Tekstgrootte:  A A A

Beantwoording van de vragen van de vaste commissie van 7 november jl.

Den Haag, 11 november 2013

 

Aan de voorzitter en leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie

Per e-mail: cie.vj@tweedekamer.nl

 

Geachte voorzitter en leden van de vaste commissie,

 

Graag beantwoord ik uw brief van 7 november jl.

 

Voor de goede orde begin ik met twee algemene opmerkingen die voor de beantwoording van uw vragen van belang zijn.

 

De eerste heeft betrekking op het tweede onderzoek. In dat onderzoek is in archieven geen enkel feitelijk spoor aangetroffen van naar slachtoffers herleidbaar fysiek of psychisch geweld. Natuurlijk werd er in algemene zin over gesproken, maar als ervoor wordt gekozen om voor meldingen en klachten in dit verband een procedure in het leven te roepen analoog aan gebruikelijke klachtenprocedures dan loopt men naar mijn stellige overtuiging op tegen problemen. Er is geen bewijs, er is geen of nauwelijks steunbewijs. Terwijl we wel weten dat het nodige zich heeft afgespeeld wat als excessief fysiek en psychisch geweld moet worden gekwalificeerd. Daarbij past ook nog eens de kanttekening dat van een algemeen aanvaarde definitie geen sprake is. Dat vraagt om een procedure waarin in feite geen sprake is van bewijslast en vaststelling van de feiten. Het gaat immers om de slachtoffers en niet om ingewikkelde procedures met voor slachtoffers ongewisse uitkomsten. 

 

De tweede algemene opmerking ligt in het verlengde van de eerste. Als we van het bovenstaande uitgaan, is het dan voor de hand liggend om voor alle melders/klagers uit te gaan van een uitgebreide, tijdrovende, precieze procedure? De eerste meldingen over geweld, bij voorbeeld bij Mea Culpa United, dateren van het voorjaar van 2010. Door KLOKK wordt sterk aangedrongen op het nauwgezet volgen van termijnen in de klachten- en compensatieregelingen. De huidige regeling is doelbewust kort, maar ook flexibel gehouden. Waar nodig, kan worden aangestuurd op special mediation. Of gesprekken tussen slachtoffer en pleger/vertegenwoordiger van de (overleden) pleger.

 

De mogelijkheid van special mediation houdt de commissie nadrukkelijk open. Zij gaat er vanuit dat waar de noodzaak van special mediation aanwezig is met het betrokken slachtoffer afspraken kunnen worden gemaakt over de invulling van special mediation. Inzage in de tot nu toe bekende meldingen heeft mij geen zekerheid geboden over de inhoud en vorm van special mediation. Hierbij zijn de wensen van het slachtoffer uiteraard belangrijk. Ik heb kunnen vaststellen dat veel melders geen behoefte hebben aan een procedure met een lange doorlooptijd, maar snel en duidelijk erkenning willen krijgen voor het ondervonden leed.

Als melders zich na 1 december melden, zal gevraagd worden of zij zich bij andere instanties reeds eerder hebben gemeld. Als dat het geval is, wordt hun melding in behandeling genomen. Voor melders na 1 december die aannemelijk kunnen maken waarom ze zich niet eerder hebben gemeld geldt hetzelfde. Voor andere melders na 1 december geldt dat de commissie van geval tot geval, dus maatwerk,  beslist of ze de melding in behandeling zal nemen.

De regeling is wat de vaststelling van de feiten betreft laagdrempelig. Doorslaggevend voor de commissie is dat de melding authentiek is. Mochten op dat punt vragen leven bij de commissie, dan voorziet de procedure in een verzoek om meer informatie al dan niet in combinatie met een gesprek.

In alle drie gevallen staat de weg naar special mediation open. Alle melders wordt de gelegenheid geboden met de commissie een gesprek te voeren.

 

Anders dan de reactie van KLOKK doet vermoeden, bestaat wel degelijk de mogelijkheid van een gesprek tussen slachtoffer en pleger dan wel een vertegenwoordiger van de (overleden) pleger. Dit is geïnitieerd door KLOKK, reeds in gang gezet vanaf 6 februari jl., gecommuniceerd naar lotgenotengroepen en behoeft dus niet meer in een nieuwe regeling te worden vastgelegd.

 

Het VPKK zou – zo werd gemeld in de rondetafelconferentie - doelbewust zijn buitengesloten van voorbesprekingen over de nieuwe regeling. Ik heb me op het standpunt gesteld dat ik vanuit een onafhankelijke positie een nieuwe regeling zou voorstellen. Ik heb hierover met deskundigen en beoogde commissieleden gesproken, maar dat is in volstrekte onafhankelijkheid en vertrouwelijkheid gebeurd. Het VPKK is aangeboden om vertrouwelijk vooroverleg te voeren, maar het VPKK heeft laten weten op die basis daarvan geen gebruik te willen maken. Eerder had het VPKK laten weten de nieuwe regeling te willen afwachten. Met het bestuur van KLOKK heb ik regelmatig contact. Daarin worden op basis van vertrouwelijkheid verschillende onderwerpen, met name knelpunten in procedures en schrijnende gevallen, besproken. Naar aanleiding van de nieuwe regeling heeft Mea Culpa United laten weten graag te willen ingaan op afstemmings- en terugkoppelingsoverleg. Dit juich ik van harte toe. De commissie heeft de lotgenotengroepen laten weten dit overleg op prijs te stellen. KLOKK, VPKK en dus ook Mea Culpa United hebben laten weten hiervan gebruik te willen maken. Het eerste overleg is voorzien op 13 november om 13 uur. Het tweede begin december.

 

De nieuwe regeling is geen papieren regeling. Al eerder is besloten om slachtoffers in gesprek te laten komen met plegers en vertegenwoordigers van (overleden) plegers. Alleen al vanaf 6 februari jl betreft dit ongeveer 25 slachtoffers. Eerder (2010, 2011, 2012) heeft de commissie-Deetman al gesprekken met slachtoffers van geweld gevoerd. Deze slachtoffers hebben de verslagen van hun gesprekken geautoriseerd. Door de deelname van de heren Kalbfleisch en Kreemers aan deze nieuwe commissie is kennisoverdracht van deze vertrouwelijk gevoerde gesprekken gewaarborgd. Door de deelname van de heer Stevens ook het verband naar uitspraken van de Klachtencommissie, onder andere ook met het oog op eerder niet-ontvankelijk verklaarde klachten die eerder niet in behandeling zijn genomen en nu wel in deze commissie aanhangig zijn. Ik heb er bewust voor gekozen leden voor deze nieuwe commissie te kiezen die de meldingen, klachten, melders en klagers reeds kennen. Met het oog op een snelle afhandeling van alle klachten is het onwenselijk dat nieuwe leden een inwerkperiode en kennismakingstijd nodig zouden hebben. Alle melders die in aanmerking komen voor deze regeling krijgen het aanbod om met de commissie een gesprek te voeren.

Ik zal toezien op de uitvoering van de regeling en in mijn monitorrapportage begin volgend jaar rapporteren.

 

De in de regeling gebruikte bedragen zijn uitgangspunten. De regeling kent geen bewijslast en geen feitenvaststelling. Wie kan aantonen aanmerkelijke schade en inkomstenderving te hebben ondervonden, staat het vrij dit aan de commissie voor te leggen. De commissie zal dan alle mogelijke vormen van oplossing, zoals bemiddeling, (special) mediation, inschakelen. Hiervoor geldt ook een hardheidsclausule. Anders dan de heer Dohmen tijdens de rondetafelconferentie beweerde, is het bedrag van 5.000 euro geen maximum bedrag.

 

De hardheidsclausule houdt in dat ik op aangeven van de commissie een finaal en bindend advies over te treffen financiële genoegdoening aan de desbetreffende kerkelijke autoriteiten zal voorleggen. De gevolgen van de daad worden zodoende verdisconteerd. Een regeling die primair uitgaat van veronderstelde gevolgen vraagt om een bewijslast. Zie hiervoor hoofdstuk 7 van het eerste rapport van de commissie-Deetman. De huidige regeling biedt hiervoor wel degelijk een opening, maar waar het verband met het niet vast te stellen gebeurde niet kan worden gelegd voorziet de regeling wel in een financiële tegemoetkoming en genoegdoening.

 

De heren Kalbfleisch en Westra zouden niet gekwalificeerd zijn. De leden van de commissie zijn allemaal mannen. Ook dat is een verwijt. De heer Kalbfleisch is lid geweest van de eerste commissie Deetman en heeft in die hoedanigheid gesprekken met slachtoffers gevoerd. Hij heeft onder andere de functie van kinderrechter vervuld. Ik heb de heer Kalbfleisch als een van mijn externe deskundigen bij het vervolgonderzoek gevraagd. De heer Westra heeft onlangs in kaart gebracht waar de Rooms-Katholieke Kerk staat bij de uitvoering van de aanbevelingen van rapporten van de commissie-Deetman en het vervolgonderzoek van de heer Deetman. Hij heeft dit op verzoek van het bestuur van KLOKK, de Bisschoppenconferentie en de KNR gedaan. De heer Stevens is voorzitter van de Klachtencommissie seksueel misbruik minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk.  De ondersteuning van de commissie bestaat uit dr. H.P.M. (Bert) Kreemers), mevrouw dr. W. (Willie) Langeland en mevrouw M.E. (Mechteld) Giesen MA. Alle drie waren betrokken bij de eerdere onderzoeken van de commissie-Deetman en mij. Eventuele aanvullende expertise (bij voorbeeld voor special mediation) is voorhanden. De voltallige commissie bestaat derhalve uit vier mannen en twee vrouwen. De nieuwe regeling is zoals in de desbetreffende motie-Van der Steur is gevraagd bedoeld voor vrouwen én mannen. Voor zover nu bij de commissie bekend is, betreft ongeveer de helft van de melders en klagers uit vrouwen en de andere helft uit mannen. Deze verdeling kan uiteraard nog veranderen als alle meldingen zijn ontvangen.

 

Kortheidshalve vat ik het bovenstaande als antwoord op uw vraagpunten als volgt samen:

 

1.       Er is een hardheidsclausule

2.       De commissie bestaat louter uit mannen, maar maakt voor haar werkzaamheden gebruik van eerder voor onder andere de Onderzoekscommissie ingezet (vrouwelijke) deskundigen. Bij de vervolgstap naar ‘special mediation’ is deskundigheid voorhanden, van vrouwelijke professionals. Uit een eerste inventarisatie blijkt dat het gaat om voor de helft vrouwelijke slachtoffers, voor de andere helft mannelijke. Mijn voorstel voor de samenstelling gaat er in het belang van de slachtoffers vanuit dat de commissie bestaat uit ter zake deskundige, onafhankelijke leden.

3.       De hardheidsclausule biedt de mogelijkheid om de gevolgen te verdisconteren in de financiële tegemoetkoming. Waar de regeling geen enkele bewijslast kent, geldt dat wel voor de hardheidsclausule.

4.       De regeling voorziet zowel in gesprekken met de desbetreffende kerkelijke organisatie als de commissie. Het besluit hiertoe ligt in handen van klager/melder.

5.       Ik heb bij mijn eerdere aanbevelingen en voorstellen ervoor gekozen onafhankelijk van wie dan ook tot mijn  voorstellen te komen. Dat gold voor mijn tussenadvies over de hulpverlening, voor mijn tweede advies over hulpverlening, voor mijn eindrapport, voor mijn monitoringrapport, voor mijn tweede onderzoeksrapport en ook voor mijn voorstel voor deze regeling. Waar kritiek en suggesties aan de orde staan, is de nieuwe commissie bereid om afstemmings- en terugkoppelingsoverleg te voeren.  Het eerste overleg vindt op 14 november plaats, het tweede begin december. Alle lotgenotengroepen hebben toegezegd aan dit overleg deel te nemen.

 

Met de meeste hoogachting,

 

drs. W.J. (Wim) Deetman

 

Reactie op de uitgave van het Vrouwen Platform Kerkelijk Kindermisbruik

Den Haag, 29 oktober 2013

 

Aan de voorzitter en leden van de

Commissie voor Veiligheid en Justitie van de Tweede Kamer

Postbus 20018

2500 EA Den Haag

 

Geachte voorzitter en leden,

 

Graag reageer ik op uw verzoek dat mij op 7 oktober heeft bereikt (uw kenmerk 2013Z17597/2013D39162). U vraagt mij te reageren op een uitgave van het Vrouwen Platform Kerkelijk Kindermisbruik (VPKK), die op 11 september aan u is toegezonden.

