Tekstgrootte:  A A A

Correspondentie NRC Handelsblad

Hieronder vindt u correspondentie tussen de voormalige commissie-Deetman en de redactie van NRC Handelsblad.

 

 

-----Oorspronkelijk bericht-----

Van: [Onderzoekscommissie RKK]

Verzonden: woensdag 17 augustus 2016 19:10

Aan: [Sjoerd de Jong / Ombudsman NRC]

Onderwerp: reactie op uw vragen

 

Beste Sjoerd de Jong

 

Zoals reeds aangekondigd, reageer ik op verzoek van de heer Deetman als volgt op uw bericht van 9 augustus jl.

 

1.            De heer Deetman is benieuwd van de ombudsman van NRC Handelsblad te vernemen of deze het artikel van Joep Dohmen en de verwerking daarvan in een hoofdredactioneel commentaar aanvaardbaar vindt. Hij is oprecht geïnteresseerd in uw bevindingen, maar kan daarop uiteraard niet vooruitlopen.

 

De heer Deetman heeft eerder te maken gehad met artikelen van Joep Dohmen. Nu eens typeerde Joep Dohmen de heer Deetman als toenmalig lid van de Raad van State, dan weer als (oud-)voorzitter van de onderzoekscommissie naar seksueel misbruik in de RKK, maar ook als betrokken bij andere onderzoeken en actief in maatschappelijke functies. Kennelijk bestaat er bij Joep Dohmen een verhoogde belangstelling voor de persoon van de heer Deetman. De vraag in welke zin de voormalige onderzoekscommissie gebruik zal maken van uw bevindingen is als volgt te beantwoorden: de onderzoekscommissie is ontbonden, zal niet meer tot leven worden gewekt en zal dus ook geen gebruik (kunnen) maken van uw bevindingen.

 

2.            Vanzelfsprekend stel ik u de onder uw tweede punt genoemde informatie ter beschikking. Ik heb beide overeenkomsten met de begeleidende e-mailberichten in attachment bijgevoegd. De eerste overeenkomst was een gezamenlijk voorstel van de onderzoekscommissie en het Nationaal Archief. De tweede een door het Nationaal Archief opgestelde overeenkomst waarover geen overleg voorafgegaan is. Van de besprekingen met het Nationaal Archief bestaan door de archiefbewerker (een door het Nationaal Archief aanbevolen organisatie) gemaakte en door alle partijen geaccordeerde verslagen.

 

3.            Zowel u als ik waren toentertijd bij de zitting van de Raad voor de Journalistiek aanwezig. Joep Dohmen heeft daar te vuur en te zwaard de door mij gewraakte kop boven het artikel verdedigd en hij heeft geen millimeter afstand genomen van de door u zo bekritiseerde manier van citeren. Ook niet onder aanroeping van een eventueel door een eindredacteur begane onzorgvuldigheid. Voor de goede orde wijs ik op een relevant deel van de uitspraak van de Raad voor de Journalistiek waarin het verweer van Joep Dohmen en Joost Oranje wordt weergegeven: ‘Overigens gebruiken verweerders zelden citaatkoppen van personen, zonder de persoon expliciet te vermelden. Dat is hier juist niet gedaan. Daarbij komt dat klager tijdig en voldoende in de gelegenheid is gesteld te reageren op de inhoud en strekking van het artikel. Nu klager dat niet heeft gedaan, konden verweerders de kop formuleren conform de strekking van het artikel.’ De verweerders zijn Joep Dohmen en de hoofdredacteur. Ik zie in uw column geen verwijzing naar ‘een eindredacteur’. U spreekt over ‘de krant’. Het hier geciteerde deel van de uitspraak van de Raad voor de Journalistiek is glashelder en daar doet een algemene term als ‘de krant’ niets aan af. Voor de goede orde meld ik ter voorkoming van misverstanden in nieuwe artikelen in NRC Handelsblad dat de gewraakte kop niet aan mij is voorgelegd.

 

Met vriendelijke groeten

Bert Kreemers

 

 

Van: [Peter Vandermeersch / Hoofdredacteur NRC]
Verzonden: maandag 29 augustus 2016 16:46
Aan: [Onderzoekscommissie RKK]
Onderwerp: RE: Aanvulling slotmonitor

 

 

Geachte mevrouw Elias,

 

Vanwege de vakantieperiode heeft het even geduurd voordat ik in staat was om te reageren op uw e-mail van 21 juli. Inmiddels heb ik mij gebogen over de kwestie en kan ik u inhoudelijk berichten. Wilt u zo vriendelijk zijn mijn reactie door te sturen naar de heer Deetman?

 

 

Reactie op de ‘Aanvulling op de slotmonitor’.

 

 

Geachte heer Deetman,

 

Ik reageer graag op uw verzoek, gedaan via mevrouw Elias, om inhoudelijk te reageren op de ‘Aanvulling op de slotmonitor’. Daarin staat onder meer dat de kop boven het betwiste artikel van 6 juli 2016 feitelijk onjuist is, zoals ook ,,tal van andere beweringen” onjuist zouden zijn. Ook staat in de Aanvulling: ,,Dohmen is vooraf gewezen op feitelijke onjuistheden maar daaraan is hij in het uiteindelijke artikel voorbijgegaan.” Het ,,bedenksel van Dohmen dat het archief nu op slot gaat” wordt volgens de Aanvulling weerlegd.

 

Allereerst dit. Uw wederhoor in het betwiste artikel beslaat drie alinea’s. Het is - gegeven de ruimte - een goede weergave van de reactie die eerder namens u is gegeven. Anders dan in de Aanvulling wordt gemeld heeft uw reactie bovendien geleid tot aanpassingen in het gepubliceerde artikel. Ik geef een voorbeeld. Daar waar eerder in de vragen aan u werd gesproken over een ,,intentieovereenkomst” tussen commissie en archief, is dat na uw reactie in de uiteindelijke tekst veranderd in ,,contact” tussen beide organisaties en ,,een conceptovereenkomst”.

 

De kop meldt dat het archief nu ‘op slot’ gaat. Dat mag gezien worden als beeldspraak. In het artikel wordt dit bovendien genuanceerd. Een deel gaat op slot, of is inmiddels vernietigd. Een ander deel wordt geschoond en is na toestemming en beoordeling door een nieuwe stichting ter inzage. Jurisprudentie maakt duidelijk dat koppen ongenuanceerd mogen zijn, maar wel steun moeten vinden in de tekst. Anders dan in de Aanvulling staat, is de kop overigens niet de pennenvrucht van collega Dohmen maar van de eindredactie. Dat de kop zijn ,,bedenksel” zou zijn is dan ook niet juist.

 

Dat in het artikel zou staan dat het ‘archief van Deetman’ niet meer toegankelijk is,  is eveneens niet waar. Er wordt uitgelegd wat er met de verschillende onderdelen gebeurt of is gebeurd. Het is dan ook onjuist om te stellen dat de auteur in het artikel een ,,poging” onderneemt ,,om te doen voorkomen dat Deetman het archief op slot doet”.

 

Aanleiding voor het artikel is het feit is dat er na afloop van het onderzoek iets gebeurt dat niet voorzien was aan het begin van het onderzoek. Voorzien was: een beheerscommissie en het Nationaal Archief. Dat wordt: een zelfstandige stichting en het archief van de kloostergemeenschappen. Ik stel ook vast dat in de Aanvulling de beheerscommissie die in het leven zou worden geroepen gelijkgesteld wordt met een zelfstandig rechtspersoon als een stichting.

 

De Aanvulling noemt het betitelen van het tweede voorstel van het Nationaal Archief als compromis ,,feitelijk onjuist”. Dat lijkt mij spijkers op laag water zoeken. Het tweede voorstel wijkt immers af van het eerste en bevat onder meer de clausule dat de afspraken niet langer dan een termijn van vijf jaar gaan gelden. Daarna kunnen partijen - als ze dat willen - nieuwe afspraken maken. Dat was een versoepeling.

 

De woordvoerder van de autoriteit meldde voorts dat er één keer telefonisch contact geweest is met de heer Kreemers. Dat is vervolgens schriftelijk aan u voorgelegd. Anders dan in de Aanvulling gesteld wordt, staat ook hierover geen feitelijke onjuistheid in het artikel. Dat er daarna nog één mailtje gestuurd is met louter wat zakelijke verwijzingen voor de heer Kreemers maakt het citaat van de woordvoerder niet onjuist.

 

Ook over de samenstelling van de stichting en de taakomschrijving zouden ,,beweringen” worden gedaan niet ,,niet juist zijn”. In het artikel staat dat er een stichting is opgericht waarin onder meer de heren Deetman en Kreemers zitten. Zij bepalen wie wanneer onder welke condities inzage krijgt. Kijkend naar de taakomschrijving en de samenstelling van de stichting zie ik niet wat hier onjuist aan is.

 

Ik hoop dat dit antwoord tegemoet komt aan uw wens om een inhoudelijke reactie,

 

Hartelijke groeten,

 

Peter Vandermeersch

 

 

Re: Reactie NRC op aanvulling slotmonitor op website

Van: [Onderzoekscommissie RKK]

do 8-9-2016 12:35

Aan: [Peter Vandermeersch / Hoofdredacteur NRC]

 

Geachte heer Vandermeersch

Graag bevestig ik de goede ontvangst van uw bericht van 29 augustus 2016. Graag dank ik u voor uw inhoudelijke reactie.

Ik stel het op prijs op uw reactie als volgt te reageren:

1.       In uw reactie herroept u eerdere in het artikel van Joep Dohmen opgenomen onjuistheden. Ik noem hiervoor als voorbeeld de vierde alinea in uw reactie, waarin u aangeeft dat de feitelijke situatie is dat het archief van de voormalige onderzoekscommissie niet ‘op slot’ is.

2.       In uw reactie staan helaas nieuwe feitelijke onjuistheden.  U stelt dat een deel van het archief is vernietigd. Dat is onjuist. Reeds van het begin af aan is afgesproken dat kopieën van documentatie uit andere archieven geretourneerd zou worden aan de desbetreffende archiefhouder. In overleg met de opdrachtgevers is besloten voor een eenvoudiger procedure te kiezen en de kopieën niet door de archiefhouders maar onder notarieel toezicht te vernietigen. Voor verder onderzoek zijn onderzoekers aangewezen op deze archieven. In het onderzoeksrapport en in het archief van de onderzoekscommissie zijn verwijzingen naar deze archiefbescheiden opgenomen.

3.   In uw reactie wijst u op het tweede voorstel van het Nationaal Archief. U stelt dat het maken van nieuwe afspraken na een periode van vijf jaren een versoepeling zou zijn ten opzichte van het eerste voorstel (dat de instemming van onderzoekscommissie én Nationaal Archief had). Ook het eerste voorstel bevat een vijfjaarlijkse mogelijkheid tot het maken van nieuwe afspraken.

4.      In uw reactie loopt u vooruit op het beheersreglement dat nog in de fase van opstelling verkeert. Daarin komen de voorwaarden te staan voor toegang. Deze voorwaarden zijn gelijk aan wat voor wetenschappelijk onderzoek in archieven gebruikelijk is.

5.      In uw reactie noemt u het een novum dat in plaats van een beheerscommissie er nu een stichting is opgericht. Graag laat ik u weten dat het altijd in het voornemen heeft gelegen om voor de beheerscommissie een juridische basis in de vorm van een stichting te kiezen. Dat betekent ook een jaarlijkse verslaglegging en verantwoording (te verschijnen in de maand mei van het jaar volgend op het verslagjaar) die algemeen beschikbaar is.

6.      Wat de woordvoering van de Autoriteit Persoonsgegevens betreft gaat u er in uw reactie aan voorbij dat het tweede contact van de directeur van de Autoriteit Persoonsgegevens tot een uitgebreid, inhoudelijk contact heeft geleid met het ministerie van Veiligheid en Justitie, de eigenaar en huidige beheerder van het archief van de commissie-Samson.

7.       In uw reactie gaat u niet in op de omvangrijke verzameling van documentatie over seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk die ter redactie van NRC Handelsblad is gevormd. Volgens Joep Dohmen (Vrome zondaars, blz. 16) gaat het onder meer om 700 tussen februari en juni 2010 ontvangen reacties met 423 getuigenissen over seksueel en emotioneel misbruik en ernstige mishandelingen. NRC Handelsblad heeft een klein aantal van deze reacties beschikbaar gesteld aan de onderzoekscommissie, maar het grootste deel niet. Wie dit archief beheert, of het archief toegankelijk is en wie daartoe de voorwaarden bepaalt zijn vragen waarop u het antwoord schuldig blijft. 

Wat betreft de tweede alinea van uw reactie wijs ik u graag op de mogelijkheid om reacties van enige importantie met een link op uw website te plaatsen. Dat verschaft de lezer zelf de mogelijkheid om vast te stellen of de desbetreffende redacteur zorgvuldig met de reactie is omgesprongen. Ik ben voornemens onze correspondentie te plaatsen op de website www.onderzoekrk.nl en sluit hiermee de discussie met u over de berichtgeving in uw krant af.

Met vriendelijke groeten

drs. W.J. (Wim) Deetman

 

 

 

 

-----Oorspronkelijk bericht-----

Van: [Sjoerd de Jong / Ombudsman NRC]

Verzonden: donderdag 8 september 2016 17:06

Aan: [Bert Kreemers / Onderzoekscommissie RKK]

Onderwerp: RE: reactie op uw vragen

 

 

 

Beste Bert Kreemers,

 

Ten langen leste, nu ik na de vakantieperiode met betrokkenen heb kunnen spreken, een reactie op uw verzoek om mijn mening, ten behoeve van de heer Deetman, over het artikel van Joep Dohmen, "Deetman doet het archief nu op slot" (NRC, 6 juli).

