Het gaat om een historisch onderzoek, dat langs meerdere lijnen is uitgevoerd (onderzoek naar de inhoud van de klachten in gesprekken en archieven, internationaal literatuuronderzoek, onderzoek TNS-NIPO). Zoals steeds gesteld gaat het niet om een justitieel onderzoek naar individuele zaken. De toetsing van individuele klachten - gemeld en niet gemeld bij de onderzoekscommissie - vindt plaats door de klachtencommissie en eventueel door de compensatiecommissie wanneer slachtoffers zich bij die commissies melden. Dat het een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek betreft wil onder andere ook zeggen dat naar de opdrachtgevers toe afstand is bewaard. De melders zijn met respect tegemoet getreden, maar waar in hun meldingen feitelijke omstandigheden aan bod kwamen zijn deze met andere meldingen vergeleken, in gesprekken  getoetst en geverifieerd, waarbij ook informatie uit archiefonderzoek is betrokken. Dit is ook gebeurd bij de melding van de heer J. Hij meldde weliswaar seksueel misbruik maar prominent en overwegend stond in zijn melding zwaar lichamelijk letsel door een medeleerling en de afhandeling daarvan door bestuurlijke verantwoordelijken binnen de Salesianen. Hierover had hij contacten gelegd met de toenmalige bisschop van Rotterdam, mgr. A.H. van Luyn, en de hogere overste van de Salesianen. De correspondentie met deze hogere overste was bij zijn melding gevoegd en geeft aan dat op zijn verzoek om contact uitgebreid is gereageerd. Nergens in aan de Onderzoekscommissie voorgelegde stukken wordt gerept van een beschuldiging dat mgr. Van Luyn “het slachtoffer in de steek zou hebben gelaten”. De commissie kon op grond van die correspondentie geenszins de indruk krijgen dat mgr. Van Luyn of de hogere overste zich aan de zaak hadden getracht te onttrekken.

De melding van de heer L. was voor de Onderzoekscommissie aanleiding om met hem een uitgebreid gesprek te voeren en een eveneens uitgebreid archiefonderzoek uit te voeren. De heer L. heeft het verslag van zijn gesprek dat was voorbereid en werd gevoerd door drie onderzoekers van de Onderzoekscommissie (niet in aanwezigheid van de heer Deetman) geautoriseerd en aangevuld. De heer L. heeft op 17 december 2011 de secretaris van de Onderzoekscommissie bedankt voor de wijze waarop de Onderzoekscommissie met zijn melding is omgegaan [gesprek van de heer L. met de secretaris van de Onderzoekscommissie in Utrecht op 17 december 2011 om 16.30 uur].

De redacteur interpreteert de bevindingen van de Onderzoekscommissie naar zijn eigen inzichten en vermoedens

Niet voor het eerst stelt de betrokken redacteur van NRC Handelsblad vragen aan de Onderzoekscommissie die suggestief zijn en die zijn eigen inzichten en vermoedens als uitgangspunt hebben. Hiermee interpreteert hij vervolgens bevindingen en conclusies van de Onderzoekscommissie. De redacteur heeft een belangrijke rol gespeeld in het publiekelijk aan de orde stellen van het seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk. Hij heeft zich in dit opzicht gepresenteerd als de “voorcommissie” van de Onderzoekscommissie. De Onderzoekscommissie beschikte over veel meer en andere mogelijkheden en volgde ook wetenschappelijke benadering om tot haar onderzoeksrapportage te komen. Hiermee was het mogelijk om tot een afgewogen oordeel te komen. Meldingen, zoals de Onderzoekscommissie die heeft gekregen, bevatten belangrijke informatie, maar vragen – zeker als het gaat om gebeurtenissen die vaak decennialang geleden zich hebben voorgedaan – om toetsing en verificatie. Voor een onderzoek dat aan wetenschappelijke maatstaven moet voldoen is dat een absolute voorwaarde. Daarom zijn in de bijlage de op 13 maart gestelde vragen van de redacteur opgenomen en ook de antwoorden die dus in kort bestek van een niet meer bestaande organisatie werden gevraagd.

Tot slot nog dit. Het artikel 'Wat Deetman niet opschreef in zijn misbruikrapport' verwijst ook naar een 'regen' van klachten over het deze week verschenen eindrapport van het vervolgonderzoek naar seksueel misbruik van en geweld tegen minderjarige vrouwen in de Rooms-Katholieke Kerk. De organisatie van dit vervolgonderzoek ontving zelf geen klachten over dit onderzoek. Wel beklaagden enkele personen zich over de opstelling van de RKK in het algemeen en van afzonderlijke ordes en congregaties in het bijzonder. Het Platform Vrouwen tegen Kerkelijk Kindermisbruik is door de onderzoeksorganisatie gevraagd de klachten aan de opstellers van het tweede eindrapport voor te leggen, opdat zij de klagers een reactie op hun kritiek kunnen geven. Tot nu toe is aan dit verzoek niet voldaan.


Bert Kreemers

 

Bijlage

De betrokken redacteur geeft op 13 maart 2013 te kennen samen met een collega voor de krant van vandaag, zaterdag 16 maart 2013, een artikel te schrijven 'waarin wij terugkijken op drie jaar misbruikonderzoek door de heer Deetman en zijn commissie. Daarbij centraal staat het lot van de bisschoppen.

Wij hebben ons afgevraagd hoe ze door de commissie-Deetman zijn ‘behandeld’. Ik bedoel, wat heeft de commissie onderzocht van ze en op welke manier zijn ze in het eindrapport terechtgekomen?

Daarbij viel ons op dat over vooral Bär en Simonis, vele regels worden geschreven. Beiden worden gekapitteld in aparte bevindingen in het eindrapport, over beiden worden conclusies getrokken ten aanzien van hun bestuurlijk handelen. Ten aanzien van Van Luyn en Wiertz ontbreken zulke aparte bevindingen en conclusies.

De verwijten aan Bär en Simonis hadden onder meer te maken met de betrokkenheid  bij het overplaatsen van gekende pedofiele paters/broeders, het niet informeren van het OM. Zulke feiten waren en zijn echter ook bekend bij de commissie over Van Luyn en Wiertz. 

Ons viel voorts op dat verschillende kwesties waarmee Wiertz en Van Luyn in het nieuws gekomen waren voor en in het begin van het onderzoek door de commissie, niet voorkomen in het eindrapport.

Twee slachtoffers (S.J. en J.L.; de afkortingen zijn vanwege de voormalige onderzoekscommissie om redenen van privacy) schreven de commissie Deetman aan, met overlegging van documenten waaruit bleek dat Van Luyn hen als slachtoffer niet persoonlijk geholpen had. Ook dit ontbreekt in het eindrapport, hoewel de commissie met J.L. een uitgebreid gesprek gevoerd heeft.

Dit heeft bij ons tot enkele vragen geleid, die wij graag willen voorleggen aan de heer Deetman.

 

Is de heer S.J. antwoord gestuurd door de commissie, nadat hij in 2010 zijn beklag hadden gedaan over de handelwijze van bisschop Van Luyn en zijn zaak en correspondentie met Van Luyn had voorgelegd? Zo nee, waarom niet? Zo, ja wanneer?

Hoe kan worden verklaard waarom over het bestuurlijk handelen van de heer Van Luyn als overste salesiaan en bisschop, en bisschop Wiertz, geen aparte bevindingen zijn opgenomen en er geen omvattend oordeel wordt gegeven?