 

Graag voldoe ik aan uw verzoek.

 

Voor een goed begrip van mijn reactie licht ik u allereerst in over het tweede onderzoek waaraan ik leiding heb gegeven. In dit verband ga ik ook in op de betrokkenheid van de huidige voorzitter van het VPKK bij dit onderzoek en de contacten die niet alleen ik, maar ook mijn medewerkers met haar hebben gehad in de aanloop naar dit tweede onderzoek en na publicatie. Ten slotte ga ik in op de 56 klachten waarover het VPKK in zijn uitgave spreekt.

 

1.      Aard en reikwijdte van het tweede onderzoek naar seksueel misbruik van en geweld tegen meisjes in de Rooms-Katholieke Kerk

 

Op 16 december 2011 is het eerste onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk gepubliceerd. Dit eerste onderzoek heeft anders dan mevrouw Knibbe stelt (bladzij 2 en 6 van haar notitie) betrekking op mannen én vrouwen. Hier is sprake van een misverstand. In het kader van het eerste onderzoek heeft de Onderzoekscommissie enkele honderden slachtoffers individueel of in groepsverband gesproken. Hieronder waren ook tientallen vrouwen. Ook – anders dan mevrouw Knibbe aangeeft – over misbruik in parochies en gezinssituaties. Zie hierover het eerste onderzoeksrapport, bladzij 200 tot en met 285, bladzij 310 tot en met 330 en bladzij 667 tot en met 685.[1]

 

Om de aard en omvang van seksueel misbruik te kunnen bepalen heeft de Onderzoekscommissie allereerst gebruik gemaakt van de meldingen die aan de Onderzoekscommissie waren gericht. Het bleek te gaan om meldingen van mannen (82,5 procent) en vrouwen (16,5 procent). Bij een aantal meldingen kon niet worden vastgesteld of sprake was van een man of een vrouw.

 

Om na te gaan of de meldingen een getrouw beeld gaven van de onderzochte problematiek is een grootscheeps onderzoek gestart met behulp van TNS Nipo. Een representatieve steekproef van mannen én vrouwen zijn vragen voorgelegd. Hieruit kwam naar voren dat van de slachtoffers van seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk sprake is geweest van seksueel misbruik van minderjarige mannen (77,5 procent) en van minderjarige vrouwen (22,5 procent). Hoewel het percentage misbruikten laag is, gaat het om aanzienlijke aantallen mannen én vrouwen. De Onderzoekscommissie kwam uit op een beredeneerde schatting van enkele tienduizenden mannen én vrouwen.

 

De Onderzoekscommissie had naast deze meer statistische aanpak ook gekozen voor een uitgebreid archiefonderzoek. Hiervoor waren de meldingen richtinggevend. Waar sprake was van meer dan 25 meldingen per kerkelijke organisatie en/of locatie zijn de archieven van deze instanties onderzocht. Het betrof op een enkele uitzondering na ordes en congregaties van mannelijke religieuzen. Om toch een zo goed mogelijk totaalbeeld te geven heeft de Onderzoekscommissie in het eerste onderzoek alle bisschoppelijke archieven onderzocht en heeft een (beperkt) onderzoek plaatsgevonden bij vier congregaties van vrouwelijke religieuzen.

 

In het tweede onderzoek lag de nadruk op congregaties van vrouwelijke religieuzen. Zowel in het eerste, als ook in het tweede onderzoek zijn de meldingen gebruikt om gericht te zoeken in archieven. Het is belangrijk om hierop te wijzen, omdat bij mevrouw Knibbe sprake is van de onjuiste veronderstelling dat de onder mijn leiding uitgevoerde onderzoeken zich vooral zouden richten op een weergave van de binnengekomen meldingen. Het eerste onderzoeksrapport bevat nauwelijks weergaven van meldingen, het tweede onderzoeksrapport gebruikt eveneens ook maar een aantal passages uit meldingen om dieper te kunnen ingaan op de vragen naar de omvang en aard van seksueel misbruik van en geweld tegen meisjes in de Rooms-Katholieke Kerk.

 

Het tweede onderzoek leverde geen andere inzichten op over de omvang van het misbruik van meisjes. Dat was geen verrassing, omdat het onderzoek met behulp van TNS Nipo al had uitgewezen dat het misbruik weliswaar omvangrijk was maar zich in meerderheid richtte op minderjarige mannen. Uitkomsten van onderzoeken in andere landen bevestigen dat bij het totale aantal slachtoffers  sprake was van veel meer minderjarige mannen dan vrouwen. Het spreekt voor zichzelf dat het hier allemaal om slachtoffers gaat, om minderjarigen, vaak heel jonge kinderen die aan de zorg van de Rooms-Katholieke Kerk waren toevertrouwd.

 

Het tweede onderzoek gaf geen aanleiding tot bijstelling, maar wel aan tot aanvulling van de conclusies en aanbevelingen in het eerste onderzoek. Hieronder volgen enkele van de conclusies uit het vervolgonderzoek:

  • Bij ruim veertig procent van de onderzochte meldingen van seksueel misbruik van minderjarige vrouwen is sprake van ernstig seksueel misbruik.
  • Misbruik van minderjarige vrouwen kwam blijkens de meldingen veel vaker thuis (veertig procent) en in de parochie (ruim dertig procent) voor. Seksueel misbruik van jongens kwam veel vaker in instellingen voor.
  • Seksueel misbruik ging in de helft van de gevallen gepaard met fysiek en/of psychisch geweld.
  • De nieuwe en eerdere meldingen maken, al dan niet in combinatie met seksueel misbruik, in de meeste gevallen gewag van een combinatie van fysiek en psychisch geweld. De aard van de geweldshandelingen komt eveneens in hoge mate overeen. Dat geldt ook voor de frequentie en duur van het geweld, namelijk herhaald en langer dan een jaar.
  • Het merendeel van de vrouwelijke slachtoffers was tussen de 6 en 14 jaar toen het seksueel misbruik en/of geweld begon. De meeste evaringen vonden plaats in de jaren vijftig en zestig.
  • Vond het seksueel misbruik van meisjes vooral thuis en in de parochie plaats, geweld tegen minderjarige vrouwen lijkt vooral te zijn gepleegd in instellingen zoals kindertehuizen en ziekenhuizen.
  • Bij fysiek en psychisch geweld (zonder dat sprake is van seksueel misbruik) wijzen de nieuwe en eerdere meldingen veelal vrouwelijke plegers aan, vooral vrouwelijke religieuzen die als onderwijzeres of verzorgster werkzaam waren.
  • In ongeveer de helft van de gevallen is het misbruik en/of geweld eerder ergens gemeld, maar vaak ook pas na jaren.
  • Diepgaand archiefonderzoek, onder andere in die van tien zustercongregaties, biedt geen directe aanwijzingen van geweld en geweldsincidenten. De onderzoeksorganisatie trof geen vastlegging aan van zulke incidenten.
  • Uit de onderzochte archieven rijst het beeld op van een omgang van zusters met meisjes en zusters onderling in een kille en koele omgeving van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig.

2.      De betrokkenheid van mevrouw Knibbe en het VPKK bij het tweede onderzoek

 

Mevrouw Knibbe heeft van meet af aan een belangrijke en prominente rol vervuld onder de slachtoffers. In eerste instantie was zij betrokken bij de Stichting Mea Culpa. Later werd zij actief als bestuurslid van KLOKK. In beide hoedanigheden heeft de Onderzoekscommissie met grote regelmaat met haar gesproken. Zij heeft niet alleen haar persoonlijke ervaringen met de Onderzoekscommissie gedeeld, maar ook anderen de weg gewezen naar de Onderzoekscommissie en de Onderzoekscommissie voorzien van goede adviezen. Ik ben haar daarvoor zeer erkentelijk. Zij was een van de eerste slachtoffers die heeft gewezen op het belang van een goed georganiseerde en goed gebundelde behartiging van de belangen van slachtoffers in één organisatie. Mede op haar aanraden heb ik frequent en intensief contact gehad met KLOKK, de organisatie waarvan zij tot 17 december 2012 bestuurslid is geweest.

 

Bij het uitwerken van de opzet van het tweede onderzoek heb ik uitgebreid gebruik gemaakt van haar adviezen en inbreng. Mijn medewerkers hebben intensief contact met haar gehad. Ze heeft voor de voorbereidingen van het tweede onderzoek notities geschreven en aan mij ter beschikking gesteld. Op 19 juni 2012 heeft ze in een (tweede) gesprek over de onderzoeksopzet suggesties en aanbevelingen gedaan die ik ten volle heb verdisconteerd in mijn opzet voor dit tweede onderzoek.

 

Op 16 december 2012 heeft ze laten weten dat ze haar bestuurslidmaatschap van KLOKK had beëindigd. Op haar verzoek heeft een van mijn medewerkers toen contact met haar gezocht. Een gesprek met haar bleek pas mogelijk op 19 januari 2013 in Maastricht. De dag ervoor verscheen in het dagblad Trouw een paginagroot interview met mevrouw Knibbe waarin ze kritiek uitsprak over mijn tweede onderzoek. Het tweede onderzoek zou ‘veel beperkter zijn dan het eerste’ en die beperking zou mij zijn afgedwongen onder druk van de bisschoppen en religieuzen. Mevrouw Knibbe gaf aan dat als vrouwen meer tijd (ze dacht daarbij aan jaren) was gegeven veel meer meldingen mij zouden hebben bereikt.

 

Ik heb de leden van het bestuur van het VPKK op 7 februari 2013 gesproken. Dat gesprek verliep constructief en we hebben toen ook afspraken gemaakt. Het ging hierbij om vermelding van hun website in het tweede onderzoeksrapport, voorinzage in het tweede rapport en een open contact waarin we elkaar over en weer zouden informeren, onder andere over initiatieven in de richting van de media en de Tweede Kamer.

 

3.      Na de verschijning van het tweede onderzoek

 

Overeenkomstig de gemaakte afspraken heb ik het VPKK voorinzage gegeven in mijn tweede onderzoeksrapport. Vertegenwoordigers van het VPKK hebben op 9 maart, twee dagen voor verschijning van het onderzoek, embargoexemplaren ontvangen.

 Op 11 maart jl heb ik het tweede onderzoek aangeboden aan de opdrachtgevers en gepubliceerd. Diezelfde avond heb ik de melders tijdens een besloten bijeenkomst een toelichting gegeven op mijn belangrijkste bevindingen. Ik heb de nodige vragen beantwoord en mevrouw Knibbe en het VPKK in de gelegenheid gesteld daar het woord te voeren en met de aanwezigen contact te leggen.

 

Op 11 maart jl heeft het VPKK in een persbericht laten weten dat het VPKK geen twijfel had dat ik en mijn medewerkers dit onderzoek naar eer en geweten hebben uitgevoerd.  In haar reactie herhaalde het VPKK dat ze niet tevreden was met de termijn waarbinnen nieuwe meldingen bij mij konden worden gedaan.  