 

De Aanvulling op de Slotmonitor van de commissie maakt gewag van enkele feitelijke onjuistheden, deels in het artikel en deels in de correspondentie voorafgaand aan publicatie van het artikel. In het onderstaande beperk ik mij tot de gepubliceerde tekst.

 

Allereerst een algemene opmerking, over de kern van het artikel.

 

Een algemene lezer zoals ik, dus een die niet bekend is met alle details van deze zaak, houdt aan dit artikel (los van de kop) het volgende over.

 

In de eerste plaats dat een voorgenomen vervolg van het werk van de commssie, het onderbrengen van (een deel van) het archief van de commissie bij het Nationaal Archief, niet doorgaat.  Dit omdat de commissie en het Nationaal Archief geen overeenstemming hebben bereikt over de relevante voorwaarden, die raken aan de criteria voor inzage en het waarborgen van privacy.

 

Ten tweede, dat de inmiddels gekozen oplossing erin bestaat dat het betreffende deel van het archief vooralsnog zal worden beheerd door een particuliere stichting, die zal beslissen over de vraag door wie en onder welke voorwaarden het kan worden geraadpleegd.

 

Beide feiten maken het bericht van Dohmen nieuwswaardig. Geen van beide wordt in mijn ogen weersproken door de Slotmonitor.

 

Over de concrete gesignaleerde "feitelijke onjuistheden" het volgende:

 

In de Aanvulling wordt herhaaldelijk als "feitelijke onjuistheid" geconstateerd (en wel "ïn het artikel van Dohmen") dat het archief niet toegankelijk zou zijn. Dat staat echter niet in het stuk; het artikel meldt dat de beheerscommissie bepaalt "wie wanneer onder welke condities inzage krijgt''. Ergo, het archief is volgens het artikel toegankelijk, zij het onder voorwaarden.

 

De kop boven het artikel meldt wel iets anders, namelijk dat het archief "op slot" gaat.

 

Dat is beeldspraak, en die kan hier de verkeerde indruk wekken. Gelukkig is die kop (niet van de hand van Dohmen, maar van de eindredactie) dus niet. Anderzijds, "op slot" kan ook worden opgevat als: niet zomaar of vrij toegankelijk. Immers, wat op slot gaat kan weer worden geopend door wie de sleutel heeft.

 

Al met al zou ik een andere kop beter hebben gevonden, maar denk ik dat de lezer in combinatie met het artikel, waaruit blijkt dat een stichting gaat beslissen over raadpleging van het archief (dat dus niet absoluut "op slot" gaat), geen onjuiste voorstelling van zaken heeft gekregen. 

 

Ook wordt Dohmens keuze van het woord "compromis", als aanduiding voor het tweede voorstel van het Nationaal Archief, aangemerkt als een "feitelijke onjuistheid".  Dat tweede voorstel week volgens de commissie "fundamenteel" af van het eerste voorstel, waarmee de commissie-Deetman had kunnen leven. Met "compromis" wilde Dohmen echter alleen uitdrukken dat het Nationaal Archief beoogde de commissie tegemoet te komen na eerder gerezen complicaties. Over het woord kan men twisten, evident feitelijk onjuist vind ik het niet.

 

Terzijde: mij is niet duidelijk waarom in de Slotmonitor staat dat het tweede (voor de commissie dus onaanvaardbare) voorstel van het Nationaal Archief "geen bepaling" bevatte over na tien jaar "nader te maken afspraken over de toegang tot dat soort privacygevoelige informatie" (p 13).  In de tekst van het voorstel dat u mij bereidwillig bestuurde, luidt Punt 4 dat, wanneer na die tien jaar het archief wordt overgedragen aan het Nationaal Archief, "nadere afspraken [zullen] worden gemaakt over toegang tot het archief. Daarbij kunnen beperkingen aan de openbaarheid worden gesteld". Wellicht begrijp ik dit niet goed, of was deze bepaling de commissie te vrijblijvend.

 

De overwegingen bij dit voorstel bevatten overigens de formulering dat de onderzoekscommissie "het eigendom van het archief en de bevoegdheid tot het geven van toestemming tot raadpleging van het archief vooralsnog aan zichzelf wil houden".  Dat lijkt mij ook precies de strekking van het stuk van Dohmen, zoals ik dat heb begrepen.

 

Over het contact met het College Persoonsgegevens wordt in de Slotmonitor, ten slotte, opgemerkt dat dit méér behelsde dan één telefoongesprek zoals Dohmen schrijft, namelijk een "uitvoerig" telefoongesprek en een e-mailbericht (15 oktober). Van dat laatste is Dohmen niet op de hoogte gesteld, het eerste is in mijn ogen geen correctie op een gemaakte fout.

 

Dohmen zou samenstelling en taak van de beheerscommissie daarnaast onjuist hebben weergegeven. Wat het eerste betreft: de commissie heeft vier leden, Dohmen spreekt van "onder meer" de heren Kreemers en Deetman. De taakstelling van de commissie zoals geciteerd in de Slotmonitor staat mijns inziens niet haaks op wat Dohmen schrijft.

 

In het hoofdredactioneel Commentaar van de krant is stelling genomen tegen de gekozen oplossing voor het archief van de commissie; de krant meent dat over toegang tot het archief beslist dient te worden volgens de regels van het Nationaal Archief. Dat is de uitdrukking van een voorkeur. De formulering dat de Archiefwet "buiten spel" is gezet, beoogt niet meer dan te wijzen op het feit dat de gekozen oplossing het archief-Deetman nu buiten het overheidsdomein plaatst. 

 

Dat de commissie een Aanvulling op de Slotmonitor nodig achtte na dit betrekkelijk korte artikel van Dohmen, kan ik intussen niet anders begrijpen dan in het licht van eerdere onenigheden over de berichtgeving in NRC Handelsblad. Die hebben, begrijp ik, geleid tot een breuk in de verstandhouding tussen de comissie en de krant.

 

Dat valt te betreuren. Juist bij een dergelijk maatschappelijk relevant dossier is een zakelijke, maar open relatie tussen de (voormalige) commissie en krant natuurlijk wenselijk.   

 

Met vriendelijke groet,

 

Sjoerd de Jong

Ombudsman

NRC Handelsblad

 

 

 

Van: [Onderzoekscommissie RKK]
Verzonden: dinsdag 1 november 2016 10:49
Aan: [Ombudsman NRC]
Onderwerp: reactie op NRC ombudsman

 

Aan de heer Sj. de Jong

Ombudsman NRC Handelsblad

 

Geachte heer De Jong

De heer Kreemers was zo vriendelijk het aan hem gerichte, maar voor mij bedoelde bericht van uw hand met als datum 8 september door te zenden.

Graag dank ik u voor uw reactie waarop ik op mijn beurt wens te reageren.

Allereerst sta ik stil bij enkele feiten.

1.      Over de gebezigde woorden ('beeldspraak') in de kop 'Wim Deetman doet het misbruikarchief nu op slot' constateert u een discrepantie tussen de inhoud van het artikel en de genoemde kop boven het artikel. Ik deel – zakelijk weergegeven - uw (weliswaar terughoudend geformuleerde) opvatting dat de kop hier een verkeerde indruk kan wekken en niet gelukkig is.

Aan de andere kant geeft u een interpretatie van 'op slot' als 'niet zomaar of vrij toegankelijk. Immers, wat op slot gaat kan weer worden geopend door wie de sleutel heeft'. Nog los van het feit dat uw interpretatie van 'op slot' zo evenzeer op kan gaan voor stukken die berusten bij het Nationaal Archief vrees ik dat deze uitleg voorbijgaat aan een zeker aantal publicaties van uw redacteur met als teneur dat het onderzoek door de commissie en mij bovenal een soort doofpot-operatie betrof op instigatie van de RKK. Tegen die achtergrond is dit 'op slot' in de kop wellicht minder onschuldig dan het op het eerste gezicht lijkt.

Wat de lezer behulpzaam had kunnen zijn was vermelding in het artikel van de reden dat een stichting gaat beslissen over raadpleging van het archief. Die reden is gelegen in de toezegging door de commissie en mij van strikte vertrouwelijkheid aan mensen die met hun informatie meewerkten aan het onderzoek. Onder deze mensen bevinden zich slachtoffers van wie hun naaste omgeving tot op de dag van vandaag geen weet heeft van het seksueel misbruik. Deze slachtoffers willen hun pijnlijke ervaringen onder geen beding delen met hun omgeving en waren uitsluitend onder absolute geheimhouding bereid voor het onderzoek mij hun pijnlijke ervaringen te vertellen. Vermelding van deze reden had de lezer een evidente verklaring geboden voor het hoe en waarom van de noodzakelijk waarborgen. Dat vermelding van deze reden in het artikel achterwege bleef lijkt te passen in een patroon waarop ik verderop terug zal komen.

U legt de verantwoordelijkheid voor de kop bij ‘de eindredactie’. Nog daargelaten of de eindredactie hierbij handelde op suggestie van de redacteur in kwestie zal diens artikel als basis hebben gediend van deze kop waarvoor uw krant tekent.

2.      

Bijlage

 

E-mailbericht van 15 oktober 2014 om 10.07 uur van directeur CBP aan oud-secretaris van de Onderzoekscommissie:

‘Goedemorgen Bert,


Bijgaand twee contact personen die nadrukkelijk betrokken zijn geweest 
bij de afhandeling van de commissie Samson. Graag verwijs ik naar hen 
door. Als u evenwel alsnog vragen heeft hoor ik natuurlijk graag.


·      [naam]
·      [naam]: zij is thans werkzaam bij Justis en 
bereikbaar op [mobiel nummer]. Zij is onder meer betrokken geweest bij het 
opstellen van het reglement inzake het archief. Ze heeft laten weten 
op dat punt zeker vragen te kunnen beantwoorden. Zij is niet betrokken 
geweest bij de schaderegelingen en de uitvoering daarvan.

Ten aanzien van de specifieke vraag die mij telefonisch stelde luidt 
het antwoord dat u indien de gegevens niet langer dan noodzakelijk 
dienen te worden bewaard dan het doel/de doelen waarvoor deze zijn 
verkregen.


Ik hoop dat u hiermee verder kunt.


Hartelijke groet,

Paul Frencken

Schriftelijke vastlegging gesprek tussen directeur CPB en oud-secretaris van de Onderzoekscommissie:

‘Graag dank ik u voor het recent gevoerde overleg en bevestig ik gaarne dat in overeenstemming met de door u in dat gesprek aangedragen uitgangspunten de inrichting en afwikkeling van het archief en de daarin geboekte individuele zaken vorm wordt gegeven en afgewerkt.

Ik geef u weer wat de stand van zaken op dit moment is.

Het archief van de onderzoekscommissie (met inbegrip van het vervolgonderzoek maar exclusief HEG) is gearchiveerd conform de normen van het Nationaal Archief. De definitieve inventaris dateert van 30 mei 2013. Dit archief bestaat uit vier te onderscheiden delen:
1. De meldingen. Deze dienen na afronding van de werkzaamheden waarvoor ze zijn verkregen (in casu onderzoek) te worden geanonimiseerd en als dat niet mogelijk is vernietigd, bij voorkeur onder notarieel toezicht. Ik zal de voormalige leden binnenkort hierover inlichten en mochten zij gelet op de Terms of reference hiertegen geen bezwaren hebben) een vernietigingsplan opstellen. Deze Terms of reference horen bij de onderzoeksopdracht en bieden de voormalige leden de mogelijkheid met inachtneming van regels en gebruiken van zorgvuldigheid en bescherming van persoonsgegevens over het historische deel van het onderzoeken te publiceren. Enkele publicaties zijn in voorbereiding.
2. Uit archieven van bisdommen, ordes en congregaties verkregen archiefbescheiden. Deze zullen worden geretourneerd. Hiertoe worden nadere afspraken met de opdrachtgevers gemaakt.
3. Verslagen en informatie die betrekking hebben op degenen waarmee de commissie heeft gesproken cq waarnaar onderzoek is gedaan. Deze informatie blijft onder het beheer van de beheercommissie. Ter aanvulling teken ik hierbij aan dat deze personen vertrouwelijkheid is toegezegd. De beheercommissie bestaat uit de heren drs. W.J. Deetman en mr. P. Kalbfleisch, mevrouw dr. M.K. Houppermans alsmede mijzelf. Ik heb een notaris gevraagd voor de commissie een beheersreglement op te stellen.

Wat HEG betreft gaat het om de volgende archiefbestanddelen:
1. Ongeveer 60 mappen met ongeveer 3500 meldingen en klachten in duplicaat afkomstig uit de archieven van de commissie en van het Meldpunt. Deze melders en klagers komen niet in aanmerking voor de HEG-regeling. U heeft erop gewezen dat deze duplicaten niet langer dienen te worden bewaard dan het doel waarvoor deze zijn verkregen.
2. Ongeveer 440 dossiers van personen die in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming. Van deze 440 zijn 330 dossiers volledig behandeld, maar 110 personen hebben nog geen gebruik gemaakt van het aanbod van een financiële tegemoetkoming. Deze dossiers worden bewaard zolang op het aanbod voor een financiële tegemoetkoming kan worden ingegaan.
3. Enkele tientallen dossiers van personen die informatie bevatten die van belang zou kunnen zijn voor een eventuele slotactie. Deze dossiers worden bewaard totdat deze slotactieregeling er is.

U heeft mij nadrukkelijk gewezen op de commissie Samson, waarvan het Reglement van het archief te vinden is op
www.wetten.nl.’