Waarom ontbreken feiten die belastend zijn voor Wiertz en Van Luyn, die wel bekend waren bij de commissie, in het eindrapport?

Waarom worden Bär en Simonis wel in aparte bevindingen gekapitteld over hun bestuurlijk falen, en Van Luyn en Wiertz niet?

Waarom wordt in de hoofdconclusies ten aanzien van het bisdom Rotterdam geconcludeerd dat na het vertrek van Bär (en de komst van Van Luyn) ,,deze situatie” op hield te bestaan? Met ,,deze situatie” wordt onder meer gedoeld op het overplaatsen van priesters naar andere bisdommen met alle risico’s van dien voor kinderen. Onder Van Luyn gebeurde dit toch ook nog, hetgeen bekend was en is bij de commissie.

Herkent de heer Deetman zich in de observatie dat waar de rol van Van Luyn te bekritiseren valt, in het eindrapport het noemen van zijn naam vermeden wordt. En dat daar waar de heer Van Luyn in een enkele misbruikzaak actie onderneemt, zijn naam wel wordt genoemd? Zo nee, waarom niet?

Is de heer Deetman het eens met de stelling dat de zittende bisschoppen Van Luyn en Wiertz ontzien zijn? Zo nee, waarom niet?

Wij maakten ook een reconstructie van de beginperiode, hoe de heer Deetman gevraagd is om eerste een advies en vervolgens het onderzoek te doen. Onze bronnen binnen de kerkprovincie melden dat de heer Van Luyn de heer Deetman gevraagd/ gepolst heeft om advies te verstrekken en daarna ook uitvoerder van het onderzoek te zijn.

Graag hadden wij vernemen wij de zienswijze van de heer Deetman.

In verband met de verwerking van de antwoorden verzoeken wij om vóór vrijdagochtend 9 uur te reageren'.

 

De voormalige onderzoekscommissie antwoordt op 15 maart als volgt:

Antwoord 1.

“Is de heer [J] antwoord gestuurd door de commissie, nadat hij in 2010 zijn beklag had gedaan over de handelwijze van bisschop Van Luyn en zijn zaak en correspondentie met Van Luyn had voorgelegd? Zo nee, waarom niet? Zo ja wanneer?”

De heer [J] heeft op 26 november 2010 per e-mailbericht en per brief de Onderzoekscommissie op de hoogte gebracht van seksueel misbruik door een pater salesiaan en van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (beenbreuk) door een medestudent in 1961 in Don Rua. Uit de melding blijkt echter niets van seksueel misbruik door de desbetreffende pater over wiens bestuurlijke handelen de heer J zich beklaagt. Over het bestuurlijk handelen van de desbetreffende pater en diens betrokkenheid bij seksueel misbruik heeft de Onderzoekscommissie in haar eindrapport (6.2.5.) uitgebreid aandacht besteed.

De heer J heeft op 26 november 2010 om 10.57 uur een bevestiging gekregen van de ontvangst van zijn bericht aan de Onderzoekscommissie. Het uitblijven van een reactie van mgr. Van Luyn op een e-mailbericht van 23 april 2008 komt slechts zijdelings aan de orde in de brief/e-mailbericht van de heer J. Uit de brief van de heer J blijkt dat inmiddels een uitgebreid contact was opgebouwd tussen de heer J en de toenmalige hogere overste van de salesianen Uit het meegestuurde krantenartikel is af te leiden dat contact tussen de heer J en mgr. Van Luyn is gelegd.

“Wat wordt bedoeld met ‘die situatie’?”

Hiermee wordt bedoeld de kwetsbare positie waarin mgr. Bär zich bevond jegens priesters die zich schuldig maakten aan seksueel misbruik en die op de hoogte waren van zijn vermeende homoseksualiteit.

Over L:

In het gesprek dat de Onderzoekscommissie met L op 7 april 2011 heeft gehad, laat de heer L uitgebreid weten wat hij aan mgr. Van Luyn heeft bericht maar laat hij in het midden of hij na een tweede bericht aan mgr. Van Luyn een reactie heeft gekregen. In ieder geval is van een klacht geen sprake in dat gesprek. In het gesprek komt het contact tussen de heer L en de hogere overste van de salesianen aan de orde dat onder andere tot een letselschadevergoeding van 16.000 euro heeft geleid.

 

In reactie hierop geeft de redacteur onder dankzegging op 15 maart aan:

'Ik wil er graag op reageren. Ten aanzien van de manier waarop de bisschoppen Van Luyn en Wiertz zijn behandeld in het eindrapport (verschil met de oud-bisschoppen Bär en Gijsen en kardinaal Simonis) vind ik niets terug in de verantwoording van het archiefonderzoek, waar de heer Deetman naar verwijst in zijn antwoord. Ik zou graag weten waar daar iets over gezegd wordt. Dat geldt ook voor de precieze gang van zaken rond de aanstelling van de heer Deetman als adviseur (wie vroeg hem wanneer? etc) en zijn aanstelling als onderzoeker.

Van de 9 vragen worden er uiteindelijk maar 3 van een apart antwoord voorzien.

1) S.J.

Ten aanzien van de zaak J., zie ik geen antwoord op de vraag waarom het niet helpen door Van Luyn niet in eindrapport behandeld is. Dat aan ziekenzaalbroeder P. aandacht besteed wordt, is helder. Maar daar gaat het niet om. Het betreft hier de beoordeling van de commissie over het al dan niet in de kou laten staan van een slachtoffer door een kerkbestuurder. Dat er een brief van de salesianen was waarin met spijt betuigt over de handelwijze van vroegere bestuurders, is geen verklaring voor het feit dat er aan de handelwijze van Van Luyn in deze zaak geen aandacht wordt besteed.

2) Wat wordt bedoeld met ‘de situatie’?

Hier wordt geantwoord dat dit slaat op de kwetsbare positie van Bär tegenover jonge priesters die op de hoogte waren van zijn vermeende homoseksualiteit.

Dat vinden wij niet terug in de betreffende alinea’s waarin de opmerking over ‘de situatie’ voorkomt. Voor de volledigheid geef ik hier de tekst uit het eindrapport weer, waarop wij ons moeten baseren:

13a. Het bisdom Rotterdam: 1983-1993

In het bisdom Rotterdam werden in de jaren tachtig, tegen de adviezen van de toenmalige selectiecommissie in, mannen toegelaten tot de priesterwijding die daar niet voor geschikt werden geacht en van wie een aantal zich aan misbruik van minderjarigen heeft schuldig gemaakt. De Onderzoekscommissie is in haar onderzoek op vijf concrete gevallen gestuit. Het is opmerkelijk dat op hun misdrijven en misdragingen geen enkele vorm van correctie of een voorzorgsmaatregel om herhaling te voorkomen is gevolgd. Naar buiten – onder andere in de richting van slachto^ers en hun familie – werd volgehouden dat strenge maatregelen waren getroffen, maar in werkelijkheid waren dit loze gebaren. De tamelijk luchtige wijze waarop de toenmalige bisschop, monseigneur Bär, reageerde op de (voorwaardelijke) strafrechtelijke veroordeling van een van deze priesters plaatst de Onderzoekscommissie voor raadsels. Dit geval staat niet op zichzelf. Hiermee wordt de vraag opgeroepen of de toenmalige bisschop wel in staat was om zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid waar te maken. De Onderzoekscommissie is geneigd die vraag ontkennend te beantwoorden. Onder monseigneur Bär als bisschop zijn afdoende maatregelen uitgebleven. Priesters die in het bisdom Rotterdam niet meer konden worden gehandhaafd werden in andere bisdommen tewerkgesteld, waarbij de risico’s van dit doorschuiven schromelijk werden onderschat, wat koste kon gaan van de fysieke en mentale integriteit van minderjarigen die met zulke priesters in aanraking kwamen. Priesters tegen wie maatregelen werden uitgevaardigd, negeerden de aanpak van de bisschop. Met het vertrek van monseigneur Bär en de komst van een nieuwe bisschop hield deze situatie op te bestaan.