 

Deze klacht acht ik overigens om de hieronder volgende redenen niet steekhoudend:

  • in het vervolgonderzoek zijn alle relevante meldingen betrokken die ik in de periode tussen 10 maart 2010 en 16 december 2011 heb ontvangen;
  • voor het vervolgonderzoek geldt dat al in de loop van januari/februari 2012 duidelijk was dat slachtoffers zich konden melden. De Tweede Kamer heeft in deze periode twee keer over het vervolgonderzoek beraadslaagd en de minister van Veiligheid en Justitie heeft in de Tweede Kamer uitvoerig bericht over mijn bereidheid om het vervolgonderzoek te verrichten;
  • volgens mevrouw Knibbe (bladzij 6 en 7 van haar notitie) was de periode van 22 mei tot 1 juli 2012 ‘vakantietijd’. Hier moet sprake zijn van een vergissing;
  • volgens mevrouw Knibbe is aan de mogelijkheid tot melding te weinig ruchtbaarheid gegeven. Ik heb voor bekendmaking van de meldingstermijn dezelfde wegen bewandeld als bij het eerste onderzoek;
  • de meldingstermijn was – gelet op de meldingstermijn bij het eerste onderzoek – adequaat;
  • alle na sluiting van het de aanmeldingstijd binnengekomen meldingen zijn in het onderzoek meegenomen. De sluitingsdatum was van belang voor het geven van richting aan en de voortgang van het onderzoek, vooral ook met het oog op een zo spoedig mogelijke hulp en genoegdoening

 

Op 15 maart werd ik geconfronteerd met vragen van media over een mij op dat moment onbekend persbericht, waarin het VPKK zou aangeven dat er bij het VPKK 21 klachten waren binnengekomen over de weergave van meldingen in mijn tweede onderzoeksrapport. Het persbericht spreekt in de kop van 21 klachten, maar in de tekst is sprake van 18 klachten. Ik heb op 16 maart laten weten dat ik het betreurde dat ik via de media van de kritiek van het VPKK had moeten vernemen en dat ik dat ik ook niet conform de op 7 februari gemaakte afspraken vond. Als reactie daarop kreeg ik bericht dat ik over de kritiek van melders zou kunnen spreken met mevrouw Knibbe nadat ‘vóór alles te horen of jullie het met mij eens zijn dat de weergave van de meldingen onbevooroordeeld moet zijn en dat de melders ook mogen vertrouwen dat de betekenis van hun klacht niet anders mag zijn weergegeven dan zij hem hebben aangereikt’.

 

Ik hecht eraan dit zo authentiek weer te geven, omdat hier duidelijk wordt dat mevrouw Knibbe en ik een verschillende visie hebben over de wijze waarop een gedegen, naar wetenschappelijke standaarden uitgevoerd onderzoek moet worden uitgevoerd. Voor haar is een zo volledig mogelijke weergave van een beschrijving van een melder een absoluut vereiste, voor mijn onderzoek was zo’n melding richtinggevend voor nader onderzoek. Het frappante is dat mevrouw Knibbe en ik niet verschillen in conclusie. Het springende punt is bij haar de wijze van weergave. Mijn opvatting is dat het weergeven van en citeren uit meldingen in een bredere context moet worden gezien en dienstbaar moet zijn aan een wetenschappelijk onderbouwde onderzoeksaanpak. De Onderzoeksoprganisatie heeft via haar een aantal uitvoerige meldingen gekregen. Sommige tellen meer dan tien bladzijden en bevatten uitvoerige levensbeschrijvingen. Hoe goed ook bedoeld, maar mevrouw Knibbe (aan wiens bedoelingen ik dus niet twijfel) gaat hier op de stoel van onderzoeker zitten. Hoe begrijpelijk ook, is dat vanwege mijn strikte onafhankelijkheid die ik ook in deze twee onderzoeken heb betracht, niet gewenst.

 

Ik heb op 16 maart mevrouw Knibbe gevraagd mij inzage te geven in de 18 dan wel de 21 door haar ontvangen klachten. Op 19 maart is mij meegedeeld dat dat niet mogelijk was. Het zou niet gepast zijn mij daarover te informeren. Op 20 maart heb ik voorgesteld om de klagers om toestemming te vragen mij over hun klacht te informeren, desnoods geanonimiseerd. De dag daarna is dit aanbod door mevrouw Knibbe van de hand gewezen. Zij deelde mij mee dat de twijfels over een deel van mijn tweede onderzoeksrapport zouden worden geboekstaafd en neergelegd zouden worden in een publiek document. Mij werd gevraagd hiermee in te stemmen. Op 24 maart heb ik aangeboden deze klagers in aanmerking te laten komen voor de door mij voorgestelde ‘special mediation’, dat wil zeggen via personen die niet onder mijn leiding vallen. Dat aanbod heeft – zo bleek mij uit door mevrouw Knibbe toegezonden e-mailberichtverkeer – binnen het VPKK even geleid tot een nadere afweging. Uiteindelijk is op 25 maart zonder een reactie op dit aanbod, zonder afstemming met mij en dus zonder mijn reactie in het kader van hoor en wederhoor door mevrouw Knibbe een bericht verzonden aan uw commissie en aan de media.

 

4.      Klachten over het onderzoeksrapport 

Het is mij – eerlijk gezegd – onduidelijk hoeveel klachten er nu precies zijn. In haar bericht aan uw commissie gaat het volgens mevrouw Knibbe om 56 klachten, die niet worden gespecificeerd maar betrekking zouden hebben op:

  • Een verkeerde selectie van informatie uit meldingen; weglating belangrijke gegevens, nadruk op irrelevante gegevens, zoekraken van meldingen, te korte meldtijd en onbekendheid van het onderzoek;
  • Onvoldoende of verkeerd gebruik van andere bronnen;
  • Fouten in de weergave.

 

In haar uitgave die aan u is voorgelegd gaat het om een beperkt aantal gevallen, waarover ik me niet in specifieke zin kan uitspreken omdat – voor zover ik deze meldingen ken – deze vertrouwelijk aan mij zijn gedaan.

 

Waar ik me wel over kan uitspreken zijn de klachten die mij rechtstreeks hebben bereikt. Tijdens de rondetafelconferentie op 28 maart is u meegedeeld dat op dat moment twee slachtoffers zich hadden gemeld met klachten en opmerkingen over het tweede onderzoeksrapport.  In één geval betrof het het weerwoord van de desbetreffende congregatie. Dit raakt uiteraard de bevindingen en de conclusies in het tweede onderzoek niet. Het tweede geval betrof het een melder die zich zowel bij het eerste als bij het tweede onderzoek had gemeld. In het eerste onderzoek over haar eigen ervaringen, in het tweede onderzoek ook over en namens anderen. De bezwaren van deze melder zijn deels wel, maar deels ook niet weggenomen. Beide melders blijken voor te komen in het door mevrouw Knibbe aan u toegezonden overzicht.

 

Inmiddels, op 11 september, heeft zich een derde persoon gemeld. Deze heeft erop gewezen dat de op deze persoon betrekking hebbende vermelding onjuistheden bevat over onder meer de gevolgde therapie en over precieze tijd en betekenis van bepaalde gebeurtenissen alsmede familieomstandigheden. Deze melder, die de Onderzoekscommissie vijf keer heeft gesproken, heeft het verslag van het gesprek van de Onderzoekscommissie alsmede de weergave daarvan in het onderzoeksrapport geautoriseerd. Eerder sprak de Onderzoekscommissie in het kader van het eerste onderzoek met dit slachtoffer van zeer ernstig te nemen misbruik (fysiek, psychisch en naar mijn oordeel ook seksueel misbruik). Het verslag van dit gesprek is door het slachtoffer voor akkoord bevonden.

 

Op 28 maart jl liet dit slachtoffer een van mijn medewerkers weten: ‘Laat ik je vertellen dat ik jouw  inspanningen heel erg waardeer en ik me door jou enorm gesteund voel en weet tijdens dit hele proces’. Op 11 september jl volgde een overigens reeds eerder aangekondigde mededeling dat haar melding niet volledig dan wel niet geheel juist is weergegeven. Deze melder komt niet voor in het overzicht van mevrouw Knibbe.

 

Het overzicht van mevrouw Knibbe telt twaalf casussen.

  1. Melding van mevrouw E.

Ik beschik over een melding van mevrouw E., die geen bijzonderheden bevat. Wel wordt verwezen naar een uitvoerig te boek gesteld egodocument, dat van groot belang is geweest voor het onder mijn leiding uitgevoerde archiefonderzoek. Anders dan mevrouw Knibbe stelt, wordt nergens in het verslag van mijn tweede onderzoek getwijfeld aan wat mevrouw E. is overkomen. Wel wordt gemeld dat in de archieven geen gegevens zijn gevonden die haar melding ‘direct ondersteunen’ (bladzij 111). Dat is trouwens bij geen van meldingen over geweld het geval (zie hiervoor). Een van mijn voornaamste conclusies is immers, dat in specifieke gevallen niet kon worden teruggevallen op de archieven, maar in algemene zin bevestigde het onderzochte archiefmateriaal dat binnen kloostergemeenschappen en de instellingen een klimaat heerste van ‘formalisme, liefdeloosheid, emotionele kilte, hardheid, repressie en vernedering’. (blz. 237 van mijn tweede onderzoeksrapport)

  1. De meldingen 2a en 2b van de tweelingzussen M

Het betreft hier twee meldingen die mij onbekend zijn, omdat ze nooit eerder aan mij zijn voorgelegd. Volgens mevrouw Knibbe gaat het om melders die pas op dag van verschijnen van mijn tweede onderzoek op de hoogte raakten van mijn onderzoek. Voor de goede orde wijs ik op het belang van publiciteit. Bij in het oog springende gebeurtenissen nemen veel slachtoffers de vaak lang gevoelde barrière en melden alsnog hun vaak zelfs voor hun naaste familieleden verzwegen misbruik. Hierover is uitvoerig in het eerste onderzoeksrapport bericht. Ik heb na de verschijning van mijn  tweede onderzoeksrapport ook nieuwe meldingen ontvangen. Overigens wordt  met het oog op de klachtenbehandeling de naam van de betrokkene toegevoegd aan de lijst meldingen, c.q. klachten, wanneer dat gewenst wordt. Deze twee personen kunnen zich uiteraard nog steeds bij mij melden.

  1. De melding van ‘meneer Sjo S’

Het betreft hier geen melding. Het gaat om een verslag van een gesprek tussen mevrouw Knibbe en ‘meneer Sjo S’ dat lange tijd te vinden was op de website van KLOKK. In dit verslag wordt melding gemaakt van eenzelfde persoon als bij de melding van mevrouw E. (zie hierboven). Voor mijn medewerkers was dit reden om in archieven de feitelijke gegevens van ‘meneer Sjo S’ te gebruiken. Dat heeft geen verdere aanknopingspunten over leden van de congregatie van de zusters Onder de Bogen opgeleverd.

  1. De melding van mevrouw MvG

Deze melding is mij bekend uit mijn eerste onderzoek. In het tweede onderzoek heeft deze melder zich weer gemeld. Toen namens een (groot) aantal slachtoffers. Bij mevrouw MvG leefden – zo bleek uit contact tussen de onderzoeksorganisatie en mevrouw MvG – bepaalde verwachtingen over de werkwijze van de onderzoeksorganisatie. Veel meldingen hadden betrekkingen op een bepaalde persoon. Mevrouw Knibbe stelt dat ik geen nader onderzoek heb gedaan naar de desbetreffende meldingen. Wat zij en melder MvG niet weten is dat ik persoonlijk met de door haar en andere melders genoemde persoon alsmede de leidinggevenden van deze persoon heb gesproken. Mijn bedoeling is altijd geweest om een diepgaand maar ook verantwoord onderzoek uit te voeren. Bij dit laatste hoort het geven van hoor en wederhoor en het ook zo precies mogelijk verwoorden van wat de melders mij hebben laten weten, in archieven is terug te vinden en betrokkenen te laten reageren. Dit hoort tot de essentie van onafhankelijk uitgevoerd onderzoek en laat geen ruimte voor concessies. In een gesprek met de onderzoeksorganisatie zijn mijn medewerkers ingegaan op het commentaar van mevrouw MvG.

  1. De melding van mevrouw PvdB

Met mevrouw MvG heeft de onderzoeksorganisatie twee keer uitgebreid telefonisch (op initiatief van de onderzoeksorganisatie) gesproken. Op een bericht van mevrouw PvdB is ook gereageerd. Haar kritiek had vooral betrekking op de reactie van de desbetreffende congregatie (die ontkende dat in de desbetreffende periode kinderen van haar leeftijd in het bedoelde instituut verbleven).

  1. De melding van mevrouw JM

Het verwijt van mevrouw Knibbe is dat de onderzoeksorganisatie uitgebreid met mevrouw JM heeft gesproken, maar dat het besprokene niet in de door mevrouw Knibbe gewenste vorm en omvang is weergegeven in het eindrapport. Voor de goede orde meld ik dat de Onderzoekscommissie en bij het tweede onderzoek de Onderzoeksorganisatie de met slachtoffers gevoerde gesprekken altijd op basis van strikte vertrouwelijkheid hebben gevoerd. Het onderzoek beoogde overigens geen compilatie van verslagen en meldingen te zijn. De kritiek van mevrouw Knibbe kan ik niet plaatsen.