Ik moet constateren dat uw redacteur wel degelijk – en in detail - op de hoogte was van alle contacten tussen CBP en de voormalige onderzoeksmanager, maar deze aan hem verstrekte informatie heeft genegeerd. Ik moet ook constateren dat uw bevindingen kennelijk niet berusten op kennis ter zake van mijn reactie aan Dohmen van 5 juli 2016.

3. Dohmen schreef in zijn artikel dat de Onderzoekscommissie een aan haar voorgelegde overeenkomst met het Nationaal Archief niet wenste te ondertekenen. Dat is onjuist. De aan mij voorgelegde overeenkomst van het voorjaar van 2012 berustte op overeenstemming tussen Nationaal Archief en onderzoekscommissie. In 2013 kreeg ik een geheel andere overeenkomst voorgelegd, die Dohmen een ‘compromisvoorstel’ noemt. Daarin werd, anders dan Dohmen tegenover u beweert, niet tegemoetgekomen aan wensen van de onderzoekscommissie. Die waren immers al ingewilligd in het voorjaar van 2012. Het is dan ook het Nationaal Archief dat terugkwam op een eerder overeengekomen regeling.

4. Naar aanleiding van uw reactie met betrekking tot het hoofdredactioneel commentaar onder de titel 'Gijzel misbruik-archief niet' merk ik op dat dit, in het verlengde van het artikel van Dohmen, een stelling betrekt die de genoemde reden van noodzakelijke waarborgen van vertrouwelijkheid onvermeld laat. Strekking en woordkeus van het hoofdredactioneel commentaar wekken de indruk van een commissie en voorzitter die, in weerwil van respect voor de slachtoffers, het archief dreigen te gijzelen. Zelf zou ik bovendien het archief bejegenen 'alsof het zijn privé-archief betreft'.

Ook het hoofdredactioneel commentaar stelt ten onrechte dat de commissie onder mijn leiding terugkwam op 'de afspraak met het Nationaal Archief' (zie punt 3 van deze reactie).


Bij het hoofdredactioneel commentaar tekent u aan: 'De formulering dat de Archiefwet ‘buiten spel’ is gezet, beoogt niet meer dan te wijzen op het feit dat de gekozen oplossing het archief-Deetman nu buiten het overheidsdomein plaatst'. Uitzonderlijk is dat niet. Zo zal ook NRC Handelsblad over tal van archieven beschikken, waaronder (volgens Dohmen in zijn boek ‘Vrome zondaars’) een uitgebreid archief over seksueel misbruik in de RKK. Alleen al meer dan 700 meldingen waarvan meer dan 400 ‘getuigenissen’ van seksueel misbruik en geweld. Ook op dit archief is de Archiefwet niet van toepassing. Maar dat terzijde.

5. In de slotmonitor heb ik uitgebreid aandacht besteed aan de berichtgeving in NRC Handelsblad (van Dohmen) over geheimhoudingsclausules in mediationovereenkomsten en in schikkingen. De bevindingen van Dohmen heb ik onderschreven en op grond van onderzoek heb ik geconcludeerd dat deze misstand nog groter is dan Dohmen heeft beschreven. Daar waar Dohmen feiten geen recht doet en (zie punt 2 van deze reactie) geen acht slaat op door mij verstrekte informatie (en later tegenover u ontkent over deze kennis te beschikken) meen ik te mogen opkomen voor een waarheidsgetrouwe weergave van feiten in uw krant.

Tot slot nog dit. U betreurt 'een breuk in de verstandhouding tussen de commissie en de krant' en meent: 'Juist bij een dergelijk maatschappelijk relevant dossier is een zakelijke, maar open relatie tussen de (voormalige) commissie en krant natuurlijk wenselijk'. Op zichzelf ben ik dit bepaald met u eens. Daarom ook betrachtte de voormalige onderzoekscommissie een zo groot mogelijke openheid en voorzag zij uw krant van een grote hoeveelheid informatie.

Het zal u duidelijk zijn dat ik mede om het door u genoemde belang hechtte aan uw eigenstandige, bezonken oordeel. Helaas moet ik vaststellen dat uw reactie op beargumenteerde kritiek van de (voormalige) commissie en mij op de onderhavige publicatie van uw redacteur Dohmen hoofdzakelijk blijft steken in een poging tot weerlegging en verdediging. Intussen zal het u niet zijn ontgaan dat sinds het najaar van 2010 meer dan enkele artikelen van diens hand verschenen die min of meer de integriteit ter discussie stellen van de commissie en haar onderzoek, evenals van mij als commissievoorzitter en mij persoonlijk. Misschien zou enige zelfreflectie hierop inzicht en begrip van uw kant nog kunnen verdiepen.

Met vriendelijke groeten

drs. W.J. Deetman

Autoriteit Persoonsgegevens geeft onjuiste persvoorlichting toe

De briefwisseling met de Autoriteit Persoonsgegevens is te vinden via deze link.

Persbericht naar aanleiding van aanvulling op slotmonitor

Aanvulling op slotmonitor: openbaarheid en zorgvuldigheid uitgangspunt

Deetman betreurt feitelijke onjuistheden in publicaties NRC over archief van commissie

 

DEN HAAG – 20 juli 2016 – Openbaarheid en zorgvuldigheid wegens toegezegde vertrouwelijkheid zijn, evenals geldende wet- en regelgeving, uitgangspunt bij de toegang tot het archief van de voormalige Commissie Deetman. In een aanvulling op de zogeheten slotmonitor weerlegt oud-voorzitter drs W.J. (Wim) Deetman van de toenmalige commissie een reeks feitelijke onjuistheden en andere misvattingen in publicaties van redacteur J. (Joep) Dohmen onder de kop ‘Wim Deetman doet het misbruikarchief nu op slot’ en ‘Het archief gaat nu op slot’ in NRC Handelsblad en NRC Next van 6 juli jongstleden. Beide koppen ‘wekken volstrekt ten onrechte de indruk’ dat het commissiearchief niet toegankelijk is. Deetman betreurt de feitelijke onjuistheden in deze berichtgeving.

 

De aanvulling op de slotmonitor gaat in ‘op feitelijke onjuistheden in op 6 juli 2016 in nrc.next en in NRC Handelsblad verschenen artikelen’, begint de aanvulling. ‘Op 6 juli 2016 verscheen in nrc.next en later die dag ook in nrc Handelsblad een artikel van de hand van de heer J. (Joep) Dohmen met de aanhef ‘Het archief gaat nu op slot’ en ‘Wim Deetman doet het misbruikarchief nu op slot’. Beide koppen wekken volstrekt ten onrechte de indruk dat het archief van de voormalige Onderzoekscommissie (verder: de Onderzoekscommissie) niet toegankelijk is. Dat is feitelijk onjuist. Even onjuist als tal van andere beweringen in het in nrc.next en NRC Handelsblad geplaatste artikel.’

‘Dohmen heeft op 5 juli 2016 enkele tekstdelen van zijn artikel voor commentaar voorgelegd. Daarop is een uitgebreide reactie gevolgd die in bijlage 1 (van de aanvulling, red.) is opgenomen. Waar Dohmen in de reactie is gewezen op feitelijke onjuistheden, is hij aan deze reactie in het uiteindelijk verschenen artikel voorbijgegaan’. Op 12 juli 2016 verscheen in NRC Handelsblad onder de kop ‘Gijzel misbruik-archief niet’ een hoofdredactioneel commentaar ‘waarin wordt beweerd dat ‘een betrokken partij’ door Deetman de toegang tot het archief kan worden ontzegd. Ook zou de Archiefwet buiten spel zijn gezet’.([1])

 

Onvolledige en onjuiste informatie

In bijlage 3 van deze aanvulling op de slotmonitor gaat oud-voorzitter Deetman van de Onderzoekscommissie ook in ‘op onvolledige en onjuiste informatie over zijn activiteiten die in de aanloop naar de hoorzitting van de vaste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie op 29 juni 2016 zijn verstrekt aan deze vaste Kamercommissie’.

‘In deze door enkele onvolledige en/of onjuiste berichtgevingen in de media opportuun geachte aanvulling op de slotmonitor benadrukt de oud-voorzitter van de Onderzoekscommissie, dat inrichting en effectuering van de archivering van de stukken van de Onderzoekscommissie, na overleg met het College voor de Bescherming van Persoonsgegevens (thans: de Autoriteit Persoonsgegevens) en mede op aanwijzing van vertegenwoordigers van het ministerie van Veiligheid en Justitie, plaatsvinden overeenkomstig de ter zake geldende wetgeving op het gebied van privacy en archivering. Zoals dat ook reglementair is vastgelegd door de minister van Veiligheid en Justitie voor het archief van de commissie-Samson.’

 

Recht doen

‘Met de thans geëffectueerde wijze van archivering wordt recht gedaan aan de jegens de slachtoffers/aangevers gegeven individuele vertrouwelijkheid met betrekking tot hun meldingen en berichten over seksueel misbruik, met welke toezeggingen destijds alle relevante betrokkenen akkoord zijn gegaan en welke toezeggingen ook overigens niet buitenproportioneel waren en zijn, al was het maar, omdat zonder dergelijke toezeggingen het onderzoek van de Onderzoekscommissie nooit van de grond zou zijn gekomen, alsmede, naar de ervaring heeft geleerd, omdat vele slachtoffers/aangevers zelf anonimiteit via vertrouwelijkheid nastreefden.’

‘Daarbij is het goed te benadrukken, dat voor de effectiviteit van de raadpleging van de archieven voor wetenschappelijke doeleinden het niet uitmaakt, dat het archief niet bij het Nationaal Archief, zoals aanvankelijk in de bedoeling lag, maar bij het Erfgoedcentrum Kloosterleven wordt ondergebracht, nu in beide gevallen een speciaal daartoe in het leven geroepen commissie ervoor waakt, dat toegang voor wetenschappelijk onderzoek wordt toegestaan binnen de kaders van de hiervoor genoemde relevante wetgeving en vertrouwelijkheidstoezeggingen. Het bedenksel van Dohmen dat ‘het archief nu op slot gaat’, is hiermee weerlegd.’ Na dit begin van de aanvulling op de slotmonitor volgt puntsgewijs een uitvoerige toelichting.

 

Commissie Deetman

De onafhankelijke Commissie Deetman deed onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK in Nederland. Dit onderzoek besloeg de periode tussen 1945 en 2010. Medio december 2011 presenteerde de Commissie Deetman het eindrapport van haar wetenschappelijk onderzoek in opdracht van de Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen. Dit onderzoeksrapport bracht aard, omvang en omstandigheden van, als ook de verantwoordelijkheden voor dit seksueel misbruik in beeld, evenals de gevolgen van dit misbruik voor slachtoffers en hun omgeving.



(1) ‘De Archiefwet heeft betrekking op overheidsorganen: De overheidsorganen zijn verplicht de onder hen berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van de daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. (Artikel 3)‘

 

Aanvulling op de slotmonitor mede naar aanleiding van berichtgeving in NRC.NEXT en NRC Handelsblad van 6 en 12 juli 2016

De aanvulling op de slotmonitor mede naar aanleiding van berichtgeving
in NRC.NEXT en NRC Handelsblad van 6 en 12 juli 2016 is te raadplegen via deze link.

Openbaarheid en zorgvuldigheid uitgangspunten bij toegang tot het archief van de toenmalige Onderzoekscommissie seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk

Openbaarheid en zorgvuldigheid uitgangspunten bij toegang tot het archief van de toenmalige Onderzoekscommissie seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk

 

Op dinsdag 5 juli 2016 heeft de heer J. (Joep) Dohmen het volgende verzoek aan de oud-voorzitter van de voormalige Onderzoekscommissie voorgelegd.

 

‘Voorafgaand aan het onderzoek van de commissie-Deetman stelde de heer Deetman in 2010 met de Kerk een protocol op over de vertrouwelijkheid van persoonlijke gegevens. Daarin staat dat het archief van zijn commissie ,,wordt ondergebracht bij het Nationaal Archief”. 

In de vorige week gepresenteerde slotmonitor meldt de heer Deetman inmiddels een deel van zijn archief, waaronder kopieën van kerkelijk archiefmateriaal, vernietigd te hebben. Een ander deel, zoals gespreksverslagen, brengt hij bij een notaris onder met de opdracht tot strikte geheimhouding.

De rest, zoals werkdocumenten en deelonderzoeken, gaat ook niet naar het Nationaal Archief. Het komt in handen van de onlangs opgerichte Stichting Archief Commissie-Deetman. In het bestuur zit Wim Deetman zelf, samen met onder meer een lid van de voormalige onderzoekscommissie, Pieter Kalbfleisch. Het bestuur toetst zelf wie wanneer onder welke condities inzage krijgt.

Eerder blijkt echter al ,,een intentieovereenkomst” tussen de commissie-Deetman en het Nationaal Archief te zijn gesloten. De commissie zou de documenten in bewaring geven. Waarom is dat niet gebeurd? Volgens de algemene rijksarchivaris komt het er  - kort gezegd – op neer dat beiden ,,het niet eens konden worden over de procedure tot openbaarmaking. De commissie eiste dat niet de rijksarchivaris maar de leden van de commissie zelf over elk verzoek tot raadpleging zouden beslissen. Dat was niet uitvoerbaar en het was in strijd met de Archiefwet. Die regelt dat de rijksarchivaris beslist over verzoeken tot inzage.”

Graag jullie (korte) reactie.

Tegen de Tweede Kamer zei de heer Deetman vorige week dat er ,,privacybezwaren” waren die overdracht aan het Nationaal Archief tot nu toe verhinderen. Dat zou de uitkomst van ,,advies” van de Autoriteit Persoonsgegevens zijn.