13b. Broeders van Amsterdam

3) J.L.

In het gesprek dat de heer L. met jullie gehad heeft, is geen klacht over Van Luyn geuit, schrijft de heer Deetman. Dat neemt niet weg dat in de correspondentie die de heer L. heeft overhandigd aan de commissie duidelijk wordt dat hij tot drie keer toe een smeekbrief schreef aan de heer Van Luyn met zijn hele misbruikgeschiedenis, en dat de heer Van Luyn weigerde met L. in gesprek te gaan. De vraag is waarom deze wetenschap bij de commissie niet verwerkt is in het eindrapport. Het doel van de commissie was onder meer het handelen van kerkbestuurders te beoordelen, ook in hun benadering naar slachtoffers. Daarover worden ook in algemene termen opmerkingen gemaakt door de commissie'.

In antwoord op deze vervolgvragen bericht de voormalige commissie op 15 maart als volgt.

Antwoord 2.

'1.       De heer J heeft zich bij de Onderzoekscommissie gemeld met een melding die betrekking had op zwaar lichamelijk letsel toegebracht door een medeleerling. Dit valt buiten het bereik van het onderzoek. Uit zijn melding blijkt niet dat hij zich “in de steek gelaten voelt” door de bisschop van Rotterdam. Wel beklaagt hij zich over de houding van de advocaat van de salesianen.

2.       De situatie onder mgr. Bär was dat maatregelen tegen priesters die zich hadden schuldig gemaakt aan misbruik werden genegeerd. In een van de voornaamste casussen die in het eindrapport voorkomt negeerde een priester het verbod om als priester te fungeren in het bisdom Rotterdam. Het ging niet om overplaatsing naar een ander bisdom.

3.       Het gesprek met de heer L was inderdaad een vervolg op zijn melding. Het gesprek is bedoeld om een en ander te toetsen. Uiteraard hebben wij het verslag voor aanvullingen en verbeteringen aan de heer L voorgelegd. Hiervan heeft de heer L ruim gebruik gemaakt, maar hij heeft niets toegevoegd over zijn citering van een van zijn brieven aan mgr. Van Luyn. Voor de goede orde: de heer L heeft uitvoerig mededelingen gedaan over zijn contacten met de salesianen. Het misbruik is zoals bekend bij de salesianen gepleegd.

4.       Over de wijze waarop de heer Deetman is gevraagd advies te geven en de leiding van het onderzoek op zich te nemen is in het eindrapport verantwoording afgelegd. Eerder werd volledige transparantie gehanteerd, onder andere in twee persconferenties'.

Deetman adviseert speciale mediation voor geweld tegen vrouwen in RK Kerk

Persbericht C

Vervolgonderzoek: geen eenduidige definitie voor excessief geweld 

DEN HAAG, 11 maart 2013 - Speciale bemiddeling door professionele mediators moet vrouwelijke slachtoffers van (buitensporig) geweld in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) heling, erkenning en herstel bieden in combinatie met financiële genoegdoening. Drs. W.J. (Wim) Deetman adviseert de RKK deze mediation mogelijk te maken om zo acht te slaan op dit geweld waarvan slachtoffers melding maakten. Deetman adviseert dit in het eindrapport van het vervolgonderzoek onder diens leiding naar seksueel misbruik van en geweld tegen meisjes binnen de RKK.

De uitkomsten van dit onafhankelijk wetenschappelijk vervolgonderzoek tussen augustus 2012 en begin 2013 bieden onvoldoende basis voor een scherp afgebakende, eenduidige definitie van (excessief) geweld die breed en ook met terugwerkende kracht bruikbaar is. Bij gebrek aan een eenduidige definitie van (excessief) geweld is de huidige klachtenprocedure niet toepasbaar. Om toch geweldsklachten in behandeling te kunnen nemen adviseert Deetman daarom deze speciale mediation.

Het vervolgonderzoek bouwt voort op dat van de commissie die, eveneens onder voorzitterschap van Deetman, seksueel misbruik van minderjarigen (jongens en meisjes) in de RKK onderzocht. Het eindrapport van deze onderzoekscommissie verscheen eind 2011. De organisatie van het vervolgonderzoek (onderzoeksorganisatie) richtte zich niet alleen op seksueel misbruik van maar ook op fysiek en psychisch (excessief) geweld tegen minderjarige vrouwen vanaf 1945 binnen de RKK in Nederland. Opdrachtgevers van beide onderzoeken waren de Bisschoppenconferentie en Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR).

Onderzoeksvragen en -bronnen

Het vervolgonderzoek kende in aanvulling op het eerdere onderzoek enkele hoofddoelen:

  • Nader inzicht bieden in de aard, ernst, omstandigheden en impact van, evenals in de verantwoordelijkheden voor seksueel misbruik en (excessief) fysiek en psychisch geweld jegens minderjarige vrouwen binnen de Rooms-Katholieke Kerk;
  • Het begrip excessief geweld definiëren en inzicht bieden in de mogelijkheden van het verkrijgen van bewijsmateriaal over dit geweld in het kader van verruiming van de regeling voor klachten en compensatie.

Het eindrapport van dit vervolgonderzoek bevat een kwalitatieve beschrijving van ervaringen met misbruik en geweld zoals slachtoffers rapporteren, een aanvullende internationale literatuurstudie naar fysiek en psychisch geweld tegen minderjarige vrouwen in afhankelijkheidsrelaties binnen de RKK, een verslag van diepgaand archiefonderzoek, evenals enkele wetenschappelijke essays en achtergrondonderzoeken van de hand van onafhankelijke deskundigen over relevante thema’s.

De onderzoeksorganisatie voerde tientallen gesprekken met slachtoffers, vertegenwoordigers van lotgenoten(groepen), deskundigen, plegers, (deels voormalige) gezagsdragers en personen die in hun hoedanigheid betrokken zijn of waren bij de vraagstukken van dit onderzoek. Ook belegde de onderzoeksorganisatie op 10 september 2012 een besloten bijeenkomst voor degenen die zich als slachtoffer meldden.

Voor het vervolgonderzoek ontving de organisatie een (beperkt) aantal van 181 nieuwe meldingen van seksueel misbruik van minderjarige slachtoffers, al dan niet in combinatie met geweld. Hiervan bleken 79 meldingen bruikbaar voor het vervolgonderzoek. Bij het vervolgonderzoek betrok de organisatie ook 71 meldingen van fysiek en/of psychisch geweld tegen minderjarige vrouwen en mannen uit het vorige onderzoek.