 

De meldingen 4, 5 en 6 hebben betrekking op een en dezelfde congregatie waarmee – zo bleek mij in de loop van mijn vervolgonderzoek – de contacten tussen congregatie en slachtoffers haperingen vertoonden. Hoewel dit niet tot mijn opdracht hoorde, heb ik op 5 februari 2013 (dus voorafgaande aan de verschijning van mijn tweede onderzoek) een beroep gedaan op de KNR en op deze congregatie om de dialoog tussen de verantwoordelijken binnen deze congregatie en de slachtoffers op gang te brengen. Dit is aan een of meer van de hier genoemde slachtoffers namens mij op 11 maart jl, de dag van verschijning van mijn tweede onderzoek, overgebracht. De reactie van betrokkenen was toen positief.

  1. De melding van mevrouw F.K.

Deze melding is mij onbekend, althans niet traceerbaar. Volgens de notitie van mevrouw Knibbe heeft mevrouw F.K haar melding niet aan mij verstrekt.

  1. De meldingen van MK, PR, MW en ML

Deze meldingen hebben betrekking op misbruik in de context van parochies en thuissituaties die volgens mevrouw Knibbe in het tweede onderzoek niet zouden zijn onderzocht en voornamelijk vrouwen zouden betreffen. Zoals eerder aangegeven is anders dan mevrouw Knibbe aangeeft – over misbruik in parochies en gezinssituaties al in het eerste onderzoek uitvoerig verslag gedaan. Zie hierover het eerste onderzoeksrapport, bladzij 200 tot en met 285, bladzij 310 tot en met 330 en bladzij 667 tot en met 685.[2]

 

De vermelding van MK in de notitie van mevrouw Knibbe is niet ontleend aan een melding aan mij, maar aan een uitspraak van Hulp & Recht, die haar klacht gegrond heeft verklaard. De melding van mevrouw PR kan ik niet herleiden  tot een mij bekende melding. Dit geldt ook voor mevrouw M.W., waarbij mevrouw Knibbe nadrukkelijk spreekt over een melding, maar ik ervan uit moet gaan dat het geen bij mij bekende melding betreft. Vanzelfsprekend ontvang ik hun meldingen graag alsnog.

 

De vermelding van mevrouw ML is mij wel bekend, omdat met haar in het kader van het eerste onderzoek uitvoerig door een van mijn medewerkers is gesproken. Deze melder is aangeraden om een klacht bij het Meldpunt in te dienen. Daar stond deze melder wantrouwig tegenover. Ook is ervoor gezorgd dat dit slachtoffer met andere bij de Onderzoekscommissie bekende slachtoffers van paters Maristen in contact kon komen. Daarvoor heeft deze melder mij nog bedankt.

 

5.      Ten slotte

 

Van de door mevrouw Knibbe genoemde 56 klagers over mijn tweede onderzoek blijken in haar notitie 12 casussen te worden genoemd en gespecificeerd. Hierbij gaat het om een gecombineerde bij mij niet bekende melding van tweelingzussen (2a en 2b). Verder ook nog om een mannelijk persoon die in mijn tweede onderzoek niet als melder voorkomt (3). Vier meldingen onder 8. hebben betrekking op het eerste onderzoek. De melding onder 7. is mij onbekend. Met de melders onder 1 en 4 heeft de onderzoeksorganisatie na afloop van het tweede onderzoek gesproken dan wel gecommuniceerd. Daarbij zijn tekst en uitleg gegeven over de wijze waarop ik dit onderzoek heb laten uitvoeren.

 

Samenvattend blijft een beperkt aantal bij mij bekende melders (1, 4 en 5) over dat zich niet kan vinden in de wijze waarop ik mijn onderzoek heb uitgevoerd. Hierbij moet nog een melder worden toegevoegd die in het overzicht van mevrouw Knibbe niet voorkomt en die in het voorgaande heb genoemd.

 

Ik ben op 10 maart 2010 gevraagd leiding te geven aan een onderzoek dat voor zo velen diepingrijpend is en voor veel maatschappelijke beroering heeft gezorgd. Van meet af aan ben ik me bewust geweest van de gevoelens bij slachtoffers. Ik heb het contact met hen, en hierin voorop mevrouw Knibbe, opgezocht.

 

Het einde van 2013 nadert. Veel slachtoffers waarmee ik heb gesproken willen dat hun leed wordt erkend, aan hen hulp wordt geboden en waar dat voor hen aan de orde is ook genoegdoening wordt toegekend. Mijn onderzoeksopdracht zit erop.

 

Graag verantwoord ik me nogmaals voor mijn onderzoek naar seksueel misbruik van geweld tegen vrouwen in uw commissie. Ik deed dat al eerder op 4 april 2012 en op 28 maart jl in een rondetafelconferentie en kreeg van de opdrachtgevers van het tweede onderzoek de gelegenheid om ook voor slachtoffers van geweld een regeling voor te stellen.

 

Die is onlangs door de Bisschoppenconferentie en de KNR aanvaard. Ik hoop dat hiermee veel slachtoffers erkenning, hulp en genoegdoening kunnen vinden.

 

Met vriendelijke groeten,

 

 

drs. W.J. Deetman

 


[1] Het eerste onderzoek bevat een op basis van TNS NIPO onderzoek beredeneerde schatting van het misbruik in  parochies (20,5 procent van het totaal) en in gezinssituaties (10 procent van het totaal). Zie bladzij 76 van het eindrapport van het eerste onderzoek.

[2] Het eerste onderzoek bevat een op basis van TNS NIPO onderzoek beredeneerde schatting van het misbruik in  parochies (20,5 procent van het totaal) en in gezinssituaties (10 procent van het totaal). Zie bladzij 76 van het eindrapport van het eerste onderzoek.

Reactie van drs W.J. Deetman op het rapport van de Commissie Archiefonderzoek inzake het handelen van het openbaar ministerie bij seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk.

Minister mr I.W. Opstelten van Veiligheid en Justitie bracht dit rapport op 10 september 2013 ter kennis van de Tweede Kamer.

Algemeen

De aanleiding voor het onderzoek van de Commissie Archiefonderzoek betreft documentatie die in het voorjaar van 2012, dat wil zeggen na de verschijning van het eindrapport van de Onderzoekscommissie onder voorzitterschap van Wim Deetman, is ontdekt.

De Commissie Archiefonderzoek is blijkens haar rapport zorgvuldig te werk gegaan bij haar onderzoek. De commissie heeft zich laten bijstaan door een groot aantal deskundigen en in haar voorwoord wijst zij op de medewerking die zij voor haar onderzoek van tal van instanties heeft gekregen.

Bevindingen

De bevindingen en de conclusies van de Commissie Archiefonderzoek sluiten aan en ondersteunen de bevindingen en conclusies van de Onderzoekscommissie onder voorzitterschap van Wim Deetman.

In één geval (casus 8.4) heeft de officier van justitie besloten tot een sepot onder voorwaarden. Hij heeft dat – zo blijkt uit dit onderzoek – niet gedaan op verzoek van een kerkelijke gezagsdrager, maar op verzoek van de burgemeester.

Inzake reactie Vrouwen Platform Kerkelijk Misbruik

Op 11 september 2013 ontvingen de heer Deetman en diens secretaris Kreemers een reactie van het Vrouwen Platform Kerkelijk Misbruik onder de titel 'De Oorspronkelijke Meldingen'. Na verschijning op 11 maart jongstleden van het eindrapport van het vervolgonderzoek onder leiding van de heer Deetman naar seksueel misbruik van en geweld tegen meisjes binnen de RKK gaf het platform te kennen ongeveer 20 klachten te hebben ontvangen over het eindrapport. Het platform ging niet in op het verzoek van de heer Kreemers deze klachten te delen om de juistheid ervan na te gaan. Zelf ontvingen de heren Deetman en Kreemers twee reactie van slachtoffers op het eindrapport. In telefonisch contact en via de e-mail gaf de heer Kreemers de nodige toelichting. Van een en ander deed hij verslag in de hoorzitting van de Tweede Kamer op 28 maart jongstleden naar aanleiding van het eindrapport over het vervolgonderzoek.

Persberichten

Onderzoekscommissie seksueel misbruik minderjarigen RKK: Berichten NRC Handelsblad bevatten ‘in aard en ernst opvallende feitelijke onjuistheden’

DEN HAAG – 27 maart 2013 – Publicaties in NRC Handelsblad van 16 maart 2013 bevatten ‘in aard en ernst opvallende feitelijke onjuistheden’, ‘waarvan het de vraag is of ze kunnen worden afgedaan als onbewust gemaakte fouten’. Dit stelt de voormalige onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen binnen de Rooms-Katholieke Kerk (RKK).

De voormalige commissie onder voorzitterschap van drs. W.J. (Wim) Deetman presenteerde op 16 december 2011 het eindrapport van haar onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek. Met haar onderzoek in opdracht van de RK Bischoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) bracht de commissie aard, omvang en omstandigheden van, als ook de verantwoordelijkheden voor seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK binnen Nederland in beeld, evenals de gevolgen hiervan voor slachtoffers en hun omgeving.

Op 16 maart publiceerde de betrokken redacteur van NRC Handelsblad (opnieuw) berichten waarin hij juistheid en oprechtheid van het eindrapport in twijfel trekt. In een eerste publieke reactie op deze artikelen, ‘Deetman meldde belastende feiten bisschop Van Luyn niet’ en ‘Wat Deetman niet opschreef in zijn misbruikrapport’, nam de onderzoekscommissie hier afstand van op haar website www.onderzoekrk.nl.

Morgen voert de Tweede Kamer een gesprek met Deetman over de vraag of en in hoeverre de RKK werk maakt van de aanbevelingen in het eindrapport. Een Kamerlid zou Deetman op de zitting willen bevragen over beweringen in de publicaties. Mede met het oog hierop komt de commissie met een uitvoerige weerlegging op beide artikelen terug. 

Hoor en wederhoor niet serieus
Vóór publicatie van de artikelen ontving de commissie een reeks vragen van de redacteur, ‘een aantal suggestief en tendentieus’. De commissie zag haar antwoorden nagenoeg niet terug in beide publicaties en stelt dat dit niet voor het eerst is: ‘Van een serieus te nemen hoor en wederhoor is geen sprake. Toen niet en ook nu niet. Het gaat hier niet om nieuwsmakerij maar om beschuldigingen die niet met feiten zijn gestaafd, hoe ijverig de betrokken journalist ze ook probeert te verbuigen en te vervormen’.

In haar reactie loopt de commissie de beweringen in beide artikelen na en stelt hierin een reeks feitelijke onjuistheden vast die in aard en ernst uiteenlopen: ‘In een aantal gevallen gaat het om opvallende feitelijke onjuistheden, waarvan het maar de vraag is of ze als slordigheden moeten worden afgedaan’. Elders ‘worden de bewoordingen die de Onderzoekscommissie heeft gekozen plotseling van een andere, veel stelliger, redactie voorzien en wordt door weglating van het voorafgaande de desbetreffende passage uit haar context gehaald’.

Beide artikelen suggereren dat bisschop mgr. A.H. van Luyn Deetman aanzocht voor het onderzoek omdat hij hem volgens de redacteur goed zou kennen en zich zo verzekerde van een voor de RKK welgevallig onderzoek dat hemzelf zou sparen: ‘Dat Van Luyn bij Deetman uitkomt is niet vreemd. Ze kennen elkaar goed. Hun contact dateert uit de periode dat Deetman burgemeester is in Den Haag, in het bisdom van Van Luyn’, aldus de krant.

Verdachtmaking
Deetman sprak Van Luyn toen echter slechts enkele malen en wel uitsluitend over zakelijke aangelegenheden. In haar reactie stelt de commissie: ‘De bewering “kennen elkaar goed” is de opmaat naar de verdachtmaking dat de heer Deetman niet onafhankelijk is’.

Terwijl NRC Handelsblad de indruk wekt als zou de commissie haar opdrachtgever Van Luyn, toen voorzitter van de bisschoppenconferentie, hebben ontzien, laat de krant ook onvermeld dat de commissie aanvullend onderzoek deed in de archieven van de salesianen te Rome: ‘Twee van de vier vragen die de Onderzoekscommissie wilde beantwoorden met informatie uit deze archieven hadden betrekking op het handelen en het kennisniveau van mgr. Van Luyn als provinciaal overste en als persoonlijk secretaris van de provinciaal overste‘. Ook voerde de commissie twee uitgebreide gesprekken met Van Luyn zelf over diens betrokkenheid bij enkele zaken. Het eindrapport doet hier verslag van.