De autoriteit meldt desgevraagd dat er één keer telefonisch contact geweest is met de commissie. ,,Bijzondere persoonsgegevens moeten inderdaad vernietigd worden als ze niet meer nodig zijn voor het doel waarvoor ze zijn verzameld. Maar de wet biedt een uitzondering voor wetenschappelijk onderzoek.”

Graag jullie (korte) reactie.’

De heer Dohmen is het volgende meegedeeld:

1.      Op bladzij 491 van het onderzoeksrapport staat het volgende vermeld:

‘Verschillende delen van het archief van de Onderzoekscommissie zullen onder de gebruikelijke voorwaarden toegankelijk zijn voor wetenschappelijk onderzoek. Het hele archief, dus ook delen die niet onder de gebruikelijke voorwaarden toegankelijk zijn voor derden, zal worden beheerd door een beheerscommissie waarin oud-leden en oud-medewerkers van de Onderzoekscommissie zitting hebben. Zij beslissen over inzage in de inventarisnummers van dit archief en over de voorwaarden waaronder inzage wordt toegestaan […].’

De op 25 januari 2016 opgerichte stichting is – anders dan de heer Dohmen suggereert – de hierboven bedoelde beheerscommissie.

2.      Het archief van de Onderzoekscommissie bestaat uit drie delen:

A.    Meldingen van slachtoffers over seksueel misbruik en over geweld. Deze melders is schriftelijk vertrouwelijkheid toegezegd, in menig geval op nadrukkelijk verzoek van de slachtoffers.

Ruim tweehonderd verslagen van gesprekken met slachtoffers en andere betrokkenen. Deze personen is vertrouwelijkheid toegezegd.

B.     Kopieën van bestanden uit kerkelijke archieven.

C.     Werkdocumenten, deelonderzoeken en andere voor wetenschappelijk onderzoek relevant materiaal.

3.      Anders dan gebruikelijk is het archief geen eigendom van de opdrachtgevers, maar is in eigendom gegeven van de heer Deetman, met dien verstande dat de afspraak is gemaakt dat die bestanden die afkomstig zijn van kerkelijke archieven aan de opdrachtgevers geretourneerd zouden worden. Met het oog hierop is een uitgebreide verantwoording van de deelonderzoeken in kerkelijke archieven in het onderzoeksrapport opgenomen en zijn van de verwijderde bestanden beschrijvingen gemaakt en in het archief opgenomen. Na nader overleg met de opdrachtgevers zijn deze bestanden niet geretourneerd (aanvankelijk was het de bedoeling dat ze na ontvangt zouden worden vernietigd, maar onder notarieel toezicht vernietigd). De notaris heeft van de bewerking van dit deel van het archief en de vernietiging proces-verbaal opgemaakt.

4.      Kort na de publicatie van het onderzoeksrapport is de oud-secretaris van de Onderzoekscommissie gesprekken begonnen met het Nationaal Archief. Van deze gesprekken (1 februari 2012, 10 februari 2012 en 27 februari 2012) zijn verslagen gemaakt door het bedrijf dat met de feitelijke archivering was belast. De verslagen zijn geaccordeerd door het Nationaal Archief. Bij de archivering is te werk gegaan volgens de richtlijnen van het Nationaal Archief. In de gesprekken waren er echter twee problemen:

-          Technische voorzieningen voor de toegang tot de SPSS-bestanden met data van het TNS-NIPO onderzoek

-          De beperkingen ten aanzien van de onder 2 A. genoemde meldingen en verslagen.

5.      Voor de toegang tot de SPSS-bestanden moesten op verzoek van het Nationaal Archief technische voorzieningen worden getroffen die nogal kostbaar en tijdrovend zouden zijn.

6.      Ten aanzien van het beheer door de beheerscommissie is voorgesteld toestemming voor toegang tot het archief voor een periode tot 2052 aan de beheerscommissie over te laten. Voor de meldingen zou 2072 als periode gelden met beperkingen voor de toegankelijkheid. Het Nationaal Archief liet uiteindelijk weten – na aanvankelijk zich te kunnen vinden in deze regeling (e-mailbericht van 20 februari 2012) – met deze regeling niet te kunnen instemmen. Toestemming tot toegang zou in handen komen te liggen van het Nationaal Archief. Dit was met het oog op de aan slachtoffers toegezegde vertrouwelijkheid van hun meldingen een onoverkomelijk probleem. Openbaarheid en zorgvuldigheid zijn immers in verband met de toegezegde vertrouwelijkheid uitgangspunt.

7.      Eind 2012 spraken Deetman en de toenmalige Rijksarchivaris elkaar, waarna op 5 februari 2013 aan de heer Deetman een nieuwe overeenkomst is voorgelegd waarin het Nationaal Archief de onder 6. genoemde periode wilde wijzigen in een periode van vijf jaar, met de mogelijkheid van een verlenging met nog eens vijf jaar. Dat leverde geen oplossing op voor een verantwoorde en zorgvuldige omgang met de aan slachtoffers toegezegde vertrouwelijkheid. Vervolgens is het overleg opgeschort in verband met de raadpleging van de archieven ten behoeve van de regeling hulp, erkenning, genoegdoening voor excessief geweld en voor de slotactie. Anders dan Dohmen beweert, is er nimmer een (intentie)overeenkomst gesloten. Het Nationaal Archief heeft Dohmen vandaag ook op deze feitelijke onjuistheid gewezen.

8.      Deetman heeft medewerking verleend aan (wetenschappelijk) onderzoek in delen van het archief van de Onderzoekscommissie. Het betreft onder meer het onderzoek van Van Boven en Koster naar de rol van het Openbaar Ministerie bij de vervolging van geestelijken in zedenzaken en het onderzoek van professor Vijselaar naar therapeutische castratie.

9.      Met het oog op een verantwoorde overdracht van het archief is op 15 oktober 2014 contact opgenomen met de directeur van het College Bescherming Persoonsgegevens (CPB). Er heeft een uitvoerig telefonisch gesprek plaatsgevonden waarbij nadrukkelijk is gewezen op de regeling voor het archief van de commissie-Samson die als model diende voor het archief van de Onderzoekscommissie. Het besprokene in dat gesprek is schriftelijk vastgelegd (zie bijlage). Voor de duur van haar eigen onderzoek kon de Onderzoekscommissie gebruik maken van de mogelijkheden die de Wet bescherming persoonsgegevens biedt voor onderzoek.

10.  De regeling voor het archief van de Samson-commissie (met meldingen van seksueel misbruik van minderjarigen in de jeugd- en pleegzorg) voorziet in anonimisering van de meldingen. Als dat niet mogelijk is, moeten de meldingen worden vernietigd. Voor de meldingen in het archief van de Onderzoekscommissie is gekozen voor anonimisering.

11.  Nu de slotactie nagenoeg is afgerond is het de bedoeling het archief onder te brengen bij een archieforganisatie waar het (beter) mogelijk is voor wetenschappelijke doelen toegang te hebben tot de onder 2 A en 2 C genoemde bestanden. Om ook met zo weinig mogelijke praktische problemen toegang te krijgen tot de onder 2 B genoemde bestanden heeft de oud-secretaris van de Onderzoekscommissie begin dit jaar gesproken met het Erfgoedcentrum Kloosterleven, dat bereid is het archief te beheren en daartoe afspraken wil maken met het bestuur van de Stichting. Voor inzage in het archief wordt een reglement opgesteld. Voor het reglement is bij de notaris en bij een onafhankelijke jurist advies ingewonnen. De Stichting dient over het reglement nog te besluiten. Zodra het reglement is vastgesteld, volgt een definitief besluit over onderbrenging van het archief bij het Erfgoedcentrum Kloosterleven.

12.  De verslagen van gesprekken worden vooralsnog ondergebracht bij een notaris. Te zijner tijd worden deze verslagen ondergebracht bij de instantie die het archief van de Onderzoekscommissie beheert. Voor de goede orde zij nogmaals vermeld dat het verslagen betreft van gesprekken met personen aan wie vertrouwelijkheid is toegezegd. Openbaarheid en zorgvuldigheid in verband met de toegezegde vertrouwelijkheid zijn ook hier uitgangspunt.

Den Haag, 5 juli 2016

‘De Autoriteit Persoonsgegevens kan vanaf 1 januari 2016 organisaties een boete opleggen als zij de Wet bescherming persoonsgegevens overtreden. De maximale boete is 820.000 euro.’ (Bron: www.autoriteitpersoonsgegevens.nl)

Slotmonitor commissie-Deetman en bijbehorende persberichten

De slotmonitor van de voormalige Commissie Deetman is te vinden via deze link.

 

Op deze website vindt u onder dit nieuwsbericht de onderstaande drie persberichten:

1. 'Oproep voormalige Commissie Deetman: Hef geheimhoudingsplicht in overeenkomsten op voor slachtoffers van seksueel misbruik RKK'.

2. 'Slotactie: alsnog erkenning en genoegdoening voor klagers met niet gegrond verklaarde klacht'.

3. 'Voormalige Commissie Deetman in slotmonitor: RK kerk in algemeen bewust van belang van erkenning, genoegdoening en hulp aan slachtoffers van misbruik'.

Persbericht naar aanleiding van slotmonitor voormalige Commissie Deetman

Oproep voormalige Commissie Deetman:

Hef geheimhoudingsplicht in overeenkomsten op voor slachtoffers van seksueel misbruik RKK

 

DEN HAAG – 28 juni 2016 – Geheimhoudingsbepalingen in overeenkomsten met slachtoffers moeten niet langer voor deze slachtoffers gelden. Dit adviseert de voormalige Commissie Deetman met klem de Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR). De voormalige commissie doet dit in haar slotmonitor die ze vandaag uitbracht. De onafhankelijke commissie onder voorzitterschap van drs W.J. (Wim) Deetman deed onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) in Nederland.

 

De toenmalige onderzoekscommissie doet deze oproep op basis van onderzoek onder leiding van Deetman naar 354 overeenkomsten tussen slachtoffers van seksueel misbruik en vertegenwoordigers van de RKK in Nederland. Hiervan bevatten de meeste overeenkomsten geheimhoudingsbepalingen. Deetman constateert op basis van dit onderzoek een gebrek aan transparantie en dringt aan op een open omgang met deze overeenkomsten. (Zie de bijlage van dit persbericht voor de betrokken conclusie en aanbevelingen uit de slotmonitor.)

 

Medio december 2011 presenteerde de Commissie Deetman het eindrapport van haar wetenschappelijk onderzoek in opdracht van de Bisschoppenconferentie en de KNR dat de periode besloeg tussen 1945 en 2010. In dit onderzoeksrapport kondigde de commissie aan de uitvoering van haar aanbevelingen door de RKK te zullen volgen en van de stand van zaken publiekelijk verslag te doen. De voormalige commissie deed dit in monitoringrapportages, waarvan de zogeheten slotmonitor de laatste is.

 

Openbaarheid als hoeksteen

De Onderzoekscommissie en Deetman, die leiding gaf aan enkele onderzoeken in aanvulling op het commissierapport, onderschreven in hun adviezen het belang van mediation. Wel wezen zij hierin ook op de noodzaak van openbaarheid en transparantie bij de behandeling van klachten: ‘Dit alles met als hoeksteen openbaarheid’. Geheimhoudingsbepalingen verdragen zich dan ook niet met de eerdere adviezen en aanbevelingen van de Onderzoekscommissie, meent Deetman.

 

Het is aan het slachtoffer, zo benadrukt Deetman in zijn onderzoek, om te kiezen voor de manier waarop de klachten over het seksueel misbruik worden behandeld. Dat kan via de onafhankelijke Klachtencommissie, die haar uitspraken geanonimiseerd publiceert. Maar dat kan ook met behulp van mediation of via een minnelijke schikking. De lotgenotenorganisaties maakten zich er steeds sterk voor dat mediation één van de mogelijke trajecten zou moeten zijn die leiden naar erkenning en genoegdoening voor slachtoffers.

 

Mediation

De slotmonitor stelt vast dat er minstens 369 mediation- en schikkingsovereenkomsten zijn met slachtoffers. Een aantal congregaties heeft Deetman niet geïnformeerd over vijftien met deze congregaties gesloten overeenkomsten. Van de onderzochte 354 overeenkomsten bevatten er 261 wat bewoording betreft uiteenlopende geheimhoudingsbepalingen. De meeste overeenkomsten (190) kwamen tot stand met behulp van mediation door de Stichting Triptiek, de zogeheten Drieluik Herstelbemiddeling, waarvoor lotgenotenorganisaties altijd pleitten.

 

Bij de 369 overeenkomsten gaat het in 18 gevallen om overeenkomsten met bisdommen (waarvan 6 met geheimhoudingsbepalingen) en in 351 gevallen om overeenkomsten met ordes en congregaties (waarvan in ieder geval 255 met geheimhoudingsbepalingen). Verreweg de meeste overeenkomsten kwamen tot stand nadat het eindrapport van de Commissie Deetman aard, omvang en omstandigheden van, als ook de verantwoordelijkheden voor seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK binnen Nederland bekendmaakte, evenals de gevolgen van dit misbruik voor slachtoffers en hun omgeving.

 

Zelf was Deetman vanuit diens onafhankelijkheid en gezag betrokken bij twee schikkingsovereenkomsten, beide op zijn verzoek zonder geheimhoudingsbepaling. De klachten van beide slachtoffers zijn bij de Klachtencommissie bekend en één klacht diende ook als steunbewijs in een andere klachtbehandeling.