Enkele bevindingen inzake seksueel misbruik

  • De bevindingen van het vervolgonderzoek naar seksueel misbruik van minderjarige vrouwen wijken kwantitatief in hoofdzaak niet af van de bevindingen van het eerdere commissieonderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen (jongens en meisjes) in de RKK. Volgens de commissie ging het om tien- tot twintigduizend slachtoffers in internaten en instellingen en in totaal enkele tienduizenden slachtoffers in de periode 1945 tot 2010.
  • Nieuwe en eerdere meldingen vertonen op belangrijke onderdelen overeenkomsten.
  • Bij ruim veertig procent van de onderzochte meldingen van seksueel misbruik van minderjarige vrouwen is sprake van ernstig seksueel misbruik.
  • Misbruik van minderjarige vrouwen kwam blijkens de meldingen veel vaker thuis (veertig procent) en in de parochie (ruim dertig procent) voor. Seksueel misbruik van jongens kwam veel vaker in instellingen voor.
  • Waar sprake is van seksueel misbruik in de lichte ernstcategorie noemen de meldingen mannelijke en vrouwelijke plegers werkzaam binnen de RKK. Bij zwaardere ernstcategorieën van seksueel misbruik gaat het in hoofdzaak om mannelijke plegers.
  • Seksueel misbruik ging in de helft van de gevallen gepaard met fysiek en/of psychisch geweld.
  • Het vraagstuk van seksueel misbruik was reeds in de jaren zestig bespreekbaar gemaakt binnen de kloostergemeenschappen, in cursussen, tijdens bijeenkomsten en studiedagen op diverse niveaus. Hierbij bleef de context volledig beperkt tot de kloostergemeenschap zelf en de relaties tussen zusters onderling.

Enkele bevindingen inzake fysiek en psychisch geweld, omgeving en omgang

  • De nieuwe en eerdere meldingen maken, al dan niet in combinatie met seksueel misbruik, in de meeste gevallen gewag van een combinatie van fysiek en psychisch geweld. De aard van de geweldshandelingen komt eveneens in hoge mate overeen. Dat geldt ook voor de frequentie en duur van het geweld, namelijk herhaald en langer dan een jaar.
  • Het merendeel van de vrouwelijke slachtoffers was tussen de 6 en 14 jaar toen het seksueel misbruik en/of geweld begon. De meeste evaringen vonden plaats in de jaren vijftig en zestig.
  • Vond het seksueel misbruik van meisjes vooral thuis en in de parochie plaats, geweld tegen minderjarige vrouwen lijkt vooral te zijn gepleegd in instellingen zoals kindertehuizen en ziekenhuizen.
  • Bij fysiek en psychisch geweld (zonder dat sprake is van seksueel misbruik) wijzen de nieuwe en eerdere meldingen veelal vrouwelijke plegers aan, vooral vrouwelijke religieuzen die als onderwijzeres of verzorgster werkzaam waren.
  • In ongeveer de helft van de gevallen is het misbruik en/of geweld eerder ergens gemeld, maar vaak ook pas na jaren.
  • Diepgaand archiefonderzoek, onder andere in die van tien zustercongregaties, biedt geen directe aanwijzingen van geweld en geweldsincidenten. De onderzoeksorganisatie trof geen vastlegging aan van zulke incidenten.
  • Uit de onderzochte archieven rijst het beeld op van een omgang van zusters met meisjes en zusters onderling in een kille en koele omgeving van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig.
  • De jaren zestig maakten met behulp van schoolconferenties onder deskundige (bege)leiding de weg vrij voor een omslag in de omgang. Die sloot meer aan bij nieuwe inzichten en inmiddels gangbare ontwikkelingen in de onderwijswereld.

Enkele bevindingen inzake afstandsbaby’s

  • De problematiek van de afstandsbaby's in relatie tot de RKK blijkt lastig te onderzoeken, bij gebrek aan concrete of feitelijk onderzoekbare meldingen. Ook de literatuur biedt weinig tot geen inzicht in de problematiek van afstandsbaby's als gevolg van seksueel misbruik van minderjarige vrouwen in relatie tot de RKK. Dit geldt overigens ook voor situaties daarbuiten.
  • Ondanks deze beperkingen stelt het eindrapport van het vervolgonderzoek vast dat het vroegtijdig afstand doen van baby's door hun ongehuwde moeders in de decennia rond de Tweede Wereldoorlog in alle gezindten voorkwam. Verzuilde instellingen op het gebied van moederschapszorg ijverden vanaf de jaren twintig tot de jaren zestig gezamenlijk vóór het samenbrengen van moeder en kind en tegen het vroegtijdig afstand doen van het kind. Katholieke geestelijken (pastoors en ordesgeestelijken) bemiddelden juist vaker vóór een vroege afstand.

Bevinding inzake strafbare feiten

De afspraken die de onderzoekscommissie eerder maakte met het College van procureurs-generaal waren in het vervolgonderzoek onverminderd van kracht: toetsing van mogelijk strafbare en niet verjaarde feiten . De onderzoeksorganisatie trof dergelijke feiten niet aan. Wel legde ze drie verjaarde gevallen ter toetsing voor aan het openbaar ministerie wegens de ernst van de gemelde mishandeling.
Ook het vervolgonderzoek was overigens geen justitieel onderzoek naar individuele gevallen. Dit eindrapport doet dus evenmin uitspraken over wat zich in een specifiek geval wel of niet voordeed en/of wat hiervan waar is.

Zie verder ook ‘persbericht C.bijlage’ voor: (aanpak) archiefonderzoek, afstandsbaby’s, (nadere analyse) meldingen, aanloop en duur vervolgonderzoek, onderzoeksbronnen.

Uitzonderlijke gevallen
Op basis van het vervolgonderzoek kan de conclusie zijn dat het binnen de actieve vrouwelijke congregaties ging om ‘enkele uitzonderlijke gevallen van seksueel misbruik, niet om structurele misstanden. Als seksueel misbruik van minderjarigen binnen de vrouwelijke congregaties een ernstig en frequent verschijnsel zou zijn geweest, lijkt het aannemelijk dat dit direct of indirect binnen de SNVR (Stichting Nederlandse Vrouwelijke Religieuzen) ter sprake zou zijn gebracht’, aldus het eindrapport. Het eindrapport betwijfelt ‘of dat ook geldt voor het gebruik van fysiek en psychisch geweld tegenover bekeerlingen en pupillen. Fysiek geweld werd meestal door de regels en gebruiken verboden, maar was - ook buiten de kloosters - binnen zekere grenzen geaccepteerd’. Het eindrapport sluit fysiek en psychisch geweld dan ook niet uit.

Aannemelijkheid van ondervonden geweld
Zoals eerder aangegeven bleek het lastig een scherp afgebakende definitie te formuleren voor (excessief) geweld. Toch is het noodzakelijk dit soort geweldsklachten goed en voortvarend te behandelen, meent Deetman. Niettemin is het ook moeilijk om in een korte procedure het geweld en de schadelijke gevolgen ervan nauwkeurig te kwalificeren en te kwantificeren. Wel biedt dit vervolgonderzoek beschrijvingen die behulpzaam zijn bij behandeling van klachten wegens fysiek en psychisch geweld. Ook gelet op het beperkte aantal meldingen van uitsluitend fysiek en/of psychisch geweld verloopt de behandeling ervan volgens Deetman beter op basis van een toegesneden aanpak. Zoals eerder besproken in overleg met minister van Veiligheid & Justitie mr I.W. (Ivo) Opstelten krijgt Deetman de vorm te geven regeling voor deze aanpak voorgelegd.