De commissie concludeert tot slot: ‘Bij beschuldigingen dat niet integer is gehandeld ligt de bewijslast bij degene die de beschuldiging uit. Aan zijn feitelijke onderbouwing mogen inderdaad hoge eisen worden gesteld. Uit het bovenstaande blijkt dat de feitelijke beweringen in NRC Handelsblad in aard en ernst opvallende feitelijke onjuistheden bevatten, waarvan het de vraag is of ze kunnen worden afgedaan als onbewust gemaakte fouten’.

Download het feitenoverzicht (word)
Download het feitenoverzicht (PDF)

Download het persbericht (word)
Download het persbericht (PDF)

Download het volledige onderzoek (PDF)

Verklaring inzake publicatie in NRC Handelsblad d.d. 16 maart 2013

NRC Handelsblad van vandaag, 16 maart 2013, geeft een onjuiste voorstelling van zaken met betrekking tot het eindrapport van de onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk. Het eindrapport van dit onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek verscheen op 16 december 2011. De artikelen onder de kop 'Deetman meldde belastende feiten bisschop Van Luyn niet' en 'Wat Deetman niet opschreef in zijn misbruikrapport' bevatten beweringen en aantijgingen die in een eerste reactie nopen tot een feitelijke weerlegging door de secretaris en onderzoeksmanager van de voormalige commissie, dr H.P.M. (Bert) Kreemers.

De kern van het artikel van de betrokken redacteuren is dat de onderzoekscommissie en in het bijzonder haar voorzitter Deetman niet integer hebben gehandeld, bij het schrijven van het eindrapport in 2011. Als bewijs wordt aangedragen dat de bisschoppen Van Luyn en Wiertz, te beschouwen als mede-opdrachtgevers, uit de wind zijn gehouden. Het gaat hier om historisch onderzoek, uitgevoerd langs meerdere lijnen (onderzoek naar meldingen in gesprekken en in archieven, internationaal literatuuronderzoek, onderzoek TNS-NIPO). Vervolgens zijn keuzes gemaakt, op basis van interpretaties van bronnenmateriaal dat in het rapport is verantwoord. De commissie heeft haar onafhankelijkheid vastgelegd, heeft zich gebonden aan algemeen aanvaarde criteria voor wetenschappelijk onderzoek, en blijft zich verplicht zien om de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen niet onnodig te schaden. Een aanval op de persoonlijke integriteit moet per definitie zorgvuldig worden beargumenteerd en van sterke bewijzen zijn voorzien. Dat geldt des te sterker in een geval als dit, waarin de commissie en haar opdrachtgevers juist uitdrukkelijk de risico’s onder ogen hebben gezien, daarover afspraken hebben gemaakt en die ook hebben gepubliceerd. De bewijslast dat niet integer is gehandeld ligt bij degene die die beschuldiging uit en daaraan mogen zeer hoge eisen worden gesteld. Het enkele gegeven dat er opdrachtgevers zijn geweest, is geen argument. Elke commissie, hoe ook samengesteld, zou in dezelfde situatie verkeren en er zijn keiharde afspraken gemaakt om de onafhankelijkheid te verzekeren. Het argument is ook gevaarlijk want het is schijnbewijs: bij alles wat een kritische buitenstaander, onkundig van het complete materiaal, opvalt lijkt dit argument zijn gelijk te bevestigen. Dat heet: ‘tunnelvisie’.

Alle verantwoordelijken in de Rooms-Katholieke Kerk gelijk behandeld

De Onderzoekscommissie heeft bij haar onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk alle verantwoordelijken (kardinaal, bisschoppen, hogere oversten) gelijk behandeld. Met alle ambtsdragers zijn gesprekken gevoerd waarvan de verslagen zijn geautoriseerd. Met enkele ambtsdragers is meer dan een keer gesproken. Dat geldt ook voor mgr. A.H. van Luyn, met wie twee keer is gesproken waarbij zowel zijn functioneren als bisschop van Rotterdam en voorzitter van de Bisschoppenconferentie alsmede zijn gehele loopbaan binnen de congregatie van de Salesianen aan de orde zijn gesteld. De gesprekken zijn gevoerd en voorbereid door onderzoekers van de Onderzoekscommissie in aanwezigheid van drs. W.J. (Wim) Deetman.  Met mgr. F.J.G. Wiertz is één keer gesproken. Dit gesprek is eveneens voorbereid en gevoerd door onderzoekers van de Onderzoekscommissie in aanwezigheid van de heer Deetman.

Onderzoek werd uitgevoerd in onafhankelijkheid en naar wetenschappelijke maatstaven

Het onderzoek van de Onderzoekscommissie is in onafhankelijkheid en naar wetenschappelijke maatstaven uitgevoerd. Het gaat om een historisch onderzoek, dat langs meerdere lijnen is uitgevoerd (onderzoek naar de inhoud van de klachten in gesprekken en archieven, internationaal literatuuronderzoek, onderzoek TNS-NIPO). Zoals steeds gesteld gaat het niet om een justitieel onderzoek naar individuele zaken. De toetsing van individuele klachten - gemeld en niet gemeld bij de onderzoekscommissie - vindt plaats door de klachtencommissie en eventueel door de compensatiecommissie wanneer slachtoffers zich bij die commissies melden. Dat het een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek betreft wil onder andere ook zeggen dat naar de opdrachtgevers toe afstand is bewaard. De melders zijn met respect tegemoet getreden, maar waar in hun meldingen feitelijke omstandigheden aan bod kwamen zijn deze met andere meldingen vergeleken, in gesprekken  getoetst en geverifieerd, waarbij ook informatie uit archiefonderzoek is betrokken. Dit is ook gebeurd bij de melding van de heer J. Hij meldde weliswaar seksueel misbruik maar prominent en overwegend stond in zijn melding zwaar lichamelijk letsel door een medeleerling en de afhandeling daarvan door bestuurlijke verantwoordelijken binnen de Salesianen. Hierover had hij contacten gelegd met de toenmalige bisschop van Rotterdam, mgr. A.H. van Luyn, en de hogere overste van de Salesianen. De correspondentie met deze hogere overste was bij zijn melding gevoegd en geeft aan dat op zijn verzoek om contact uitgebreid is gereageerd. Nergens in aan de Onderzoekscommissie voorgelegde stukken wordt gerept van een beschuldiging dat mgr. Van Luyn “het slachtoffer in de steek zou hebben gelaten”. De commissie kon op grond van die correspondentie geenszins de indruk krijgen dat mgr. Van Luyn of de hogere overste zich aan de zaak hadden getracht te onttrekken.

De melding van de heer L. was voor de Onderzoekscommissie aanleiding om met hem een uitgebreid gesprek te voeren en een eveneens uitgebreid archiefonderzoek uit te voeren. De heer L. heeft het verslag van zijn gesprek dat was voorbereid en werd gevoerd door drie onderzoekers van de Onderzoekscommissie (niet in aanwezigheid van de heer Deetman) geautoriseerd en aangevuld. De heer L. heeft op 17 december 2011 de secretaris van de Onderzoekscommissie bedankt voor de wijze waarop de Onderzoekscommissie met zijn melding is omgegaan [gesprek van de heer L. met de secretaris van de Onderzoekscommissie in Utrecht op 17 december 2011 om 16.30 uur].

De redacteur interpreteert de bevindingen van de Onderzoekscommissie naar zijn eigen inzichten en vermoedens

Niet voor het eerst stelt de betrokken redacteur van NRC Handelsblad vragen aan de Onderzoekscommissie die suggestief zijn en die zijn eigen inzichten en vermoedens als uitgangspunt hebben. Hiermee interpreteert hij vervolgens bevindingen en conclusies van de Onderzoekscommissie. De redacteur heeft een belangrijke rol gespeeld in het publiekelijk aan de orde stellen van het seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk. Hij heeft zich in dit opzicht gepresenteerd als de “voorcommissie” van de Onderzoekscommissie. De Onderzoekscommissie beschikte over veel meer en andere mogelijkheden en volgde ook wetenschappelijke benadering om tot haar onderzoeksrapportage te komen. Hiermee was het mogelijk om tot een afgewogen oordeel te komen. Meldingen, zoals de Onderzoekscommissie die heeft gekregen, bevatten belangrijke informatie, maar vragen – zeker als het gaat om gebeurtenissen die vaak decennialang geleden zich hebben voorgedaan – om toetsing en verificatie. Voor een onderzoek dat aan wetenschappelijke maatstaven moet voldoen is dat een absolute voorwaarde. Daarom zijn in de bijlage de op 13 maart gestelde vragen van de redacteur opgenomen en ook de antwoorden die dus in kort bestek van een niet meer bestaande organisatie werden gevraagd.

Tot slot nog dit. Het artikel 'Wat Deetman niet opschreef in zijn misbruikrapport' verwijst ook naar een 'regen' van klachten over het deze week verschenen eindrapport van het vervolgonderzoek naar seksueel misbruik van en geweld tegen minderjarige vrouwen in de Rooms-Katholieke Kerk. De organisatie van dit vervolgonderzoek ontving zelf geen klachten over dit onderzoek. Wel beklaagden enkele personen zich over de opstelling van de RKK in het algemeen en van afzonderlijke ordes en congregaties in het bijzonder. Het Platform Vrouwen tegen Kerkelijk Kindermisbruik is door de onderzoeksorganisatie gevraagd de klachten aan de opstellers van het tweede eindrapport voor te leggen, opdat zij de klagers een reactie op hun kritiek kunnen geven. Tot nu toe is aan dit verzoek niet voldaan.


Bert Kreemers

 

Bijlage

De betrokken redacteur geeft op 13 maart 2013 te kennen samen met een collega voor de krant van vandaag, zaterdag 16 maart 2013, een artikel te schrijven 'waarin wij terugkijken op drie jaar misbruikonderzoek door de heer Deetman en zijn commissie. Daarbij centraal staat het lot van de bisschoppen.

Wij hebben ons afgevraagd hoe ze door de commissie-Deetman zijn ‘behandeld’. Ik bedoel, wat heeft de commissie onderzocht van ze en op welke manier zijn ze in het eindrapport terechtgekomen?

Daarbij viel ons op dat over vooral Bär en Simonis, vele regels worden geschreven. Beiden worden gekapitteld in aparte bevindingen in het eindrapport, over beiden worden conclusies getrokken ten aanzien van hun bestuurlijk handelen. Ten aanzien van Van Luyn en Wiertz ontbreken zulke aparte bevindingen en conclusies.

De verwijten aan Bär en Simonis hadden onder meer te maken met de betrokkenheid  bij het overplaatsen van gekende pedofiele paters/broeders, het niet informeren van het OM. Zulke feiten waren en zijn echter ook bekend bij de commissie over Van Luyn en Wiertz. 

Ons viel voorts op dat verschillende kwesties waarmee Wiertz en Van Luyn in het nieuws gekomen waren voor en in het begin van het onderzoek door de commissie, niet voorkomen in het eindrapport.

Twee slachtoffers (S.J. en J.L.; de afkortingen zijn vanwege de voormalige onderzoekscommissie om redenen van privacy) schreven de commissie Deetman aan, met overlegging van documenten waaruit bleek dat Van Luyn hen als slachtoffer niet persoonlijk geholpen had. Ook dit ontbreekt in het eindrapport, hoewel de commissie met J.L. een uitgebreid gesprek gevoerd heeft.

Dit heeft bij ons tot enkele vragen geleid, die wij graag willen voorleggen aan de heer Deetman.

 

Is de heer S.J. antwoord gestuurd door de commissie, nadat hij in 2010 zijn beklag hadden gedaan over de handelwijze van bisschop Van Luyn en zijn zaak en correspondentie met Van Luyn had voorgelegd? Zo nee, waarom niet? Zo, ja wanneer?

Hoe kan worden verklaard waarom over het bestuurlijk handelen van de heer Van Luyn als overste salesiaan en bisschop, en bisschop Wiertz, geen aparte bevindingen zijn opgenomen en er geen omvattend oordeel wordt gegeven?

Waarom ontbreken feiten die belastend zijn voor Wiertz en Van Luyn, die wel bekend waren bij de commissie, in het eindrapport?