 

Steunbewijs voor Klachtencommissie

Voor de Klachtencommissie is informatie in dit soort overeenkomsten van belang om als steunbewijs te dienen bij de behandeling van klachten van andere slachtoffers. De meeste overeenkomsten beperken de mogelijkheid van steunverklaring. In enkele overeenkomsten wordt dat zelfs expliciet verboden. Slechts 21 overeenkomsten met geheimhoudingsbepalingen staat het leveren van steunbewijs expliciet toe. De Klachtencommissie is op dit moment op de hoogte van de inhoud van 303 overeenkomsten. In de overeenkomsten met een aantal congregaties zijn de namen van aangeklaagden evenwel verwijderd.

 

De afhandeling van misbruikzaken door overeenkomsten met geheimhoudingsbepalingen was eerder dit jaar onderwerp van publiciteit. Het onderzoek onder leiding van Deetman heeft feitelijk niet kunnen vaststellen dat hierbij sprake was van al dan niet bewust uitgeoefende dan wel gevoelde druk op slachtoffers om specifieke gevallen van seksueel misbruik buiten de openbaarheid te houden.

Persbericht naar aanleiding van slotmonitor voormalige Commissie Deetman

Slotactie: alsnog erkenning en genoegdoening voor klagers met niet gegrond verklaarde klacht

 

DEN HAAG – 28 juni 2016 – De zogeheten slotactie biedt 144 klagers over seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) alsnog erkenning en genoegdoening. Hiernaast bereikten 72 klagers overeenstemming over een minnelijke schikking. De voormalige onderzoekscommissie onder voorzitterschap van drs W.J. (Wim) Deetman maakte dit vandaag bekend in de slotmonitor, haar afsluitende monitoringsrapportage.

 

De onafhankelijke Klachtencommissie voor klachten over seksueel misbruik in de RKK behandelde naar de stand van zaken op 1 juni 2016 1.727 klachten. Hiervan verklaarde de Klachtencommissie 311 klachten van 249 klagers niet gegrond. De slotactie richt zich op klagers die zich ter ondersteuning van hun klacht alleen konden beroepen op hun eigen verklaring en niet konden beschikken over verder steunbewijs, terwijl hun klacht authentiek en geloofwaardig is.

 

De Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) lieten eerder weten dat deze klagers alsnog erkenning en genoegdoening zouden kunnen krijgen. Ze vroegen Deetman een voorstel voor een regeling hiertoe te doen en belastten de onafhankelijke Slotactiecommissie met de uitvoering hiervan. Deze Slotactiecommissie bestaat uit mr P. (Pieter) Kalbfleisch, dr W. (Willie) Langeland, mr G.A.M. (Wiel) Stevens en dr R.L.N. (René) Westra.

 

Risico op pijnlijk ervaren afwijzing tenietdoen

Bij de uitvoering van de regeling is het niet de bedoeling uitspraken te doen over de feitelijke context van de gebeurtenissen. Met de regeling wordt het risico op de veronderstelling van een voor de klager als pijnlijk ervaren afwijzing teniet gedaan. Voor 144 klagers is in het kader van de slotactie alsnog erkenning en genoegdoening gekomen. Aan deze klagers zijn financiële tegemoetkomingen aangeboden. Het gaat hierbij om een totaalbedrag van €728.500 (gemiddeld €5.059 p.p.).

 

Naast de 144 klagers die nu reeds in aanmerking kwamen voor de slotactie bereikten 72 klagers overeenstemming over een minnelijke schikking. Van zes klagers zitten de klachten in een herzieningsprocedure of worden deze nog nader onderzocht. De Slotactiecommissie zal zich nog uitspreken over de niet gegrond verklaarde klachten die na 1 mei 2016 zijn uitgesproken. Dit betekent dat de Slotactiecommissie de laatste ongegrond verklaarde klachten naar verwachting in september 2016 zal behandelen.

 

Van alle klachten heeft 98,4 procent op basis van de klachtenregeling, schikkingen en slotactie geleid tot erkenning van en genoegdoening voor het aangedane seksueel misbruik. (Zie de bijlage van dit persbericht voor de betrokken conclusie en aanbeveling uit de slotmonitor.)

 

Commissie Deetman

De onafhankelijke Commissie Deetman deed onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK in Nederland. Dit onderzoek besloeg de periode tussen 1945 en 2010. Medio december 2011 presenteerde de Commissie Deetman het eindrapport van haar wetenschappelijk onderzoek in opdracht van de RK Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen.

 

Dit rapport bracht aard, omvang en omstandigheden van, als ook de verantwoordelijkheden voor dit seksueel misbruik in beeld, evenals de gevolgen van dit misbruik voor slachtoffers en hun omgeving. In het eindrapport kondigde de toenmalige Commissie Deetman aan de uitvoering van haar aanbevelingen door de RKK te zullen volgen en van de stand van zaken publiekelijk verslag te doen. De Commissie Deetman deed dit in monitoringrapportages, waarvan de slotmonitor de laatste is.

Persbericht naar aanleiding van slotmonitor voormalige Commissie Deetman

Voormalige Commissie Deetman in slotmonitor:

 

RK kerk in algemeen bewust van belang van erkenning, genoegdoening en hulp aan slachtoffers van misbruik

 

DEN HAAG – 28 juni 2016 – De Rooms-Katholieke Kerk (RKK) is zich ‘ervan bewust geworden dat erkenning, genoegdoening en hulpverlening jegens de slachtoffers ook een publieke functie heeft’. De voormalige onderzoekscommissie onder voorzitterschap van drs W.J. (Wim) Deetman (Commissie Deetman) baseert deze algemene conclusie op wat de RKK heeft gedaan om leed te erkennen en daarvoor genoegdoening en hulp aan te bieden. Deze conclusie gaat evenwel niet op binnen enkele ordes en congregaties. De Commissie Deetman stelt dit vandaag vast in de slotmonitor, haar afsluitende monitoringsrapportage.

 

De Commissie Deetman dringt er bij de Bisschoppenconferentie en Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) op aan ‘in het belang van de slachtoffers’ te blijven handelen. Ze noemt hulpverlening aan slachtoffers een blijvende ‘plicht en verantwoordelijkheid’ van de RKK, naast erkenning en genoegdoening. De voormalige onderzoekscommissie spreekt de hoop uit dat ook afgewezen slachtoffers van seksueel misbruik in de jeugd- en pleegzorg, van wie klachten over seksueel misbruik onvoldoende aannemelijk konden worden gemaakt, een mogelijkheid krijgen voor erkenning en genoegdoening zoals de RKK die inmiddels kent.

 

De Commissie Deetman deed onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) in Nederland. In haar onderzoeksrapport dat medio december 2011 verscheen, kondigde ze aan de uitvoering van haar aanbevelingen door de RKK te zullen volgen en van de stand van zaken publiekelijk verslag te doen. De Commissie Deetman deed dit in monitoringrapportages, waarvan de slotmonitor de laatste is. (Zie de bijlage van dit persbericht voor de conclusies, aanbevelingen en een persoonlijk woord van de oud-commissievoorzitter.)

 

Niet spontaan

De Rooms-Katholieke Kerk (RKK) is zich ervan bewust geworden dat erkenning, genoegdoening en hulpverlening jegens de slachtoffers ook een publieke functie heeft. De Commissie Deetman baseert zich in haar slotmonitor bij deze conclusie op wat de RKK heeft gedaan om het aangedane leed te erkennen en daarvoor genoegdoening en hulp aan te bieden. Deze algemene conclusie gaat evenwel niet ‘spontaan’ op binnen enkele ordes en congregaties wegens het moeizame verloop waarmee zij aanbevelingen in het commissierapport hebben geïmplementeerd.

 

Ook nam de RKK ‘haar verantwoordelijkheid voor die klachten over seksueel misbruik die onvoldoende aannemelijk konden worden gemaakt. Die opdracht, waartoe breed is opgeroepen, ook door de Tweede Kamer, is uitgevoerd’, concludeert de Commissie Deetman. (Zie persbericht 17b met als kop: Slotactie: alsnog erkenning en genoegdoening voor klagers met niet gegrond verklaarde klacht).

 

Naar maatstaf van rechtvaardigheid

‘Naar de maatstaf van rechtvaardigheid’ spreekt de Commissie Deetman de hoop uit ‘dat afgewezen slachtoffers van seksueel misbruik in de jeugd- en pleegzorg ook zo’n mogelijkheid voor erkenning en genoegdoening krijgen. Het aantal klagers van wie de klacht over seksueel misbruik in de jeugd- en pleegzorg werd afgewezen of ongegrond verklaard in de zogeheten Tijdelijke Regeling, ligt procentueel hoger dan bij de klachtenregeling van de RKK; de toegekende financiële tegemoetkomingen in de Tijdelijke Regeling zijn gemiddeld beduidend lager.’

 

‘Seksueel misbruik van minderjarigen en excessief geweld in afhankelijkheidsrelaties met minderjarigen zijn helaas’, wees ook het onderzoeksrapport van de Commissie Deetman uit, ‘geen exclusief probleem van de Rooms-Katholieke Kerk.’ Uit de tns-nipo survey  in dit onderzoeksrapport bleek dat ‘elders seksueel misbruik van minderjarigen een omvang heeft die nagenoeg gelijk is aan wat in het onderzoek over seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk is komen vast te staan’. De Commissie Deetman wijst in de slotmonitor op het belang om, naast wat de RKK nog hoort te doen, ‘in het kader van deze algemene problematiek alle passende maatregelen te nemen’.

 

Handel in belang van slachtoffer

De boodschap van de Commissie Deetman aan de Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) ‘is en blijft dat in het belang van de slachtoffers moet worden gehandeld. Nu, maar ook zolang het nodig blijft’. Volgens de voormalige onderzoekscommissie is hulpverlening ‘een plicht en verantwoordelijkheid die blijft bestaan na en naast erkenning en genoegdoening’’.

 

De slotmonitor overziet wat de RK Kerkprovincie in Nederland de afgelopen vijf jaar deed om slachtoffers van seksueel misbruik en van excessief geweld tegen minderjarigen hulp, erkenning en genoegdoening te geven. Bij wat de RKK deed en liet doen was het van belang te leren van wat elders al werd gedaan, stelt de Commissie Deetman vast. Ze raadt de Bisschoppenconferentie en KNR aan om ‘over wat in de laatste jaren hier in Nederland is gedaan’ hun zusterorganisaties in andere landen te informeren en deze rapportage ook beschikbaar te stellen ‘aan de hoogste leidinggevenden in het Vaticaan en aan de generalaten van ordes en congregaties’.

 

Ook beveelt de Commissie Deetman, zoals eerder, de RKK aan om ‘ook de komende jaren in jaarverslagen verantwoording af te leggen over de behandeling van klachten, van verzoeken om compensatie, over hulp en ondersteuning en over de omgang met schrijnende gevallen’.

 

Persoonlijk slotwoord

In een persoonlijk slotwoord spreekt Deetman zijn ‘oprechte dank’ uit ‘aan de vele slachtoffers die de afgelopen zes jaar met mij, mijn medecommissieleden en onze medewerkers hebben gesproken, die ons hebben bezocht en die ons via e-mail of per brief hebben geïnformeerd. Ik betuig hen mijn diepste respect en bewondering voor de moed waarmee zij dit hebben gedaan. Een betere motivatie om te doen wat op mijn weg kwam – en moest worden gedaan - had ik mij niet kunnen wensen’.

 

Het is ‘belangrijk’, benadrukt Deetman, dat de RKK ‘hulp blijft bieden en het contact blijft onderhouden met al diegenen die daartoe behoefte voelen. Dat is nodig om - wanneer de pijn zich weer doet voelen - te doen wat nodig is: slachtoffers helpen en ondersteunen’. Deetman noemt het een ‘morele plicht’ en ‘verantwoordelijkheid’ van de RKK ‘om het beschaamde vertrouwen te herstellen’.

 

‘Veel inspanningen zijn daarop gericht geweest, maar het heeft veel meer tijd gekost dan voorzien en de mate van medewerking om dat als Rooms-Katholieke Kerk als geheel te doen, kende – zoals gememoreerd - niet overal hetzelfde tempo en was ook niet volledig. Toen ik in maart 2010 begon aan wat mij tot nu heeft bezighouden, wist ik niet dat de Rooms-Katholieke Kerk zo gefragmenteerd was. Mijn klemmend advies om te blijven doen wat nodig is, betekent ook een aansporing, een dringende aansporing om dat gezamenlijk te doen’, aldus de oud-commissievoorzitter.

 

Hij signaleert dat in Nederland niet voor alle groepen dezelfde mogelijkheden voor erkenning en genoegdoening bestaan, ‘met name niet voor de gevolgen van excessief geweld en in het kader van een slotactie’. Deetman: ‘Voor alle slachtoffers van seksueel misbruik en excessief geweld zou het goed zijn als één lijn zou worden getrokken waar het gaat om hulp, erkenning en genoegdoening’.

 

Commissie Deetman

De onafhankelijke Commissie Deetman deed onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK in Nederland. Dit onderzoek besloeg de periode tussen 1945 en 2010. Medio december 2011 presenteerde de Commissie Deetman het eindrapport van haar wetenschappelijk onderzoek in opdracht van de Bisschoppenconferentie en de KNR. Dit onderzoeksrapport bracht aard, omvang en omstandigheden van, als ook de verantwoordelijkheden voor dit seksueel misbruik in beeld, evenals de gevolgen van dit misbruik voor slachtoffers en hun omgeving.

 

 

Bijlage persbericht 17c: conclusies, aanbevelingen, persoonlijk woord

 

 

Conclusies

In deze slotmonitor worden vier conclusies getrokken.