Bij de aanbevolen benadering gaat het in hoofdzaak om de aannemelijkheid van het ondervonden geweld, niet zozeer om harde bewijsbaarheid in strafrechtelijke zin. Deze aanpak merkt bij geweldsklachten iedere melder aan als slachtoffer indien het ervaren geweld valt binnen de begrenzing van de beschrijving in het eindrapport van het vervolgonderzoek. Dit betekent dat er voorafgaand aan (herstel)bemiddeling geen waarheidsvinding nodig is om de validiteit van de klacht vast te stellen. Als de klacht alleen over geweld gaat vult herstelbemiddeling de bestaande klachten- en compensatieprocedure aan.

Met deze speciale procedure geeft het eindrapport antwoord op de onderzoeksvraag: Op welke wijze kan de klachten- en compensatieprocedure van de Stichting (Beheer en Toezicht) worden uitgebreid ten behoeve van de behandeling van klachten van fysiek en psychisch geweld, met inachtneming van de mogelijkheden en onmogelijkheden van bewijsmateriaal?

Financiële compensatie
Deetman beveelt voor de herstelbemiddeling een afzonderlijke procedure aan die onder toezicht staat van de voorzitter van de huidige klachtencommissie en die buiten de verantwoordelijkheid valt van de Stichting Beheer en Toezicht. Deze aanpak wil het vooral mogelijk maken om slachtoffers officieel te erkennen en hun genoegdoening te bieden. De hoogte van de financiële compensatie hangt volgens dit advies af van wat in de bemiddelingssessies ter sprake komt, gerelateerd aan het gemiddelde van de compensatiebedragen die de Compensatiecommissie tot nu toe toekende.

Herstelbemiddeling sluit aan op de benadering die eerder is ingezet bij seksueel misbruik van minderjarigen binnen de RKK in het buitenland en in Nederland. Het eindrapport verwijst in het bijzonder naar de congregatie van de Salesianen, de Broeders van Maastricht en de broeders van Liefde. Slachtoffers ervaren de door deze congregaties toegepaste (herstel)bemiddeling overwegend positief.

Jaarlijkse monitoring
De voormalige commissie Deetman betrekt de bevindingen, conclusies en aanbevelingen van het vervolgonderzoek bij haar periodieke monitoring. De opdrachtgevers zegden toe de aanbevelingen van de commissie onverkort over te nemen. De commissie monitort jaarlijks de voortgang van de uitvoering van deze aanbevelingen, vooral ook om opstelling en beleid van de RKK en de Stichting Beheer en Toezicht jegens slachtoffers verder te verbeteren en om gevallen van misbruik en geweld in de toekomst tegen te gaan. De eerste monitorrapportage verscheen op 28 september 2012, de tweede volgt in de tweede helft van dit jaar.

Download hier het volledige onderzoek (PDF)

Download hier het persbericht (Word)
Download hier het persbericht (PDF)

Download hier de bijlage bij het persbericht (Word)
Download hier de bijlage bij het persbericht (PDF)

Download the press release (Word)
Pownload the press release (PDF)

Download the appendix to the press release (Word)
Download the appendix to the press release (PDF)

Accountantsverklaring

Download hier de accountantsverklaring voor de periode 1 juli 2012 tot 1 maart 2012. (PDF)

10/18/12

Reactie op artikel in Elsevier

Op 16 december jongstleden publiceerde de voormalige commissie van onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk haar eindrapport.

Zij rondde daarmee haar werkzaamheden af en hield op te bestaan. Elsevier bericht deze week over dit eindrapport onder de kop ‘Na de grote woorden’. De voormalige commissie Deetman neemt afstand van dit artikel.

De stelling van Elsevier en de door haar geraadpleegde deskundigen als zou de commissie haar onderzoek hebben toegeschreven in de richting van een conclusie die slachtoffers zou behagen, is onjuist. Vast staat dat:

  • de commissieleden hun onderzoek niet zijn begonnen met uitgesproken opvattingen over aard en omvang het seksueel misbruik binnen de RK.
  • de commissie verschillende wegen heeft bewandeld om tot haar conclusies te komen: onderzoek onder de algehele bevolking via een uitgebreide landelijke survey en een schriftelijk vragenlijstonderzoek, onderzoek naar de meldingen van slachtoffers, archief-onderzoek, literatuurstudies en vele gesprekken.
  • de commissie daarbij een reeks van methodologische voorzorgsmaatregelen in acht heeft genomen.
  • de commissie haar conclusies heeft getoetst aan de opvattingen en expertise van onafhankelijke terzake kundigen.
  • de commissie haar bevindingen gepresenteerd heeft met inachtneming van alle mogelijke nuances.

Eerder deze week al liet de voormalige commissie Deetman Elsevier weten:
'De Onderzoekscommissie zag zich bij het vaststellen van de vraag naar de omvang en aard van seksueel misbruik van minderjarigen binnen de Rooms-Katholieke Kerk geconfronteerd met enkele lastige problemen. Deze betroffen in de eerste plaats de vraag wat onder seksueel misbruik moet worden verstaan. De door de commissie gehanteerde definitie vindt u in de verantwoording, maar onzeker is of de respondenten van de TNS NIPO survey deze begrenzingen als uitgangspunt voor hun beantwoording hebben gekozen. De Onderzoekscommissie maakte bovendien onderscheid tussen misbruik binnen instellingen (internaten etc) en niet-instellingen. Een dergelijk onderscheid is van belang omdat de Rooms-Katholieke Kerk in een scala van situaties te maken had met de omgang met minderjarigen in onderwijs, opvoeding, vrijetijdsbesteding, pastorale zorg etc.
Deze onzekerheden heeft de Onderzoekscommissie gepoogd te ondervangen door een aantal slachtoffers de door haar opgestelde oorspronkelijke vragenlijst te laten invullen. Dat is in twee sessies gebeurd om zo optimaal gebruik te kunnen maken van hun commentaar op en vragen over eventuele onduidelijkheden in de vraagstelling.
TNS NIPO heeft (zie het roze boekje) de door haar gehanteerde aanpak verantwoord. Met deze verantwoording was het mogelijk om te berekenen hoeveel minderjarigen te maken gehad met seksueel misbruik (conform de definitie van de Onderzoekscommissie) in instellingen en in het algemeen. Om over adequate checks & balances te beschikken heeft de Onderzoekscommissie de aan de hand van deze verantwoording uitgevoerde berekening niet zelf uitgevoerd, maar hiervoor de directeur van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) gevraagd. Uit deze berekening kwam een exact cijfer. Gelet op de hierboven beschreven onzekerheden betwijfelde de Onderzoekscommissie of het noemen van dit exacte cijfer verantwoord was. De Onderzoekscommissie heeft ervoor gekozen een zekere bandbreedte te kiezen (tien- tot twintigduizend in instellingen, enkele tienduizenden in zijn algemeenheid). Deze aanpak heeft zij voor een 'second opinion' voorgelegd aan twee gerenommeerde deskundigen, professor Van der Heijden en professor Bijleveld. Zij heeft zich ook laten adviseren door professor dr. J.H. Smit en dr. A. Hoogendoorn van het Vu Medisch Centrum. Alle bevindingen zijn voorgelegd aan de klankbordgroep van de Onderzoekscommissie. Alle commentaren zijn verwerkt en verantwoord in de eindrapportage (zie blz. 550 en verder) en op de website van de Onderzoekscommissie. Met zoveel checks & balances is uw stelling lastig te begrijpen dat de Onderzoekscommissie naar een bepaalde conclusie heeft willen toeschrijven'.