Waarom worden Bär en Simonis wel in aparte bevindingen gekapitteld over hun bestuurlijk falen, en Van Luyn en Wiertz niet?

Waarom wordt in de hoofdconclusies ten aanzien van het bisdom Rotterdam geconcludeerd dat na het vertrek van Bär (en de komst van Van Luyn) ,,deze situatie” op hield te bestaan? Met ,,deze situatie” wordt onder meer gedoeld op het overplaatsen van priesters naar andere bisdommen met alle risico’s van dien voor kinderen. Onder Van Luyn gebeurde dit toch ook nog, hetgeen bekend was en is bij de commissie.

Herkent de heer Deetman zich in de observatie dat waar de rol van Van Luyn te bekritiseren valt, in het eindrapport het noemen van zijn naam vermeden wordt. En dat daar waar de heer Van Luyn in een enkele misbruikzaak actie onderneemt, zijn naam wel wordt genoemd? Zo nee, waarom niet?

Is de heer Deetman het eens met de stelling dat de zittende bisschoppen Van Luyn en Wiertz ontzien zijn? Zo nee, waarom niet?

Wij maakten ook een reconstructie van de beginperiode, hoe de heer Deetman gevraagd is om eerste een advies en vervolgens het onderzoek te doen. Onze bronnen binnen de kerkprovincie melden dat de heer Van Luyn de heer Deetman gevraagd/ gepolst heeft om advies te verstrekken en daarna ook uitvoerder van het onderzoek te zijn.

Graag hadden wij vernemen wij de zienswijze van de heer Deetman.

In verband met de verwerking van de antwoorden verzoeken wij om vóór vrijdagochtend 9 uur te reageren'.

 

De voormalige onderzoekscommissie antwoordt op 15 maart als volgt:

Antwoord 1.

“Is de heer [J] antwoord gestuurd door de commissie, nadat hij in 2010 zijn beklag had gedaan over de handelwijze van bisschop Van Luyn en zijn zaak en correspondentie met Van Luyn had voorgelegd? Zo nee, waarom niet? Zo ja wanneer?”

De heer [J] heeft op 26 november 2010 per e-mailbericht en per brief de Onderzoekscommissie op de hoogte gebracht van seksueel misbruik door een pater salesiaan en van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (beenbreuk) door een medestudent in 1961 in Don Rua. Uit de melding blijkt echter niets van seksueel misbruik door de desbetreffende pater over wiens bestuurlijke handelen de heer J zich beklaagt. Over het bestuurlijk handelen van de desbetreffende pater en diens betrokkenheid bij seksueel misbruik heeft de Onderzoekscommissie in haar eindrapport (6.2.5.) uitgebreid aandacht besteed.

De heer J heeft op 26 november 2010 om 10.57 uur een bevestiging gekregen van de ontvangst van zijn bericht aan de Onderzoekscommissie. Het uitblijven van een reactie van mgr. Van Luyn op een e-mailbericht van 23 april 2008 komt slechts zijdelings aan de orde in de brief/e-mailbericht van de heer J. Uit de brief van de heer J blijkt dat inmiddels een uitgebreid contact was opgebouwd tussen de heer J en de toenmalige hogere overste van de salesianen Uit het meegestuurde krantenartikel is af te leiden dat contact tussen de heer J en mgr. Van Luyn is gelegd.

“Wat wordt bedoeld met ‘die situatie’?”

Hiermee wordt bedoeld de kwetsbare positie waarin mgr. Bär zich bevond jegens priesters die zich schuldig maakten aan seksueel misbruik en die op de hoogte waren van zijn vermeende homoseksualiteit.

Over L:

In het gesprek dat de Onderzoekscommissie met L op 7 april 2011 heeft gehad, laat de heer L uitgebreid weten wat hij aan mgr. Van Luyn heeft bericht maar laat hij in het midden of hij na een tweede bericht aan mgr. Van Luyn een reactie heeft gekregen. In ieder geval is van een klacht geen sprake in dat gesprek. In het gesprek komt het contact tussen de heer L en de hogere overste van de salesianen aan de orde dat onder andere tot een letselschadevergoeding van 16.000 euro heeft geleid.

 

In reactie hierop geeft de redacteur onder dankzegging op 15 maart aan:

'Ik wil er graag op reageren. Ten aanzien van de manier waarop de bisschoppen Van Luyn en Wiertz zijn behandeld in het eindrapport (verschil met de oud-bisschoppen Bär en Gijsen en kardinaal Simonis) vind ik niets terug in de verantwoording van het archiefonderzoek, waar de heer Deetman naar verwijst in zijn antwoord. Ik zou graag weten waar daar iets over gezegd wordt. Dat geldt ook voor de precieze gang van zaken rond de aanstelling van de heer Deetman als adviseur (wie vroeg hem wanneer? etc) en zijn aanstelling als onderzoeker.

Van de 9 vragen worden er uiteindelijk maar 3 van een apart antwoord voorzien.

1) S.J.

Ten aanzien van de zaak J., zie ik geen antwoord op de vraag waarom het niet helpen door Van Luyn niet in eindrapport behandeld is. Dat aan ziekenzaalbroeder P. aandacht besteed wordt, is helder. Maar daar gaat het niet om. Het betreft hier de beoordeling van de commissie over het al dan niet in de kou laten staan van een slachtoffer door een kerkbestuurder. Dat er een brief van de salesianen was waarin met spijt betuigt over de handelwijze van vroegere bestuurders, is geen verklaring voor het feit dat er aan de handelwijze van Van Luyn in deze zaak geen aandacht wordt besteed.

2) Wat wordt bedoeld met ‘de situatie’?

Hier wordt geantwoord dat dit slaat op de kwetsbare positie van Bär tegenover jonge priesters die op de hoogte waren van zijn vermeende homoseksualiteit.

Dat vinden wij niet terug in de betreffende alinea’s waarin de opmerking over ‘de situatie’ voorkomt. Voor de volledigheid geef ik hier de tekst uit het eindrapport weer, waarop wij ons moeten baseren:

13a. Het bisdom Rotterdam: 1983-1993

In het bisdom Rotterdam werden in de jaren tachtig, tegen de adviezen van de toenmalige selectiecommissie in, mannen toegelaten tot de priesterwijding die daar niet voor geschikt werden geacht en van wie een aantal zich aan misbruik van minderjarigen heeft schuldig gemaakt. De Onderzoekscommissie is in haar onderzoek op vijf concrete gevallen gestuit. Het is opmerkelijk dat op hun misdrijven en misdragingen geen enkele vorm van correctie of een voorzorgsmaatregel om herhaling te voorkomen is gevolgd. Naar buiten – onder andere in de richting van slachto^ers en hun familie – werd volgehouden dat strenge maatregelen waren getroffen, maar in werkelijkheid waren dit loze gebaren. De tamelijk luchtige wijze waarop de toenmalige bisschop, monseigneur Bär, reageerde op de (voorwaardelijke) strafrechtelijke veroordeling van een van deze priesters plaatst de Onderzoekscommissie voor raadsels. Dit geval staat niet op zichzelf. Hiermee wordt de vraag opgeroepen of de toenmalige bisschop wel in staat was om zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid waar te maken. De Onderzoekscommissie is geneigd die vraag ontkennend te beantwoorden. Onder monseigneur Bär als bisschop zijn afdoende maatregelen uitgebleven. Priesters die in het bisdom Rotterdam niet meer konden worden gehandhaafd werden in andere bisdommen tewerkgesteld, waarbij de risico’s van dit doorschuiven schromelijk werden onderschat, wat koste kon gaan van de fysieke en mentale integriteit van minderjarigen die met zulke priesters in aanraking kwamen. Priesters tegen wie maatregelen werden uitgevaardigd, negeerden de aanpak van de bisschop. Met het vertrek van monseigneur Bär en de komst van een nieuwe bisschop hield deze situatie op te bestaan.

13b. Broeders van Amsterdam

3) J.L.

In het gesprek dat de heer L. met jullie gehad heeft, is geen klacht over Van Luyn geuit, schrijft de heer Deetman. Dat neemt niet weg dat in de correspondentie die de heer L. heeft overhandigd aan de commissie duidelijk wordt dat hij tot drie keer toe een smeekbrief schreef aan de heer Van Luyn met zijn hele misbruikgeschiedenis, en dat de heer Van Luyn weigerde met L. in gesprek te gaan. De vraag is waarom deze wetenschap bij de commissie niet verwerkt is in het eindrapport. Het doel van de commissie was onder meer het handelen van kerkbestuurders te beoordelen, ook in hun benadering naar slachtoffers. Daarover worden ook in algemene termen opmerkingen gemaakt door de commissie'.

In antwoord op deze vervolgvragen bericht de voormalige commissie op 15 maart als volgt.

Antwoord 2.

'1.       De heer J heeft zich bij de Onderzoekscommissie gemeld met een melding die betrekking had op zwaar lichamelijk letsel toegebracht door een medeleerling. Dit valt buiten het bereik van het onderzoek. Uit zijn melding blijkt niet dat hij zich “in de steek gelaten voelt” door de bisschop van Rotterdam. Wel beklaagt hij zich over de houding van de advocaat van de salesianen.

2.       De situatie onder mgr. Bär was dat maatregelen tegen priesters die zich hadden schuldig gemaakt aan misbruik werden genegeerd. In een van de voornaamste casussen die in het eindrapport voorkomt negeerde een priester het verbod om als priester te fungeren in het bisdom Rotterdam. Het ging niet om overplaatsing naar een ander bisdom.

3.       Het gesprek met de heer L was inderdaad een vervolg op zijn melding. Het gesprek is bedoeld om een en ander te toetsen. Uiteraard hebben wij het verslag voor aanvullingen en verbeteringen aan de heer L voorgelegd. Hiervan heeft de heer L ruim gebruik gemaakt, maar hij heeft niets toegevoegd over zijn citering van een van zijn brieven aan mgr. Van Luyn. Voor de goede orde: de heer L heeft uitvoerig mededelingen gedaan over zijn contacten met de salesianen. Het misbruik is zoals bekend bij de salesianen gepleegd.

4.       Over de wijze waarop de heer Deetman is gevraagd advies te geven en de leiding van het onderzoek op zich te nemen is in het eindrapport verantwoording afgelegd. Eerder werd volledige transparantie gehanteerd, onder andere in twee persconferenties'.

Deetman adviseert speciale mediation voor geweld tegen vrouwen in RK Kerk

Persbericht C

Vervolgonderzoek: geen eenduidige definitie voor excessief geweld 

DEN HAAG, 11 maart 2013 - Speciale bemiddeling door professionele mediators moet vrouwelijke slachtoffers van (buitensporig) geweld in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) heling, erkenning en herstel bieden in combinatie met financiële genoegdoening. Drs. W.J. (Wim) Deetman adviseert de RKK deze mediation mogelijk te maken om zo acht te slaan op dit geweld waarvan slachtoffers melding maakten. Deetman adviseert dit in het eindrapport van het vervolgonderzoek onder diens leiding naar seksueel misbruik van en geweld tegen meisjes binnen de RKK.

De uitkomsten van dit onafhankelijk wetenschappelijk vervolgonderzoek tussen augustus 2012 en begin 2013 bieden onvoldoende basis voor een scherp afgebakende, eenduidige definitie van (excessief) geweld die breed en ook met terugwerkende kracht bruikbaar is. Bij gebrek aan een eenduidige definitie van (excessief) geweld is de huidige klachtenprocedure niet toepasbaar. Om toch geweldsklachten in behandeling te kunnen nemen adviseert Deetman daarom deze speciale mediation.

Het vervolgonderzoek bouwt voort op dat van de commissie die, eveneens onder voorzitterschap van Deetman, seksueel misbruik van minderjarigen (jongens en meisjes) in de RKK onderzocht. Het eindrapport van deze onderzoekscommissie verscheen eind 2011. De organisatie van het vervolgonderzoek (onderzoeksorganisatie) richtte zich niet alleen op seksueel misbruik van maar ook op fysiek en psychisch (excessief) geweld tegen minderjarige vrouwen vanaf 1945 binnen de RKK in Nederland. Opdrachtgevers van beide onderzoeken waren de Bisschoppenconferentie en Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR).