 

Beschaamd vertrouwen in de Rooms-Katholieke Kerk

Afgaand op wat de Rooms-Katholieke Kerk heeft gedaan om het aangedane leed te erkennen en daarvoor genoegdoening en hulp aan te bieden, is de Rooms-Katholieke Kerk zich ervan  bewust geworden dat erkenning, genoegdoening en hulpverlening jegens de slachtoffers ook een publieke functie heeft. Dat neemt niet weg dat deze algemene conclusie binnen enkele ordes en congregaties niet spontaan opgaat gezien het moeizame verloop waarmee zij aanbevelingen hebben geïmplementeerd.

 

Het aantal slachtoffers dat hulp, erkenning en genoegdoening heeft gekregen, is ruim tweeduizend. Het betreft hier slachtoffers van seksueel misbruik en van excessief geweld. Naar de stand van zaken van 1 juni 2016 betreft het 1.297 (gedeeltelijk) gegrond verklaarde klachten over seksueel misbruik, 144 klagers waarvan de klacht niet gegrond was verklaard maar in de slotactie erkend zijn, 420 klagers en melders over excessief geweld en minstens 369 klagers over seksueel misbruik met wie mediation- en schikkingsovereenkomsten zijn overeengekomen. 

 

De Rooms-Katholieke Kerk heeft haar verantwoordelijkheid genomen voor die klachten over seksueel misbruik die onvoldoende aannemelijk konden worden gemaakt. Die opdracht, waartoe breed is opgeroepen, ook door de Tweede Kamer, is uitgevoerd. Naar de maatstaf van rechtvaardigheid is te hopen dat afgewezen slachtoffers van seksueel misbruik in de jeugd- en pleegzorg ook zo’n mogelijkheid voor erkenning en genoegdoening krijgen. Naar de stand van zaken van 1 januari 2016 gaat het om 115 klagers. Het aantal klagers van wie de klacht werd afgewezen of ongegrond werd verklaard in de zogeheten Tijdelijke Regeling, ligt procentueel hoger dan bij de klachtenregeling van de Rooms-Katholieke Kerk; de toegekende financiële tegemoetkomingen in de Tijdelijke Regeling zijn gemiddeld beduidend lager.

 

Het belang van de slachtoffers

De boodschap aan de Bisschoppenconferentie en aan de knr is en blijft dat in het belang van de slachtoffers moet worden gehandeld. Nu, maar ook zolang het nodig blijft. De klachten van meer dan tweeduizend slachtoffers van seksueel misbruik en excessief geweld in de Rooms-Katholieke Kerk zijn erkend en aan deze slachtoffers is genoegdoening aangeboden. Hulpverlening is een plicht en verantwoordelijkheid die blijft bestaan na en naast erkenning en genoegdoening.

 

Seksueel misbruik van minderjarigen: anno nu in Nederland

Seksueel misbruik van minderjarigen en excessief geweld in afhankelijkheidsrelaties met minderjarigen zijn helaas – zo is onder andere uit het onderzoek van de Onderzoekscommissie gebleken - geen exclusief probleem van de Rooms-Katholieke Kerk. Uit de tns-nipo survey bleek dat elders seksueel misbruik van minderjarigen een omvang heeft die nagenoeg gelijk is aan wat in het onderzoek over seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk is komen vast te staan. Naast alles wat de Rooms-Katholieke Kerk nog hoort te doen, wijst de Onderzoekscommissie op het belang om in het kader van deze algemene problematiek alle passende maatregelen te nemen.

 

Het door tns-nipo uitgevoerd onderzoek is bewust gedaan om bij de beoordeling van het verleden niet alleen te hoeven afgaan op archiefonderzoek, klachten en meldingen. Uit archieven getraceerde documentatie, klachten en meldingen geven reliëf aan wat slachtoffers op vaak jonge leeftijd is overkomen, maar kunnen nooit een compleet beeld geven van de omvang en aard van seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk. De conclusie van het tns-nipo  onderzoek geeft een historisch beeld van de omvang en de aard van seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk dat vele malen groter is dan de aantallen meldingen en klachten bij elkaar. Het onderzoek bevat ook conclusies over de omvang en aard van seksueel misbruik van minderjarigen in de Nederlandse samenleving als geheel. Het is goed dat oud-leden en –medewerkers van de Onderzoekscommissie verder onderzoek aan het hand van het onderzoeksmateriaal blijven doen (zie het overzicht van hun gepubliceerde en nog te publiceren artikelen in hoofdstuk 2).

 

Over geheimhouding in mediation- en schikkingsovereenkomst

Bij het slachtoffer ligt de keuze voor de weg naar erkenning van en genoegdoening voor wat het slachtoffer is aangedaan. Tot de keuzemogelijkheden horen ook mediationtrajecten en trajecten die met een schikkingsovereenkomst worden afgesloten. Dat dient wel verantwoord en dus transparant te gebeuren. Dat is in veel gevallen niet het geval. Het slachtoffer moet van de geheimhoudingsverplichting – in welke bewoordingen die ook mag zijn gesteld – worden ontheven.

 

Deze voorgestelde ontheffing geldt uitsluitend het slachtoffer. Het is aan het slachtoffer om te bepalen of hij/zij daarvan gebruik wenst te maken lettend op zijn/haar opvattingen over de bescherming van de eigen privacy.

 

 

Aanbevelingen

Over de geheimhoudingsbepalingen in schikkings- en mediationovereenkomsten

Als oud-voorzitter van de Onderzoeksvoorzitter wordt met klem aanbevolen dat de desbetreffende bisdommen, ordes en congregaties de slachtoffers met wie schikkingen zijn getroffen en mediationovereenkomsten zijn afgesproken, laten weten dat de geheimhoudingsbepalingen in deze overeenkomsten niet langer op hen van toepassing zijn.

 

Op deze manier, een onvoorwaardelijk opheffing van elke denkbare vorm van een geheimhoudingsbepaling, kan inderdaad de indruk van een geheimhoudings- en zwijgplicht ongedaan worden gemaakt. Het is aan het slachtoffer om te bepalen hoe van deze ontheffing gebruik wordt gemaakt met het oog op de privacybescherming. 

 

Aanbevolen wordt om waar in de overeenkomsten expliciet wordt gesproken over steunbewijs bisdommen, congregaties en ordes de Klachtencommissie van het Meldpunt over dat steunbewijs berichten.

 

Verder wordt aanbevolen dat de Bisschoppenconferentie en de knr de mediators oproepen om – voor zover dat nog niet is gebeurd – tot een publieke verantwoording te komen over de wijze waarop in hun mediationtrajecten erkenning en genoegdoening tot stand is gebracht.

 

Over de slotactie

De Slotactiecommissie heeft alle tot en met april 2016 uitgesproken niet gegrond verklaringen besproken en daarover geadviseerd. De Slotactiecommissie zorgt ervoor dat de resterende niet gegrond verklaarden met authentieke klachten erkenning en genoegdoening krijgen.

 

Over hulp en ondersteuning

Na én naast erkenning en genoegdoening is hulpverlening een plicht en verantwoordelijkheid die blijft bestaan. Aanbevolen wordt dat de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland deze plicht en verantwoordelijkheid nakomt. Het is – zoals reeds eerder aanbevolen - aan te raden om ook de komende jaren in jaarverslagen verantwoording af te leggen over de behandeling van klachten, van verzoeken om compensatie, over hulp en ondersteuning en over de omgang met schrijnende gevallen. Hiermee wordt niet alleen tegemoetgekomen aan het uitgangspunt van openbaarheid en transparantie, maar ook – zoals eerder geadviseerd - voor een jaarlijkse verantwoording.

 

Over wat elders moet gebeuren

Deze slotmonitor overziet wat de Rooms-Katholieke Kerkprovincie in Nederland de afgelopen vijf jaar heeft gedaan om de slachtoffers van seksueel misbruik en van excessief geweld tegen minderjarigen hulp, erkenning en genoegdoening te geven. Bij wat de Rooms-Katholieke Kerk heeft gedaan en heeft laten doen, was het van belang te leren van wat elders al werd gedaan. Dit leidt tot de aanbeveling dat de Bisschoppenconferentie en de knr over wat in de laatste jaren hier in Nederland is gedaan hun zusterorganisaties in andere landen informeren en deze rapportage ook beschikbaar stellen aan de hoogste leidinggevenden in het Vaticaan en aan de generalaten van ordes en congregaties.

 

 

Tot slot: een persoonlijk woord

 

Met deze slotmonitor komt een einde aan een periode van meer dan zes jaar van uitvoerig onderzoek en advies aan de Bisschoppenconferentie en aan de knr. Adviezen over (aanvullend) onderzoek, over hulpverlening, over de behandeling van klachten over seksueel misbruik, over de omgang met slachtoffers, over de behandeling van klachten over excessief geweld en over de slotactie. Hierbij heeft altijd het belang van het slachtoffer vooropgestaan. En volstrekte onafhankelijkheid. Zonder deze onafhankelijkheid geen erkenning en genoegdoening voor alle slachtoffers. Voor allen die op jonge leeftijd binnen de Rooms-Katholieke Kerk te maken hebben gehad met seksueel misbruik en excessief geweld.

 

Het uitbrengen van deze slotmonitorrapportage heeft langer geduurd dan ik heb voorzien. Het begin van de slotactie moest wachten tot de uitspraak van de rechter in het korte geding tegen de sluiting van de aanmelding van klachten bij het Meldpunt. Uiteindelijk zijn beide partijen overeengekomen tegen de uitspraak van de rechter niet in beroep te gaan en de sluitingsdatum op 1 mei 2015 te stellen. Het onderzoek naar de geheimhoudingsbepalingen in mediation- en schikkingsovereenkomsten werd vertraagd - en daardoor niet makkelijk gemaakt - door de moeizaam op gang gekomen en uiteindelijk maar gedeeltelijke medewerking van een aantal congregaties en ordes, zoals de Broeders van Maastricht, de Salesianen en de Jezuïeten. Een klein aantal congregaties werkte in het geheel niet mee. Het ging daarbij om een klein aantal overeenkomsten, maar niet is uit te sluiten dat er nog meer mediation- en schikkingsovereenkomsten zijn dan de 369 waarvan we thans het bestaan kennen. Bij de bisdommen ging – niet voor het eerst - de medewerking in een aanmerkelijk hoger tempo en op een betere wijze in het belang van het doen van gedegen onderzoek.

 

De publicatie van de slotmonitorrapportage markeert voor mij, maar ook voor de slachtoffers een belangrijk moment. Voor mij komt een definitief einde aan mijn bemoeienis. Veel slachtoffers hebben – zo hoop ik - al veel zwarte bladzijden over deze beladen periode in hun leven omgeslagen. Het is zeker niet uitgesloten dat ze soms helaas een of meer bladzijden hebben teruggeslagen. Maar ook al zijn ze in staat om het boek definitief dicht te slaan, dan nog zijn er littekens uit die tijd die pijn kunnen blijven doen. Het is daarom belangrijk dat de Rooms-Katholieke Kerk hulp blijft bieden en het contact blijft onderhouden met al diegenen die daartoe behoefte voelen. Dat is nodig om - wanneer de pijn zich weer doet voelen - te doen wat nodig is: slachtoffers helpen en ondersteunen.

 

Dank voor de moed van zoveel slachtoffers

Als oud-voorzitter van de Onderzoekscommissie wil ik deze monitorrapportage afsluiten met mijn oprechte dank aan de vele slachtoffers die de afgelopen zes jaar met mij, mijn medecommissieleden en onze medewerkers hebben gesproken, die ons hebben bezocht en die ons via e-mail of per brief hebben geïnformeerd. Ik betuig hen mijn diepste respect en bewondering voor de moed waarmee zij dit hebben gedaan. Een betere motivatie om te doen wat op mijn weg kwam – en moest worden gedaan - had ik mij niet kunnen wensen. Ik heb veel slachtoffers persoonlijk leren kennen. Hun verhalen laten me niet meer los. Wat ze hebben meegemaakt, zijn ervaringen die op elkaar gestapeld liggen als vaak een dubbele of zelfs driedubbele zware last. Toevertrouwd door hun ouders aan een omgeving waar ze eerst uiterst gekwetst werden en vervolgens niet geloofd als ze over hun eigen, zo kwetsbare positie het vertrouwen van hun ouders vroegen. Vervolgens schaamte en stilzwijgen. Totdat de werkelijke omvang en aard van het seksueel misbruik en de inwerking van excessief geweld aan de orde kwamen.

 

De opdrachtgevers

De opdrachtgevers, de Bisschoppenconferentie en de knr, dank ik voor het in mij en in mijn medeleden en medewerkers gestelde vertrouwen. Dat vertrouwen is wel eens op de proef gesteld, waar het ging om de samenwerking met verschillende ordes en congregaties. Als buitenstaander had ik de verwachting en de hoop dat de ordes en congregaties in gezamenlijkheid en in solidariteit met elkaar zouden optrekken. Dat de ordes en congregaties het morele beroep zouden volgen van de Bisschoppenconferentie en van de voorzitter en het bestuur van de knr.

 

Er bestaat een morele plicht op en verantwoordelijkheid voor de Rooms-Katholieke Kerk om het beschaamde vertrouwen te herstellen. Veel inspanningen zijn daarop gericht geweest, maar het heeft veel meer tijd gekost dan voorzien en de mate van medewerking om dat als Rooms-Katholieke Kerk als geheel te doen, kende – zoals gememoreerd - niet overal hetzelfde tempo en was ook niet volledig. Toen ik in maart 2010 begon aan wat mij tot nu heeft bezighouden, wist ik niet dat de Rooms-Katholieke Kerk zo gefragmenteerd was. Mijn klemmend advies om te blijven doen wat nodig is, betekent ook een aansporing, een dringende aansporing om dat gezamenlijk te doen.