Ook wees de commissie Elsevier op de inleiding van de heer Deetman bij de presentatie van het eindrapport, medio december 2011, waarin hij over de hardheid van de cijfers zei: 'De commissie heeft de grootst mogelijke zorgvuldigheid betracht. Daarom is veel werk gestoken in de methodologische verantwoording van het onderzoek en in betrokkenheid van deskundigen en controles door derden'. Ten behoeve van de wetenschappelijke waarborg van het onderzoek is een klankbordgroep betrokken geweest, bestaande uit vooraanstaand wetenschappers.
Geraadpleegde bronnen zijn open en toegankelijk en gepubliceerd op de website.
Het survey was het meest delicate onderdeel van het onderzoek: gevraagd werd naar ervaringen in het verleden, die verschillende emoties oproepen. Daarbij is bevraagd op een manier die gepaard gaat met onzekerheden en onbetrouwbaarheden. Een voorbeeld: over wat men verstaat onder seksueel misbruik bestaan in wetenschappelijke kring verschillende definities. En ook slachtoffers beschrijven dit op verschillende manieren. Daarom ben je in onderzoek kwetsbaar in een survey en is er een grote mate van onbetrouwbaarheid. De commissie heeft daarop een gerenommeerd onderzoeksbureau ingeschakeld, TNS NIPO. Stap voor stap zijn in het onderzoek representativiteitscontroles uitgevoerd en hier en daar is nadrukkelijk gecorrigeerd in het kader van een consistente beantwoording van vragen. Dit om de betrouwbaarheid zo groot mogelijk te krijgen. Het survey kende een hoge respons. Desalniettemin zijn er behoorlijke onzekerheidsmarges. De commissie heeft geaarzeld of ze wel aantallen zou noemen, maar heeft dat in het licht van de onderzoeksopdracht wel gedaan. Ze heeft daarover getwijfeld omdat men later met de getallen aan de haal zou kunnen gaan, zonder deze in een juist daglicht te plaatsen en te interpreteren.
De commissie heeft aan twee externe deskundigen gevraagd een oordeel te geven (de second opinion). Daarop heeft de commissie gereageerd. (Deze stukken zaten in de persmap.) De externe deskundige gaven een helder oordeel over de conclusies van het survey. Deze aanpak was nodig omdat hoe de commissie het onderzoek heeft aangepakt, nog niet eerder zo gedaan was. Al het statistisch materiaal is gepubliceerd, openheid en controle zijn verzekerd'.

Download hier de reactie in pdf
Download hier de reactie in word

Eenmalige nieuwsbrief inzake steunbewijs

Oktober 2012

Hierbij ontvangt u een eenmalige nieuwsbrief van de voormalige Onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen binnen de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland in de periode 1945 tot heden.

De voormalige Onderzoekscommissie presenteerde op 16 december 2011 haar eindrapport. Zij rondde daarmee haar werkzaamheden af en hield op te bestaan. In het eindrapport deed de voormalige Onderzoekscommissie een aantal aanbevelingen, onder meer in het kader van de hulpverlening en genoegdoening aan slachtoffers. Zij zegde toe periodiek de uitvoering van de aanbevelingen door de bestuurlijk verantwoordelijken te zullen monitoren.

Monitorrapportage
Op 28 september jl. publiceerde de voormalige Onderzoekscommissie haar eerste monitorrapportage op de website www.onderzoekrk.nl. De rapportage richt zich op het functioneren van de onafhankelijke Stichting Beheer & Toezicht inzake seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland alsmede de opstelling en medewerking van de Rooms-Katholieke Kerk daarbij.

Klachtenprocedures
De voormalige Onderzoekscommissie constateert in haar monitorrapportage een forse stijging van het aantal klachten dat door slachtoffers is ingediend bij de Klachtencommissie van de Stichting Beheer & Toezicht. Cruciaal in een klachtenprocedure jegens een pleger is steunbewijs, zoals meldingen van medeslachtoffers.

De voorzitter van de Klachtencommissie en de voormalige Onderzoekscommissie maakten de afspraak dat in lopende klachtenprocedures de Klachtencommissie kan vragen of er meerdere meldingen zijn over de aangeklaagde. Deze vraag wordt door de voormalige Onderzoekscommissie uitsluitend met ja of neen beantwoord. In verband met vertrouwelijkheid verstrekt zij nimmer nadere informatie over de meerdere meldingen of namen van medeslachtoffers aan derden.

Uw medewerking bij steunbewijs
In een aantal gevallen is echter nadere informatie over meldingen van medeslachtoffers wenselijk teneinde te komen tot voldoende steunbewijs. Die nadere informatie wordt door de voormalige Onderzoekscommissie thans niet verstrekt. In de eerste plaats omwille van de privacy van melders en de vertrouwelijkheid waarmee zij zich indertijd hebben gemeld. In de tweede plaats omdat meldingen op eigen initiatief en naar eigen inzicht zijn gedaan door slachtoffers en niet per definitie die informatie bevatten, die als steunbewijs kan fungeren.

Uitsluitend in het belang van uw medeslachtoffers doe ik derhalve mede namens de voorzitter van de Klachtencommissie mr. G.A.M. Stevens thans aan u het verzoek om, indien u wenst mee te werken aan klachtenprocedures van mede- slachtoffers, u te melden bij de Klachtencommissie. Natuurlijk hoeft u dat niet (nog eens) te doen als u zich al eerder bij het Meldpunt of de Klachtencommissie hebt gemeld.

U kunt daartoe contact opnemen per email (secretariaat@meldpuntmisbruikrkk.nl) of telefonisch (030-2306900). U krijgt dan een formulier toegestuurd waarop u de benodigde informatie kunt invullen. De informatie wordt door de Klachtencommissie vertrouwelijk opgenomen in een registratiebestand en uitsluitend benut ten behoeve van steunbewijs.

De voormalige Onderzoekscommissie en de Klachtencommissie realiseren zich dat dit verzoek om uw medewerking te verlenen en uw pijnlijke en emotionele ervaringen wederom te delen, belastend kan zijn. U bent uiteraard vrij al dan niet aan het verzoek gehoor te geven. Beide commissies zien het echter als hun morele plicht jegens slachtoffers dit grote beroep te doen op uw bereidheid om uw steun te verlenen aan medeslachtoffers. Zij vertrouwen op uw begrip hiervoor.

Ondersteuning
Indien u naar aanleiding van dit verzoek behoefte hebt aan hulpverlening of contact met lotgenoten, kunt u contact opnemen met Slachtofferhulp Nederland (telefoonnummer 0900-9999001), de Koepel Landelijk Overleg Kerkelijk Kindermisbruik (www.klokk.nl) of het Meldpunt Misbruik RKK
(www.meldpuntmisbruikrkk.nl).