Onderzoeksvragen en -bronnen

Het vervolgonderzoek kende in aanvulling op het eerdere onderzoek enkele hoofddoelen:

  • Nader inzicht bieden in de aard, ernst, omstandigheden en impact van, evenals in de verantwoordelijkheden voor seksueel misbruik en (excessief) fysiek en psychisch geweld jegens minderjarige vrouwen binnen de Rooms-Katholieke Kerk;
  • Het begrip excessief geweld definiëren en inzicht bieden in de mogelijkheden van het verkrijgen van bewijsmateriaal over dit geweld in het kader van verruiming van de regeling voor klachten en compensatie.

Het eindrapport van dit vervolgonderzoek bevat een kwalitatieve beschrijving van ervaringen met misbruik en geweld zoals slachtoffers rapporteren, een aanvullende internationale literatuurstudie naar fysiek en psychisch geweld tegen minderjarige vrouwen in afhankelijkheidsrelaties binnen de RKK, een verslag van diepgaand archiefonderzoek, evenals enkele wetenschappelijke essays en achtergrondonderzoeken van de hand van onafhankelijke deskundigen over relevante thema’s.

De onderzoeksorganisatie voerde tientallen gesprekken met slachtoffers, vertegenwoordigers van lotgenoten(groepen), deskundigen, plegers, (deels voormalige) gezagsdragers en personen die in hun hoedanigheid betrokken zijn of waren bij de vraagstukken van dit onderzoek. Ook belegde de onderzoeksorganisatie op 10 september 2012 een besloten bijeenkomst voor degenen die zich als slachtoffer meldden.

Voor het vervolgonderzoek ontving de organisatie een (beperkt) aantal van 181 nieuwe meldingen van seksueel misbruik van minderjarige slachtoffers, al dan niet in combinatie met geweld. Hiervan bleken 79 meldingen bruikbaar voor het vervolgonderzoek. Bij het vervolgonderzoek betrok de organisatie ook 71 meldingen van fysiek en/of psychisch geweld tegen minderjarige vrouwen en mannen uit het vorige onderzoek.

Enkele bevindingen inzake seksueel misbruik

  • De bevindingen van het vervolgonderzoek naar seksueel misbruik van minderjarige vrouwen wijken kwantitatief in hoofdzaak niet af van de bevindingen van het eerdere commissieonderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen (jongens en meisjes) in de RKK. Volgens de commissie ging het om tien- tot twintigduizend slachtoffers in internaten en instellingen en in totaal enkele tienduizenden slachtoffers in de periode 1945 tot 2010.
  • Nieuwe en eerdere meldingen vertonen op belangrijke onderdelen overeenkomsten.
  • Bij ruim veertig procent van de onderzochte meldingen van seksueel misbruik van minderjarige vrouwen is sprake van ernstig seksueel misbruik.
  • Misbruik van minderjarige vrouwen kwam blijkens de meldingen veel vaker thuis (veertig procent) en in de parochie (ruim dertig procent) voor. Seksueel misbruik van jongens kwam veel vaker in instellingen voor.
  • Waar sprake is van seksueel misbruik in de lichte ernstcategorie noemen de meldingen mannelijke en vrouwelijke plegers werkzaam binnen de RKK. Bij zwaardere ernstcategorieën van seksueel misbruik gaat het in hoofdzaak om mannelijke plegers.
  • Seksueel misbruik ging in de helft van de gevallen gepaard met fysiek en/of psychisch geweld.
  • Het vraagstuk van seksueel misbruik was reeds in de jaren zestig bespreekbaar gemaakt binnen de kloostergemeenschappen, in cursussen, tijdens bijeenkomsten en studiedagen op diverse niveaus. Hierbij bleef de context volledig beperkt tot de kloostergemeenschap zelf en de relaties tussen zusters onderling.

Enkele bevindingen inzake fysiek en psychisch geweld, omgeving en omgang

  • De nieuwe en eerdere meldingen maken, al dan niet in combinatie met seksueel misbruik, in de meeste gevallen gewag van een combinatie van fysiek en psychisch geweld. De aard van de geweldshandelingen komt eveneens in hoge mate overeen. Dat geldt ook voor de frequentie en duur van het geweld, namelijk herhaald en langer dan een jaar.
  • Het merendeel van de vrouwelijke slachtoffers was tussen de 6 en 14 jaar toen het seksueel misbruik en/of geweld begon. De meeste evaringen vonden plaats in de jaren vijftig en zestig.
  • Vond het seksueel misbruik van meisjes vooral thuis en in de parochie plaats, geweld tegen minderjarige vrouwen lijkt vooral te zijn gepleegd in instellingen zoals kindertehuizen en ziekenhuizen.
  • Bij fysiek en psychisch geweld (zonder dat sprake is van seksueel misbruik) wijzen de nieuwe en eerdere meldingen veelal vrouwelijke plegers aan, vooral vrouwelijke religieuzen die als onderwijzeres of verzorgster werkzaam waren.
  • In ongeveer de helft van de gevallen is het misbruik en/of geweld eerder ergens gemeld, maar vaak ook pas na jaren.
  • Diepgaand archiefonderzoek, onder andere in die van tien zustercongregaties, biedt geen directe aanwijzingen van geweld en geweldsincidenten. De onderzoeksorganisatie trof geen vastlegging aan van zulke incidenten.
  • Uit de onderzochte archieven rijst het beeld op van een omgang van zusters met meisjes en zusters onderling in een kille en koele omgeving van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig.
  • De jaren zestig maakten met behulp van schoolconferenties onder deskundige (bege)leiding de weg vrij voor een omslag in de omgang. Die sloot meer aan bij nieuwe inzichten en inmiddels gangbare ontwikkelingen in de onderwijswereld.

Enkele bevindingen inzake afstandsbaby’s

  • De problematiek van de afstandsbaby's in relatie tot de RKK blijkt lastig te onderzoeken, bij gebrek aan concrete of feitelijk onderzoekbare meldingen. Ook de literatuur biedt weinig tot geen inzicht in de problematiek van afstandsbaby's als gevolg van seksueel misbruik van minderjarige vrouwen in relatie tot de RKK. Dit geldt overigens ook voor situaties daarbuiten.
  • Ondanks deze beperkingen stelt het eindrapport van het vervolgonderzoek vast dat het vroegtijdig afstand doen van baby's door hun ongehuwde moeders in de decennia rond de Tweede Wereldoorlog in alle gezindten voorkwam. Verzuilde instellingen op het gebied van moederschapszorg ijverden vanaf de jaren twintig tot de jaren zestig gezamenlijk vóór het samenbrengen van moeder en kind en tegen het vroegtijdig afstand doen van het kind. Katholieke geestelijken (pastoors en ordesgeestelijken) bemiddelden juist vaker vóór een vroege afstand.

Bevinding inzake strafbare feiten

De afspraken die de onderzoekscommissie eerder maakte met het College van procureurs-generaal waren in het vervolgonderzoek onverminderd van kracht: toetsing van mogelijk strafbare en niet verjaarde feiten . De onderzoeksorganisatie trof dergelijke feiten niet aan. Wel legde ze drie verjaarde gevallen ter toetsing voor aan het openbaar ministerie wegens de ernst van de gemelde mishandeling.
Ook het vervolgonderzoek was overigens geen justitieel onderzoek naar individuele gevallen. Dit eindrapport doet dus evenmin uitspraken over wat zich in een specifiek geval wel of niet voordeed en/of wat hiervan waar is.

Zie verder ook ‘persbericht C.bijlage’ voor: (aanpak) archiefonderzoek, afstandsbaby’s, (nadere analyse) meldingen, aanloop en duur vervolgonderzoek, onderzoeksbronnen.

Uitzonderlijke gevallen
Op basis van het vervolgonderzoek kan de conclusie zijn dat het binnen de actieve vrouwelijke congregaties ging om ‘enkele uitzonderlijke gevallen van seksueel misbruik, niet om structurele misstanden. Als seksueel misbruik van minderjarigen binnen de vrouwelijke congregaties een ernstig en frequent verschijnsel zou zijn geweest, lijkt het aannemelijk dat dit direct of indirect binnen de SNVR (Stichting Nederlandse Vrouwelijke Religieuzen) ter sprake zou zijn gebracht’, aldus het eindrapport. Het eindrapport betwijfelt ‘of dat ook geldt voor het gebruik van fysiek en psychisch geweld tegenover bekeerlingen en pupillen. Fysiek geweld werd meestal door de regels en gebruiken verboden, maar was - ook buiten de kloosters - binnen zekere grenzen geaccepteerd’. Het eindrapport sluit fysiek en psychisch geweld dan ook niet uit.

Aannemelijkheid van ondervonden geweld
Zoals eerder aangegeven bleek het lastig een scherp afgebakende definitie te formuleren voor (excessief) geweld. Toch is het noodzakelijk dit soort geweldsklachten goed en voortvarend te behandelen, meent Deetman. Niettemin is het ook moeilijk om in een korte procedure het geweld en de schadelijke gevolgen ervan nauwkeurig te kwalificeren en te kwantificeren. Wel biedt dit vervolgonderzoek beschrijvingen die behulpzaam zijn bij behandeling van klachten wegens fysiek en psychisch geweld. Ook gelet op het beperkte aantal meldingen van uitsluitend fysiek en/of psychisch geweld verloopt de behandeling ervan volgens Deetman beter op basis van een toegesneden aanpak. Zoals eerder besproken in overleg met minister van Veiligheid & Justitie mr I.W. (Ivo) Opstelten krijgt Deetman de vorm te geven regeling voor deze aanpak voorgelegd.

Bij de aanbevolen benadering gaat het in hoofdzaak om de aannemelijkheid van het ondervonden geweld, niet zozeer om harde bewijsbaarheid in strafrechtelijke zin. Deze aanpak merkt bij geweldsklachten iedere melder aan als slachtoffer indien het ervaren geweld valt binnen de begrenzing van de beschrijving in het eindrapport van het vervolgonderzoek. Dit betekent dat er voorafgaand aan (herstel)bemiddeling geen waarheidsvinding nodig is om de validiteit van de klacht vast te stellen. Als de klacht alleen over geweld gaat vult herstelbemiddeling de bestaande klachten- en compensatieprocedure aan.

Met deze speciale procedure geeft het eindrapport antwoord op de onderzoeksvraag: Op welke wijze kan de klachten- en compensatieprocedure van de Stichting (Beheer en Toezicht) worden uitgebreid ten behoeve van de behandeling van klachten van fysiek en psychisch geweld, met inachtneming van de mogelijkheden en onmogelijkheden van bewijsmateriaal?

Financiële compensatie
Deetman beveelt voor de herstelbemiddeling een afzonderlijke procedure aan die onder toezicht staat van de voorzitter van de huidige klachtencommissie en die buiten de verantwoordelijkheid valt van de Stichting Beheer en Toezicht. Deze aanpak wil het vooral mogelijk maken om slachtoffers officieel te erkennen en hun genoegdoening te bieden. De hoogte van de financiële compensatie hangt volgens dit advies af van wat in de bemiddelingssessies ter sprake komt, gerelateerd aan het gemiddelde van de compensatiebedragen die de Compensatiecommissie tot nu toe toekende.

Herstelbemiddeling sluit aan op de benadering die eerder is ingezet bij seksueel misbruik van minderjarigen binnen de RKK in het buitenland en in Nederland. Het eindrapport verwijst in het bijzonder naar de congregatie van de Salesianen, de Broeders van Maastricht en de broeders van Liefde. Slachtoffers ervaren de door deze congregaties toegepaste (herstel)bemiddeling overwegend positief.

Jaarlijkse monitoring
De voormalige commissie Deetman betrekt de bevindingen, conclusies en aanbevelingen van het vervolgonderzoek bij haar periodieke monitoring. De opdrachtgevers zegden toe de aanbevelingen van de commissie onverkort over te nemen. De commissie monitort jaarlijks de voortgang van de uitvoering van deze aanbevelingen, vooral ook om opstelling en beleid van de RKK en de Stichting Beheer en Toezicht jegens slachtoffers verder te verbeteren en om gevallen van misbruik en geweld in de toekomst tegen te gaan. De eerste monitorrapportage verscheen op 28 september 2012, de tweede volgt in de tweede helft van dit jaar.