 

Niet alleen in de Rooms-Katholieke Kerk

Het was mijn hoop en mijn verwachting dat vijf jaar na de publicatie van de onderzoeksrapporten over de achtergronden, omvang en aard van seksueel misbruik van en excessief geweld jegens minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk dát boek zou kunnen worden gesloten. De afgelopen jaren hebben ook slachtoffers van seksueel misbruik en excessief geweld buiten de Rooms-Katholieke Kerk contact met mij gezocht en een beroep op mij gedaan. Waar mogelijk heb ik hen kunnen verwijzen naar opvang, hulp, klachtenprocedures die voor deze groepen van slachtoffers in het leven zijn geroepen. Zoals de regelingen die voortvloeien uit het onderzoek naar seksueel misbruik in de jeugd- en pleegzorg (commissie-Samson). Maar niet voor alle groepen bestaan dezelfde mogelijkheden voor erkenning en genoegdoening, met name niet voor de gevolgen van excessief geweld en in het kader van een slotactie. Voor alle slachtoffers van seksueel misbruik en excessief geweld zou het goed zijn als één lijn zou worden getrokken waar het gaat om hulp, erkenning en genoegdoening.

 

drs. W.J. (Wim) Deetman

oud-voorzitter van de voormalige Onderzoekscommissie

 

Deetman over Argos: parlement gaat zelf over enquête

Persbericht (bijgesteld, aangevuld)                  

Deetman en Kreemers: afstand van bewering in Argos

Geen actie tegen parlementaire enquête

 

DEN HAAG, 2 mei 2016 – Voorzitter drs W.J. (Wim) Deetman en onderzoeksmanager dr H.P.M. (Bert) Kreemers van de voormalige onderzoekscommissie seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (commissie Deetman) nemen afstand van de bewering dat zij slachtoffers zouden hebben aangezet tot stellingname tegen een parlementaire enquête. In de uitzending afgelopen zaterdag van het programma Argos op Radio 1 komt die suggestie ter sprake.

In hun reactie op de ‘reconstructie’ door Argos geven Deetman en Kreemers hieronder een overzicht van de voornaamste feiten ten aanzien van de genoemde bewering. De onafhankelijke onderzoekscommissie presenteerde op 16 december 2011 haar eindrapport over seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK). De commissie deed dit onderzoek in opdracht van de RKK bisschoppenconferentie in Nederland en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR).

Onafhankelijkheid

Tijdens het onderzoek vroegen slachtoffers en hun organisaties zich openlijk af of dit onderzoek wegens deze opdrachtgevers wel onafhankelijk kon zijn en of een parlementair onderzoek niet meer in de rede zou liggen. Deetman reageerde hier tijdens het onderzoek steeds met respect en begrip op, ook omdat slachtoffers zich al zo lang niet gehoord wisten.

Onderzoeksmanager Kreemers van de commissie wijst in dit verband op twee gelegenheden waarin slachtoffers hebben laten weten dat ze de commissie zouden beoordelen op de uitkomsten van haar onderzoek en na presentatie hiervan zouden besluiten over een eventueel pleidooi voor een parlementaire enquête. Dat was begin december 2010, kort na het eerste tussenadvies van de commissie, en tegen het eind van 2011, kort voor de publicatie van het onderzoeksrapport.

In gesprekken met slachtoffers, persconferenties, interviews en andere uitingen gaf Deetman ten aanzien van een eventueel parlementair onderzoek steeds als antwoord dat ieder zijn eigen verantwoordelijkheid heeft: parlement, kerk en slachtoffers. Ook benadrukte hij dat de onderzoekscommissie niet gaat over een parlementaire enquête en dat het de verantwoordelijkheid van de Tweede Kamer is om hierover te besluiten. Kreemers onderschrijft volledig en onverkort het telkens door Deetman verwoorde standpunt dat de Tweede Kamer zelf gaat over het instellen van een parlementaire enquête.

Vertrouwen

Ook na de presentatie van het eindrapport van de onderzoekscommissie volgden publicaties in de media die de integriteit van de commissie in het algemeen en de persoon van Deetman in het bijzonder in twijfel trokken. Tegelijkertijd bereikte Deetman ook van de kant van slachtoffers een indringend verzoek om niet alleen een vervolgonderzoek te doen.  In nauw overleg met stichting Koepel Landelijk Overleg Kerkelijk Misbruik (KLOKK) verzocht minister van Veiligheid & Justitie mr I.W. (Ivo) Opstelten Deetman aanvullend onderzoek te doen naar seksueel misbruik van en geweld tegen minderjarige meisjes in de RKK.

Slachtoffers drongen er bovendien bij Deetman op aan als ‘waakhond’ de uitvoering van aanbevelingen in het eindrapport door de kerkelijke autoriteiten te monitoren. In de motie-Van der Steur (33 000 VI, nr 85 Herdruk) sprak de Tweede Kamer zich op 1 maart 2012 met algemene stemmen uit voor uitvoering van de aanbevelingen van de commissie Deetman en het toezicht hierop door Deetman. (1)

Bij de afweging van deze verzoeken ging het voor Deetman om de vraag of de slachtoffers vertrouwen konden stellen in monitoring door hem, nu zij met het eindrapport ook de deugdelijkheid en onafhankelijkheid van onderzoek en commissie konden beoordelen. Deetman was klaar met het onderzoek en liet met andere woorden het gehoor geven aan de verzoeken om door te gaan afhangen van het vertrouwen van de slachtoffers in het onderzoeksrapport, zijn commissie en hemzelf.

Standpuntbepaling

Die vraag lag voor in het gesprek op 30 maart 2012 te Den Haag, waarnaar Argos verwijst, tussen Deetman, Kreemers en vertegenwoordigers van KLOKK. In dit gesprek drong Deetman er bij KLOKK uitsluitend op aan standpunt te bepalen over het vertrouwen in de commissie en hem, opdat hij voor zichzelf de genoemde afweging kon maken al dan niet op de verzoeken in te gaan. Kreemers, die bij alle bijeenkomsten en gesprekken van Deetman met slachtoffers aanwezig was, bevestigt dit.

In het persbericht van 2 april 2012 onder de kop ‘Lotgenotengroepen spreken steun uit voor commissie Deetman’ maakte KLOKK het door Deetman gevraagde standpunt kenbaar. In de inleiding van dit persbericht formuleert de stichting: ‘KLOKK wil aanvullend onderzoek door de heer Deetman en voortzetting van het toezicht op de uitvoering van aanbevelingen door Deetman en de voormalige commissie, samen met de bij KLOKK aangesloten slachtoffergroepen. Dat is op dit moment noodzakelijk voor het proces van erkenning, genoegdoening, hulp, compensatie en zorg’. In een e-mail van 2 april 2012 aan Kreemers benadrukt de voorzitter van KLOKK nog eens het belang dat slachtoffers hechten aan voortzetting van Deetmans inzet (zie bijlage).

Deetman hecht er met voorgaand overzicht van feiten ook aan geen ruimte te geven aan enige twijfel over zijn respect voor het parlement.

Versterking organisatie van KLOKK

Kreemers voerde op verzoek van alle bestuursleden van KLOKK begin 2012 gesprekken met hen over verbeteringen in het functioneren van KLOKK. Op 28 februari 2012 legde hij zijn verbetervoorstellen voor aan KLOKK. Een dag later lichtte Kreemers zijn voorstellen toe in een bespreking met mensen in en om het bestuur van KLOKK. Eerder die dag liet het bestuurslid Dolf van Nijnatten hem per e-mail weten dat ‘in het belang van de slachtoffers zijn plek binnen KLOKKbestuur beschikbaar’ was. Ook mevrouw Maud Kips, die werkzaamheden voor het bestuur van KLOKK uitvoerde, liet die dag per e-mail weten ‘sterke twijfels [te hebben] aan mijn bereidheid mee te blijven werken’.

Onderzoek

Met haar onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek bracht de commissie Deetman aard, omvang en omstandigheden van, als ook de verantwoordelijkheden voor seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK in Nederland in beeld, evenals de gevolgen hiervan voor slachtoffers en hun omgeving. Naast een analyse van de meldingen van seksueel misbruik en/of fysiek geweld en van de verklaringen van plegers voorzag het onderzoek onder andere in enquêtes (survey), diepte-interviews, casestudies, essays, een studie naar de internationale literatuur en het archiefonderzoek.


(1) De Tweede Kamer verwierp op 1 maart 2012 de motie-Arib die de regering verzocht een onderzoek in te stellen naar aard en omvang van lichamelijke en geestelijke mishandeling binnen de katholieke kerk (33 000 VI, nr 83). De motie waarin Arib het presidium van de Tweede Kamer verzocht voorstellen te doen voor de opzet en de vorm van een parlementair onderzoek naar misbruik binnen de katholieke kerk en de rol van genoemde overheidsinstellingen daarbij (33 000 VI, nr. 84), is aangehouden en niet in stemming gebracht.

 

---

Bijlage

Van: (Guido Klabbers)
Verzonden: maandag 2 april 2012 16:07
Aan: (Bert Kreemers)
Onderwerp: (…)

Hoi Bert,

(…)

Als Deetman woensdag alsnog afhaakt zal dat door slachtoffers slecht begrepen worden vrees ik en worden uitgelegd als het gelijk van Dohmen.

(…)

Veel groeten

Guido

 

Van: (Guido Klabbers)
Datum: 2 mei 2016 09:55:38 CEST
Aan: (Bert Kreemers)
Onderwerp: Antw.:bericht

Beste Bert,

Het bewuste gesprek heeft in mijn herinnering eerder plaatsgevonden, voor het verschijnen van het rapport.In 2011 zijn wij in mijn herinnering ontboden/uitgenodigd door Deetman.

Het ging om de keuze tussen een PE of het Deetmanonderzoek.

Over dit onderzoek is toen geen kritiek geformuleerd door Klokk.

(…)

Ge.Guido

 

(Verklaring Annemie Knibbe d.d. 01.05.2016)

NIET VANWEGE DE DWANG VAN DEETMAN MAAR VANWEGE DE BELOFTE VAN OPENHEID IN DE KLACHTENCOMMISSIE

De reden om niet te kiezen voor een Parlemantaire Enquete was voor mij dat er bij lotgenoten behoefte was op individuele erkenning, en dat het kerkelijk gezag zich verplicht had om openheid te geven in de klachtencommissie. Een Parlementaire Enquete zou dat proces kunnen verstoren. Voor een deel van de melders is individuele erkenning inderdaad bereikt. Maar voor een belangrijk aantal mensen heeft het kerkelijk gezag veel verzwegen en ontkend.

Reden om open te zijn over de dwingende opstelling van Deetman en mijn eigen keuze van dat moment, is dat onderzoeksjournalisten ons daarom vroegen. De bepalende invloed van Deetman op de besluitvorming van KLOKK heeft het vrouwennetwerk in oktober 2012 bewogen om een onafhankelijk vrouwenplatform op te richten.

Annemie Knibbe

 

--

Persbericht

Ook in reactie op reconstructie radioprogramma Argos:

Deetman: parlement gaat zelf over enquête

DEN HAAG, 30 april 2016 – Het programma Argos op Radio 1 kondigt voor de uitzending van vandaag een reconstructie aan van de periode na verschijning op 16 december 2011 van het eindrapport van de onderzoekscommissie seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk. In de aankondiging roept het programma de vraag op waarom het niet kwam tot een parlementaire enquête en wat hierin de rol was van voorzitter drs W.J. (Wim) Deetman en onderzoeksmanager dr H.P.M. (Bert) Kreemers van de onderzoekscommissie.

Beiden lieten weten aan de studenten journalistiek van de Universiteit van Amsterdam (UvA), die in het achterliggende half jaar voor het radioprogramma van Argos om een toelichting verzochten: ‘De heer Deetman heeft overal steeds het antwoord gegeven dat hij in de Tweede Kamer gaf, en wel dat ieder zijn eigen verantwoordelijkheid heeft: parlement, kerk en slachtoffers‘; ‘Kreemers onderschrijft volledig en onverkort het telkens door Deetman verwoorde standpunt dat de Tweede Kamer zelf gaat over het instellen van een parlementaire enquête‘.

Zie voor de volledige reactie op de gestelde vragen: www.onderzoekrk.nl (op deze website staat de volledige reactie onder dit persbericht). In dit persbericht volgt uit deze volledige reactie hier eerst de mededeling op 21 oktober 2015 van de studenten journalistiek: ‘Wel wil ik u ervan op de hoogte stellen dat wij zullen publiceren dat de heer Deetman op enig moment de slachtoffers heeft gevraagd niet langer te pleiten voor een parlementaire enquete. Op die manier heeft hij er de hand in gehad dat die enquete er niet is gekomen‘.

Verantwoordelijkheid Tweede Kamer

Uit de reactie op 28 oktober 2015 namens Deetman hierop: ‘De heer Deetman heeft overal steeds het antwoord gegeven dat hij in de Tweede Kamer gaf, en wel dat ieder zijn eigen verantwoordelijkheid heeft: parlement, kerk en slachtoffers. In tegenstelling tot wat u beweert heeft hij de slachtoffers dan ook niets verzocht. Zowel de heer Kreemers, die bij alle bijeenkomsten en gesprekken van de heer Deetman met slachtoffers aanwezig was, als de verslagen van deze bijeenkomsten bevestigen dit. Van de gesprekken met slachtoffers (individueel of gezamenlijk) zijn verslagen gemaakt die door de betrokkenen zijn geakkordeerd.