Met vriendelijke groet,
drs. W.J. Deetman

RKK goed op weg maar tijd dringt en opstelling aantal ordes schiet tekort

Monitorrapportage voormalige commissie Deetman


DEN HAAG – 28 september 2012 – De Rooms-Katholieke Kerk (RKK) maakt werk van en is ook goed op weg met de uitvoering van de aanbevelingen van de voormalige onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK. Het tempo waarin dit gebeurt verschilt. Toon en inhoud van de gesprekken tussen slachtoffers en vooral een aantal ordes en congregaties zijn dikwijls onvoldoende open en tegemoetkomend, soms eerder confronterend. Het jaar 2013 wordt cruciaal voor de behandeling van klachten van en genoegdoening aan misbruikslachtoffers. Dit stelt de (voormalige) commissie onder voorzitterschap van drs. W.J. (Wim) Deetman vast in haar eerste periodieke (monitor)rapportage.

Met deze periodieke monitor volgt en beoordeelt de commissie de uitvoering van haar aanbevelingen door de verantwoordelijke bestuurders. Deze aanbevelingen maken deel uit van haar eindrapport dat de commissie in december 2011 publiceerde. De monitor richt zich op de aanbevelingen die in hoofdzaak het functioneren van de onafhankelijke Stichting Beheer & Toezicht betreffen. Ook betrekt de commissie in deze rapportage de opstelling en inzet van de RKK bij erkenning van het seksueel misbruik, hulp en genoegdoening aan en nazorg van slachtoffers, als ook bij het tegengaan van dit misbruik.

De commissie baseert zich bij de monitorrapportage onder andere op verantwoordingen van de Rooms-Katholieke Bischoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR), verslagen van de Stichting Beheer & Toezicht en de koepelorganisatie van lotgenotengroepen KLOKK, gesprekken met andere betrokken geledingen en individuele signalen.

Met haar onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek bracht de commissie aard, omvang en omstandigheden van, als ook de verantwoordelijkheden voor seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK in Nederland in beeld, evenals de gevolgen hiervan voor slachtoffers en hun omgeving. Dit onderzoek in opdracht van de RK bisschoppenconferentie en de KNR ging in augustus 2010 officieel van start.

2013
In 2013 moet volgens de commissie in elk geval over de meeste tot nu toe ingediende klachten een uitspraak zijn gedaan die recht doet aan wat de klagers naar voren brachten. De commissie realiseert zich dat dit veel vergt van Meldpunt en Compensatiecommissie. Voor dit doel adviseert de commissie een extra inspanning vanuit de Stichting Beheer en Toezicht en ook een adequate betrokkenheid van de vertegenwoordiging van slachtoffers bij het functioneren van het Meldpunt.

De commissie hecht belang aan het functioneren van Meldpunt, Compensatiecommissie en Klachtencommissie, evenals aan de regelmatige en constructieve contacten die beide commissies onderhouden met KLOKK. Ook benadrukt de commissie het belang van de geboekte vooruitgang bij totstandkoming van een ‘loket’ voor slachtoffers die zich eerder bij de commissie-Samson en haar meldden: ‘Hiermee zijn de drie pijlers van het nieuwe Meldpunt inzake Seksueel Misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk in bedrijf’, aldus de commissie.

Bij overname van uitspraken van de Klachtencommissie en het invulling geven aan uitspraken jegens klagers geldt het inmiddels grondig herziene en verbeterde juridische kader. Maar, signaleert de onderzoekscommissie: ‘De menselijke maat moet ook meewegen en dat vraagt om een opstelling die veel verder reikt dan het stipt volgen van juridische procedures’.

Positief is de commissie ook over het functioneren van de Contactgroep, opgericht naar aanleiding van één van haar aanbevelingen. De Contactgroep die als aanspreekpunt dient voor slachtoffers, moet in voorkomende gevallen oplossingen bieden voor knelpunten in de behandeling van klachten. Medewerking van ordes en congregaties van de KNR aan deze Contactgroep verdient verbetering, meent de commissie.

Zonder gebakkelei

Bepaald minder positief is de commissie over de toon en inhoud van gesprekken tussen de RKK en misbruikslachtoffers. Ze neemt vooral bij een aantal ordes en congregaties een soms confronterende houding waar, terwijl ‘het tegendeel, een open en tegemoetkomende houding, eerder vanzelfsprekend hoort te zijn’. De commissie geeft hierbij aan dat ze vanaf het begin van haar onderzoek in de benadering van slachtoffers een merkbaar verschil waarnam tussen bisdommen en een aantal ordes en congregaties, goede voorbeelden daargelaten. ‘De noodzakelijk gebleken inhaalslag is te weinig en verloopt veel te moeizaam.’

Ook constateert de commissie dat slachtoffers in de bisdommen beter en makkelijker toegang hebben tot contact, afhandeling, genoegdoening en nazorg dan bij ordes en congregraties, al dan niet verenigd in de KNR. De commissie roept de betreffende ordes en congregaties via de KNR op hun ‘verdeelde en gefragmenteerde aanpak van de oplossing van het leed van zo velen in te ruilen voor een op solidariteit en voortvarendheid berustende oplossing van de klachten en meldingen’.

De commissie vervolgt: ‘Zo’n voortvarende en aansprekende aanpak is nodig om de problemen ter zake het seksueel misbruik en de nasleep daarvan op te lossen. Dat moet zonder reserve en gebakkelei over aansprakelijkheid en juridische neteligheden worden geregeld. Binnen het raamwerk van de Stichting Beheer & Toezicht of langs andere, meer pragmatische wegen, zoals mediation’.

Taskforce Kindermishandeling en seksueel misbruik, advies KNAW over rol psychiatrie
Aan enkele andere aanbevelingen van de onderzoekscommissie gaf de regering gevolg. Minister van Veiligheid & Justitie mr I.W. (Ivo) Opstelten stelde de zogeheten Taskforce Kindermishandeling en seksueel misbruik in. De taskforce staat onder voorzitterschap van de Amsterdamse burgemeester mr E.E. (Eberhard) van der Laan. Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) drs M.L.L.E. (Marlies) Veldhuijzen van Zanten-Hyllner vroeg president prof. dr J.C. (Hans) Clevers van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) haar te adviseren over de samenstelling van een groep wetenschappers voor een onderzoek naar de rol van de psychiatrie. De instelling van deze groep is op korte termijn voorzien.

Download het persbericht (word)

Download het persbericht (PDF)

Naar boven

Voormalige commissie Deetman noemt uitkomsten feitelijk onderzoek openbaar ministerie indringend

Inzake aantal sterfgevallen in toenmalige RK-instelling te Heel

DEN HAAG – 28 juni 2012 - De voormalige onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) noemt de uitkomsten van het feitenonderzoek naar ‘Heel’ door het openbaar ministerie (OM) indringend. Bij haar archiefonderzoek trof de commissie vorig jaar informatie aan over een aanzienlijk hoger aantal sterfgevallen dan in andere jaren in de toenmalige RK psychiatrische inrichting Sint Joseph te Heel. Het OM beschouwt het nu ‘als meer dan waarschijnlijk dat het overlijden van een of meer jongens’ in deze inrichting ‘het gevolg kan zijn geweest van een misdrijf en minder waarschijnlijk dat er sprake is geweest van een natuurlijke dood’.