Download hier het volledige onderzoek (PDF)

Download hier het persbericht (Word)
Download hier het persbericht (PDF)

Download hier de bijlage bij het persbericht (Word)
Download hier de bijlage bij het persbericht (PDF)

Download the press release (Word)
Pownload the press release (PDF)

Download the appendix to the press release (Word)
Download the appendix to the press release (PDF)

Accountantsverklaring

Download hier de accountantsverklaring voor de periode 1 juli 2012 tot 1 maart 2012. (PDF)

10/18/12

Reactie op artikel in Elsevier

Op 16 december jongstleden publiceerde de voormalige commissie van onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk haar eindrapport.

Zij rondde daarmee haar werkzaamheden af en hield op te bestaan. Elsevier bericht deze week over dit eindrapport onder de kop ‘Na de grote woorden’. De voormalige commissie Deetman neemt afstand van dit artikel.

De stelling van Elsevier en de door haar geraadpleegde deskundigen als zou de commissie haar onderzoek hebben toegeschreven in de richting van een conclusie die slachtoffers zou behagen, is onjuist. Vast staat dat:

  • de commissieleden hun onderzoek niet zijn begonnen met uitgesproken opvattingen over aard en omvang het seksueel misbruik binnen de RK.
  • de commissie verschillende wegen heeft bewandeld om tot haar conclusies te komen: onderzoek onder de algehele bevolking via een uitgebreide landelijke survey en een schriftelijk vragenlijstonderzoek, onderzoek naar de meldingen van slachtoffers,  archief-onderzoek, literatuurstudies en vele gesprekken.
  • de commissie daarbij een reeks van methodologische voorzorgsmaatregelen in acht heeft genomen.
  • de commissie haar conclusies heeft getoetst aan de opvattingen en expertise van onafhankelijke terzake kundigen.
  • de commissie haar bevindingen gepresenteerd heeft met inachtneming van alle mogelijke nuances.

Eerder deze week al liet de voormalige commissie Deetman Elsevier weten:
'De Onderzoekscommissie zag zich bij het vaststellen van de vraag naar de omvang en aard van seksueel misbruik van minderjarigen binnen de Rooms-Katholieke Kerk geconfronteerd met enkele lastige problemen. Deze betroffen in de eerste plaats de vraag wat onder seksueel misbruik moet worden verstaan. De door de commissie gehanteerde definitie vindt u in de verantwoording, maar onzeker is of de respondenten van de TNS NIPO survey deze begrenzingen als uitgangspunt voor hun beantwoording hebben gekozen. De Onderzoekscommissie maakte bovendien onderscheid tussen misbruik binnen instellingen (internaten etc) en niet-instellingen. Een dergelijk onderscheid is van belang omdat de Rooms-Katholieke Kerk in een scala van situaties te maken had met de omgang met minderjarigen in onderwijs, opvoeding, vrijetijdsbesteding, pastorale zorg etc.
Deze onzekerheden heeft de Onderzoekscommissie gepoogd te ondervangen door een aantal slachtoffers de door haar opgestelde oorspronkelijke vragenlijst te laten invullen. Dat is in twee sessies gebeurd om zo optimaal gebruik te kunnen maken van hun commentaar op en vragen over eventuele onduidelijkheden in de vraagstelling.
TNS NIPO heeft (zie het roze boekje) de door haar gehanteerde aanpak verantwoord. Met deze verantwoording was het mogelijk om te berekenen hoeveel minderjarigen te maken gehad met seksueel misbruik (conform de definitie van de Onderzoekscommissie) in instellingen en in het algemeen. Om over adequate checks & balances te beschikken heeft de Onderzoekscommissie de aan de hand van deze verantwoording uitgevoerde berekening niet zelf uitgevoerd, maar hiervoor de directeur van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) gevraagd. Uit deze berekening kwam een exact cijfer. Gelet op de hierboven beschreven onzekerheden betwijfelde de Onderzoekscommissie of het noemen van dit exacte cijfer verantwoord was. De Onderzoekscommissie heeft ervoor gekozen een zekere bandbreedte te kiezen (tien- tot twintigduizend in instellingen, enkele tienduizenden in zijn algemeenheid). Deze aanpak heeft zij voor een 'second opinion' voorgelegd aan twee gerenommeerde deskundigen, professor Van der Heijden en professor Bijleveld. Zij heeft zich ook laten adviseren door professor dr. J.H. Smit en dr. A. Hoogendoorn van het Vu Medisch Centrum. Alle bevindingen zijn voorgelegd aan de klankbordgroep van de Onderzoekscommissie. Alle commentaren zijn verwerkt en verantwoord in de eindrapportage (zie blz. 550 en verder) en op de website van de Onderzoekscommissie. Met zoveel checks & balances is uw stelling lastig te begrijpen dat de Onderzoekscommissie naar een bepaalde conclusie heeft willen toeschrijven'.

Ook wees de commissie Elsevier op de inleiding van de heer Deetman bij de presentatie van het eindrapport, medio december 2011, waarin hij over de hardheid van de cijfers zei: 'De commissie heeft de grootst mogelijke zorgvuldigheid betracht. Daarom is veel werk gestoken in de methodologische verantwoording van het onderzoek en in betrokkenheid van deskundigen en controles door derden'. Ten behoeve van de wetenschappelijke waarborg van het onderzoek is een klankbordgroep betrokken geweest, bestaande uit vooraanstaand wetenschappers.
Geraadpleegde bronnen zijn open en toegankelijk en gepubliceerd op de website.
Het survey was het meest delicate onderdeel van het onderzoek: gevraagd werd naar ervaringen in het verleden, die verschillende emoties oproepen. Daarbij is bevraagd op een manier die gepaard gaat met onzekerheden en onbetrouwbaarheden. Een voorbeeld: over wat men verstaat onder seksueel misbruik bestaan in wetenschappelijke kring verschillende definities. En ook slachtoffers beschrijven dit op verschillende manieren. Daarom ben je in onderzoek kwetsbaar in een survey en is er een grote mate van onbetrouwbaarheid. De commissie heeft daarop een gerenommeerd onderzoeksbureau ingeschakeld, TNS NIPO. Stap voor stap zijn in het onderzoek representativiteitscontroles uitgevoerd en hier en daar is nadrukkelijk gecorrigeerd in het kader van een consistente beantwoording van vragen. Dit om de betrouwbaarheid zo groot mogelijk te krijgen. Het survey kende een hoge respons. Desalniettemin zijn er behoorlijke onzekerheidsmarges. De commissie heeft geaarzeld of ze wel aantallen zou noemen, maar heeft dat in het licht van de onderzoeksopdracht wel gedaan. Ze heeft daarover getwijfeld omdat men later met de getallen aan de haal zou kunnen gaan, zonder deze in een juist daglicht te plaatsen en te interpreteren.
De commissie heeft aan twee externe deskundigen gevraagd een oordeel te geven (de second opinion). Daarop heeft de commissie gereageerd. (Deze stukken zaten in de persmap.) De externe deskundige gaven een helder oordeel over de conclusies van het survey. Deze aanpak was nodig omdat hoe de commissie het onderzoek heeft aangepakt, nog niet eerder zo gedaan was. Al het statistisch materiaal is gepubliceerd, openheid en controle zijn verzekerd'.

Download hier de reactie in pdf
Download hier de reactie in word

 

Eenmalige nieuwsbrief inzake steunbewijs

Oktober 2012

Hierbij ontvangt u een eenmalige nieuwsbrief van de voormalige Onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen binnen de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland in de periode 1945 tot heden.

De voormalige Onderzoekscommissie presenteerde op 16 december 2011 haar eindrapport. Zij rondde daarmee haar werkzaamheden af en hield op te bestaan. In het eindrapport deed de voormalige Onderzoekscommissie een aantal aanbevelingen, onder meer in het kader van de hulpverlening en genoegdoening aan slachtoffers. Zij zegde toe periodiek de uitvoering van de aanbevelingen door de bestuurlijk verantwoordelijken te zullen monitoren.

Monitorrapportage
Op 28 september jl. publiceerde de voormalige Onderzoekscommissie haar eerste monitorrapportage op de website www.onderzoekrk.nl. De rapportage richt zich op het functioneren van de onafhankelijke Stichting Beheer & Toezicht inzake seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland alsmede de opstelling en medewerking van de Rooms-Katholieke Kerk daarbij.

Klachtenprocedures
De voormalige Onderzoekscommissie constateert in haar monitorrapportage een forse stijging van het aantal klachten dat door slachtoffers is ingediend bij de Klachtencommissie van de Stichting Beheer & Toezicht. Cruciaal in een klachtenprocedure jegens een pleger is steunbewijs, zoals meldingen van medeslachtoffers.

De voorzitter van de Klachtencommissie en de voormalige Onderzoekscommissie maakten de afspraak dat in lopende klachtenprocedures de Klachtencommissie kan vragen of er meerdere meldingen zijn over de aangeklaagde. Deze vraag wordt door de voormalige Onderzoekscommissie uitsluitend met ja of neen beantwoord. In verband met vertrouwelijkheid verstrekt zij nimmer nadere informatie over de meerdere meldingen of namen van medeslachtoffers aan derden.

Uw medewerking bij steunbewijs
In een aantal gevallen is echter nadere informatie over meldingen van medeslachtoffers wenselijk teneinde te komen tot voldoende steunbewijs. Die nadere informatie wordt door de voormalige Onderzoekscommissie thans niet verstrekt. In de eerste plaats omwille van de privacy van melders en de vertrouwelijkheid waarmee zij zich indertijd hebben gemeld. In de tweede plaats omdat meldingen op eigen initiatief en naar eigen inzicht zijn gedaan door slachtoffers en niet per definitie die informatie bevatten, die als steunbewijs kan fungeren.

Uitsluitend in het belang van uw medeslachtoffers doe ik derhalve mede namens de voorzitter van de Klachtencommissie mr. G.A.M. Stevens thans aan u het verzoek om, indien u wenst mee te werken aan klachtenprocedures van mede- slachtoffers, u te melden bij de Klachtencommissie. Natuurlijk hoeft u dat niet (nog eens) te doen als u zich al eerder bij het Meldpunt of de Klachtencommissie hebt gemeld.

U kunt daartoe contact opnemen per email (secretariaat@meldpuntmisbruikrkk.nl) of telefonisch (030-2306900). U krijgt dan een formulier toegestuurd waarop u de benodigde informatie kunt invullen. De informatie wordt door de Klachtencommissie vertrouwelijk opgenomen in een registratiebestand en uitsluitend benut ten behoeve van steunbewijs.

De voormalige Onderzoekscommissie en de Klachtencommissie realiseren zich dat dit verzoek om uw medewerking te verlenen en uw pijnlijke en emotionele ervaringen wederom te delen, belastend kan zijn. U bent uiteraard vrij al dan niet aan het verzoek gehoor te geven. Beide commissies zien het echter als hun morele plicht jegens slachtoffers dit grote beroep te doen op uw bereidheid om uw steun te verlenen aan medeslachtoffers. Zij vertrouwen op uw begrip hiervoor.

Ondersteuning
Indien u naar aanleiding van dit verzoek behoefte hebt aan hulpverlening of contact met lotgenoten, kunt u contact opnemen met Slachtofferhulp Nederland (telefoonnummer 0900-9999001), de Koepel Landelijk Overleg Kerkelijk Kindermisbruik (www.klokk.nl) of het Meldpunt Misbruik RKK
(www.meldpuntmisbruikrkk.nl).

Met vriendelijke groet,
drs. W.J. Deetman

Algemeen contact

Commissie onderzoek naar seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk
Postbus 556
2501 CN Den Haag
E: reactie@onderzoekrk.nl

Voor persinformatie
Gert Jan Verhoog
T 06 – 52 53 98 97  
E g.j.verhoog@gmail.com

Aanmelden nieuwsbrief

Om op de hoogte te blijven van de voortgang van het onderzoek kunt u zich aanmelden voor de periodieke nieuwsbrief door een email te sturen naar reactie@onderzoekrk.nl

Overige informatie

Voor informatie, advies, begeleiding of hulpverlening inzake seksueel misbruik binnen de Rooms-Katholieke Kerk  

Hulplijn Seksueel Misbruik
T 0900-9999001
E contact@hulplijnseksueelmisbruik.nl
W www.hulplijnseksueelmisbruik.nl

Meldpunt Seksueel Misbruik RKK
T 030-2306900
E secretariaat@meldpuntmisbruikrkk.nl
W www.meldpuntmisbruikrkk.nl

KLOKK - Koepel Landelijk Overleg Kerkelijk Kindermisbruik
www.klokk.nl