Bij de informatie die de onderzoekscommissie onder voorzitterschap van drs. W.J. (Wim) Deetman aantrof, ging het om een aantal sterfgevallen van minderjarigen dat in een bepaalde periode in de eerste helft van de jaren vijftig boven het jaarlijkse gemiddelde lag. Dit aantal riep vragen op bij de commissie over de oorzaak van het overlijden. Zij maakte hiervan melding in haar eindrapport dat ze medio december vorig jaar presenteerde.

Voor nader onderzoek buiten de competentie van de commissie bracht Deetman op 23 mei 2011 het OM op de hoogte van deze informatie. Op 31 mei droeg de commissie de betreffende documenten na een korte toelichting aan het OM over. De commissie lichtte over deze informatie tevens het bisdom Roermond in dat van zijn kant ook aangaf te hechten aan overdracht van de informatie aan het OM. Dat stelde na ontvangst van de informatie een uitvoerig feitenonderzoek in. De commissie stelt nu met onthutsing vast dat een aantal van de vermoedens die aanleiding waren om de documenten over te dragen aan het OM terecht is gebleken.

 

 

Persbericht 8, 16 augustus 2011

Openbaar ministerie stelt feitenonderzoek in

Commissie Deetman stuit op aantal sterfgevallen in

toenmalige RK-instelling te Heel dat vragen oproept

DEN HAAG, 16 augustus 2011 - De onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) trof in haar archiefonderzoek informatie aan over een aanzienlijk hoger aantal sterfgevallen dan in andere jaren in de toenmalige RK psychiatrische inrichting Sint Joseph te Heel. Zoals eerder bericht voert de commissie onder andere onderzoek uit naar archieven van bisdommen, ordes en congregaties.

Bij de genoemde informatie gaat het om een aantal sterfgevallen van minderjarigen dat in een bepaalde periode in de jaren 1952, 1953 en 1954 boven het jaarlijkse gemiddelde lag. Tegen het eind van de jaren vijftig was informatie hierover zowel bekend bij het betrokken bisdom Roermond als bij de arbeidsinspectie, het toenmalige Katholieke verbond van de kinderbescherming en vermoedelijk een inspecteur van de volksgezondheid.

Relevante informatie betrekt de commissie uiteraard bij haar rapportage die ze tegen het eind van dit jaar hoopt te presenteren. Voor nader onderzoek dat buiten de competentie van de commissie valt informeerde haar voorzitter, drs. W.J. (Wim) Deetman, het openbaar ministerie (OM) op 23 mei 2011 over deze informatie. Op 31 mei droeg de commissie de betreffende documenten na een korte toelichting over aan het OM. Dat stelde hierop een feitenonderzoek in. Hangende dit onderzoek doet de commissie hierover geen verdere mededelingen. De commissie lichtte over deze informatie tevens het bisdom Roermond in dat van zijn kant ook aangaf te hechten aan overdracht van de informatie aan het OM.

Met haar onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek brengt de commissie aard, omvang en omstandigheden van, als ook de verantwoordelijkheden voor seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK in Nederland in beeld, evenals de gevolgen hiervan voor slachtoffers en hun omgeving. Naast een analyse van de meldingen van seksueel misbruik en/of fysiek geweld en van de verklaringen van plegers voorziet het onderzoek in opdracht van de RKK bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) onder andere in enquêtes (survey), diepte-interviews, casestudies, een studie naar de internationale literatuur en het archiefonderzoek. Eerder bracht de commissie het openbaar ministerie op de hoogte van negen bij de commissie binnengekomen meldingen van seksueel misbruik waarvan het mogelijk is dat de strafbare feiten niet zijn verjaard.

Download het persbericht (word)

Download het persbericht (PDF)

Download the press release (word)

Download the press release (PDF)

Onderzoek seksueel misbruik van minderjarigen binnen de Rooms Katholieke Kerk

Van medio 2010 tot 16 december 2011 deed een onderzoekscommissie onder leiding van drs. W.J. Deetman onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen binnen de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland in de periode 1945 tot 2010. Informatie over dit onderzoek, de onderzoekscommissie en de monitoring van de aanbevelingen naar aanleiding van dit onderzoek treft u bij Eerste onderzoek.

In februari 2012 startte een tweede onderzoek onder leiding van drs. W.J. Deetman, specifiek naar seksueel misbruik van alsook fysiek en psychisch geweld jegens minderjarige vrouwen binnen de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland in de periode 1945 tot 2012. Informatie over dit onderzoek treft u bij Tweede onderzoek

Actueel: Oproep aan vrouwelijke slachtoffers om seksueel misbruik en geweld te melden

DEN HAAG, 22 mei 2012 – Vrouwelijke slachtoffers tegen wie als minderjarige seksueel misbruik en geweld is gepleegd binnen de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) kunnen hun ervaringen melden voor het onderzoek dat hiernaar in voorbereiding is. Dit onderzoek staat onder leiding van drs. W.J. (Wim) Deetman. De (vrouwelijke) slachtoffers kunnen hun informatie tot 1 juli 2012 melden via het e-mailadres: reactie@onderzoekrk.nl

Tweede onderzoek

Deetman toonde zich eerder bereid om in opdracht van de RKK leiding te geven aan een tweede onderzoek. Dit onfhankelijk wetenschappelijk onderzoek spitst zich toe op seksueel misbruik van alsook op fysiek en psychisch geweld tegen minderjarige vrouwen binnen de RKK in Nederland tussen 1945 en nu. Eerder deed Deetman onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarige mannen en vrouwen binnen de RKK. De Bisschoppenconferentie en Konferentie Nederlandse Religieuzen zegden onverkort hun medewerking toe aan dit tweede onderzoek.

Meldingen van vrouwelijke slachtoffers zullen een belangrijk onderdeel uitmaken van het onderzoek, om te komen tot een algemeen beeld en nadere analyse van deze problematiek van misbruik en geweld. Het onderzoek is uitdrukkelijk geen strafrechtelijk onderzoek naar individuele gevallen.

De komende weken hebben voorbereidende onderzoekswerkzaamheden plaats. Na afronding hiervan volgt publicatie van de onderzoeksaanpak op de website www.onderzoekrk.nl.

Ondersteuning slachtoffers

Voor hulpverlening en ondersteuning is Slachtofferhulp Nederland bereikbaar op telefoonnummer: 0900-9999001. De Koepel Landelijk Overleg Kerkelijk Kindermisbruik is de instantie voor contact met lotgenoten (www.klokk.nl). Voor officiële klachten, genoegdoening en hulpverlening is het Meldpunt Misbruik RKK ingesteld (www.meldpuntmisbruikrkk.nl)

Naar boven

Algemeen contact

Commissie onderzoek naar seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk
Postbus 556
2501 CN Den Haag
E: reactie@onderzoekrk.nl

Voor persinformatie
Gert Jan Verhoog
T 06 – 52 53 98 97  
E g.j.verhoog@gmail.com

Overige informatie

Voor informatie, advies, begeleiding of hulpverlening inzake seksueel misbruik binnen de Rooms-Katholieke Kerk  

Hulplijn Seksueel Misbruik
T 0900-9999001
E contact@hulplijnseksueelmisbruik.nl
W www.hulplijnseksueelmisbruik.nl

Meldpunt Seksueel Misbruik RKK
T 030-2306900
E secretariaat@meldpuntmisbruikrkk.nl
W www.meldpuntmisbruikrkk.nl

KLOKK - Koepel Landelijk Overleg Kerkelijk Kindermisbruik
W www.klokk.nl