In bijeenkomsten met slachtoffers is de heer Deetman een aantal malen naar zijn opinie over een parlementaire enquête gevraagd. Het antwoord hierop van de heer Deetman, dat hij vele malen heeft herhaald, was telkens dat hij daar niet over gaat, dat de onderzoekscommissie daar niet over gaat en dat het de verantwoordelijkheid van de Tweede Kamer is om over een parlementaire enquête te besluiten.

Kreemers zijn twee gelegenheden bekend waarin slachtoffers hebben laten weten dat ze de commissie onder leiding van de heer Deetman zouden beoordelen op de uitkomsten van haar onderzoek en na presentatie hiervan zouden besluiten over een eventueel pleidooi voor een parlementaire enquête. Dat was begin december 2010, kort na het eerste tussenadvies van de commissie, en tegen het eind van 2011, kort voor de publicatie van het onderzoeksrapport.’

Uit de reactie op 29 april 2016 namens Kreemers hierop: ‘Kreemers onderschrijft volledig en onverkort het telkens door Deetman verwoorde standpunt dat de Tweede Kamer zelf gaat over het instellen van een parlementaire enquête. In de e-mail van 04.02.2012 klinkt een persoonlijke ervaring van Kreemers door met de parlementaire enquête naar Srebrenica. Deze ervaring wilde Kreemers overbrengen in de e-mail. In de hierin aangehaalde citaten spreekt hij zich overigens niet uit tegen een parlementaire enquête, zoals ook blijkt uit het desbetreffende e-mailbericht.’

Aankondiging Argos

De genoemde aankondiging onder de kop ‘De deal van Deetman’ van het radioprogramma Argos: ‘De commissie Deetman onderzocht het seksueel misbruik in de katholieke kerk in ons land. In december 2011 verscheen het onderzoeksrapport. De slachtoffers, verenigd in KLOKK, de Koepel Landelijk Overleg Kerkelijk Kindermisbruik, wilden vanaf het begin een parlementaire enquête. Een onderzoek dat de rol van de politiek onderzoekt en waarbij mensen onder ede gehoord kunnen worden. Maar die parlementaire enquête kwam er niet. Wat ging er mis? Wat is daarin de rol van oud-politicus Wim Deetman en de secretaris van zijn commissie, Bert Kreemers? Argos sprak met de hoofdrolspelers, en maakte een reconstructie‘.

Volledige reactie op een reeks (aanvullende) vragen van de kant van de onderzoeksgroep studie journalistiek UvA

Reactie op een reeks aanvullende vragen van de kant van de onderzoeksgroep studie journalistiek Universiteit van Amsterdam (UvA), ontvangen op 26 april 2016, namens de heren Deetman en Kreemers (zie bijlage 1 voor de e-mail met aanvullende vragen).

 

1)

Tegen de achtergrond van een voor slachtoffers emotionele periode ontstonden in het bestuur van de stichting Koepel Landelijk Overleg Kerkelijk Kindermisbruik (KLOKK) problemen. Zo was er een toenemende behoefte (aan waarborgen) om de democratische structuur, transparantie, medezeggenschap en controle te versterken. Eén van de bestuursleden verzocht Kreemers om met alle bestuursleden afzonderlijk te spreken en zo de problemen te inventariseren. De andere bestuursleden stemden in met dit initiatief.

Kreemers ging op dit verzoek in onder twee met Deetman afgestemde voorwaarden en een algemeen uitgangspunt. Het uitgangspunt was compassie: als slachtoffers een beroep op je doen laat je ze niet in de steek. De twee voorwaarden waren dat de hulp van Kreemers los stond van zijn verantwoordelijkheden voor de (voormalige) onderzoekscommissie seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (commissie Deetman) en dat de rol van Kreemers beperkt was tot het voeren van gesprekken en het rapporteren daarover.

Kreemers voerde de gesprekken begin 2012, na presentatie van het eindrapport van de commissie Deetman op 16.12.2011. Op basis van de gesprekken adviseerde Kreemers over een betere organisatie van KLOKK in zijn verslag van 12.02.2012. Tijdens een etentje met mensen in en rond het bestuur van KLOKK op 29.02.2012 te ’s Hertogenbosch lichtte Kreemers zijn verslag toe en volgde bespreking van wensen, eisen en omstandigheden.

Een lid had reeds aangegeven als bestuurslid te vertrekken, hetgeen kort voor het etentje werd bevestigd. Een ander lid had eerder die dag schriftelijk uitgebreid aangegeven wat zijn wensen waren en zijn vertrek aangekondigd. Zijn uitgebreide motivatie was eerder onderwerp van gesprek geweest tussen hem en Kreemers.

Tijdens het diner, waarvan Kreemers de kosten voor zijn rekening nam, kreeg hij het verzoek de onderling gemaakte afspraken ter plekke te noteren en meteen na de bijeenkomst rond te zenden. Afgesproken werd dat allen een vetorecht zouden hebben ten aanzien van de afspraken, waarvan één bestuurslid overigens gebruikmaakte. Daarmee eindigde de opdracht van Kreemers.

 

2)

Kreemers kan zich één boze reactie herinneren. Dat was in de derde week van september 2012, toen de heer Klabbers en hij een privé-afspraak hadden. Gelet op het privé-karakter van die afspraak onthoudt Kreemers zich van nadere mededelingen hierover, behalve dan dat hij zijn excuses heeft aangeboden voor zijn boze reactie.

 

3), 4)

Noch Deetman noch een van diens commissieleden trad in de samenstelling van het bestuur van KLOKK, en dus ook niet in de benoeming van de voorzitter van KLOKK. Deetman is evenmin als Kreemers, zoals zij eerder aangaven in antwoord op een vraag van de onderzoeksgroep studie journalistiek UvA, op de hoogte van eventuele subsidie aan KLOKK. De ervaring van Deetman is dat KLOKK zich niet opstelt als vazal van wie dan ook.

Integendeel, zoals Deetman en Kreemers ook de voorzitter van KLOKK hebben leren kennen als een gedreven vertegenwoordiger van degenen die hij zegt te representeren. Bovenal wijzen Deetman en Kreemers op de grote en onmisbare bijdragen van de leden van KLOKK aan het behartigen van de belangen van slachtoffers van seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk. Voor die bijdragen past waardering.

 

5)

Onderwerp van gesprek tussen Deetman, Kreemers en drie vertegenwoordigers van KLOKK was blijkens aantekeningen van Kreemers monitoren van  het uitvoeren van aanbevelingen van de commissie Deetman door de verantwoordelijke kerkelijke autoriteiten. Presentatie van het eindrapport van de commissie Deetman met aanbevelingen had plaats op 16.12.2011. De commissie hield hiermee op te bestaan.

In het gesprek informeerde Deetman naar het standpunt van KLOKK ten aanzien van de monitoring door hem. KLOKK maakte dit standpunt kenbaar in het persbericht van 02.04.2012: ‘Lotgenotengroepen spreken steun uit voor commissie Deetman’. In de inleiding van dit persbericht formuleert de stichting: ‘KLOKK wil aanvullend onderzoek door de heer Deetman en voortzetting van het toezicht op de uitvoering van aanbevelingen door Deetman en de voormalige commissie, samen met de bij KLOKK aangesloten slachtoffergroepen. Dat is op dit moment noodzakelijk voor het proces van erkenning, genoegdoening, hulp, compensatie en zorg’ (zie bijlage 2).

 

6)

Kreemers onderschrijft volledig en onverkort het telkens door Deetman verwoorde standpunt dat de Tweede Kamer zelf gaat over het instellen van een parlementaire enquête. In de e-mail van 04.02.2012 klinkt een persoonlijke ervaring van Kreemers door met de parlementaire enquête naar Srebrenica. Deze ervaring wilde Kreemers overbrengen in de e-mail. In de hierin aangehaalde citaten spreekt hij zich overigens niet uit tegen een parlementaire enquête, zoals ook blijkt uit het desbetreffende e-mailbericht.

In een e-mail van 21.10.2015 stelde de onderzoeksgroep studie journalistiek Universiteit van Amsterdam ‘dat de heer Deetman op enig moment de slachtoffers heeft gevraagd niet langer te pleiten voor een parlementaire enquete. Op die manier heeft hij er de hand in gehad dat die enquete er niet is gekomen’ (zie bijlage 3).

De e-mail van 28.10.2015 vormt hier onverminderd de reactie op (zie bijlage 4). Hieruit: ‘De heer Deetman heeft overal steeds het antwoord gegeven dat hij in de Tweede Kamer gaf, en wel dat ieder zijn eigen verantwoordelijkheid heeft: parlement, kerk en slachtoffers. In tegenstelling tot wat u beweert heeft hij de slachtoffers dan ook niets verzocht. Zowel de heer Kreemers, die bij alle bijeenkomsten en gesprekken van de heer Deetman met slachtoffers aanwezig was, als de verslagen van deze bijeenkomsten bevestigen dit. Van de gesprekken met slachtoffers (individueel of gezamenlijk) zijn verslagen gemaakt die door de betrokkenen zijn geakkordeerd.

In bijeenkomsten met slachtoffers is de heer Deetman een aantal malen naar zijn opinie over een parlementaire enquête gevraagd. Het antwoord hierop van de heer Deetman, dat hij vele malen heeft herhaald, was telkens dat hij daar niet over gaat, dat de onderzoekscommissie daar niet over gaat en dat het de verantwoordelijkheid van de Tweede Kamer is om over een parlementaire enquête te besluiten.

Kreemers zijn twee gelegenheden bekend waarin slachtoffers hebben laten weten dat ze de commissie onder leiding van de heer Deetman zouden beoordelen op de uitkomsten van haar onderzoek en na presentatie hiervan zouden besluiten over een eventueel pleidooi voor een parlementaire enquête. Dat was begin december 2010, kort na het eerste tussenadvies van de commissie, en tegen het eind van 2011, kort voor de publicatie van het onderzoeksrapport.’

 

Reactie op een aanvullende vraag van de kant van de onderzoeksgroep studie journalistiek UvA, ontvangen op 28 april 2016, namens de heren Deetman en Kreemers (zie bijlage 5 voor de e-mail met de aanvullende vraag).

Kreemers ontving een donatie in een gesloten enveloppe van een hem bekend echtpaar (van wie overigens geen van beiden deel uitmaakte van de commissie Deetman). Het echtpaar benaderde hem met de vraag of hij een goede bestemming wist voor een bedrag dat ze – naar hij begreep – jaarlijks aan een goed doel geven. Het echtpaar besloot KLOKK te begiftigen en verzocht Kreemers de enveloppe te overhandigen onder geheimhouding van de gevers. Raymond Lelkens van KLOKK heeft zich verantwoord voor de besteding van de schenking; het betrof notariskosten voor oprichting van stichting KLOKK en de kosten van inschrijving van KLOKK bij de Kamer van Koophandel.

Begin 2012 maakte Kreemers een bedrag over van ongeveer €750 aan Maud Kips, omdat zij krap bij kas zat wegens het niet vergoeden van onkosten door KLOKK. Kreemers maakte dit bedrag over uit eigen middelen en heeft dit niet gedeclareerd.

Een eerlijke vinder van zijn Ipad beloofde hij begin 2013 als beloning de kosten te vergoeden van een etentje. De rekening van het etentje viel hoger uit dan vinder en tafelgenoot betamelijk achtten. Kreemers verzocht hen hierop het verschil (ongeveer €80) over te maken als donatie aan KLOKK.

--

Bijlage 1

E-mail 26.04.2016

Beste Gert Jan Verhoog en Bert Kreemers,

Zaterdag aanstaande zendt radio 1-programma Argos onze reportage uit over de nasleep van het seksueel misbruik in de kerk. 

Graag willen we u via deze weg beide in de gelegenheid stellen om te reageren op de aantijgingen aan uw adres, en dat van Deetman, uit die uitzending. Dat kan tot vrijdag aanstaande, 29 april, om 12.00. Mocht u in de uitzending iets willen zeggen, dan willen we u vragen Jolanda van de Beld of mij, Jenne Jan Holtland, donderdag te bellen. Dat kan tussen 11u en 17u. Uw reactie nemen we dan op voor de radio. Mocht de heer Deetman zelf telefonisch of schriftelijk willen reageren, dan staat hem dat ook vrij. Hieronder de betreffende punten, inclusief de relevante citaten.

Met betrekking tot Bert Kreemers

1) Etentje op 29 februari 2012: de bestuursleden beweren dat Maud Kips en Dolf van Nijnatten vrij onverwacht werden "weggeadviseerd". U had een intern rapport geschreven, maar daarin stond hun vertrek niet aangekondigd. Kips werd op die 29e februari bedankt met een reep bittere chocola, Van Nijnatten met een fles wijn, waarbij uitdrukkelijk vermeld werd dat de cadeaus van de heer Deetman kwamen. Kips dacht dat de breuk nog hersteld zou worden, Van Nijnatten wilde duidelijk zijn voorwaarden voor vertrek te kennen geven, maar kreeg niet de gelegenheid open hierover te spreken. Herkent u zich hierin?

2) Guido Klabbers vertelt hoe u tweemaal onverwacht zeer boos tegen hem uit bent gevallen. U benadrukte daarbij dat Klabbers en de anderen van KLOKK zich goed moesten realiseren dat u hard voor hen werkte en dat ze daar dankbaar voor moesten zijn. Uw uitval wordt als “fors” omschreven en uw lichaamshouding en stemverheffing kwamen “intimiderend” over. Herkent u zich hierin?

3) Een van de slachtoffers zegt tegen ons: “Guido Klabbers is iemand met veel bestuurservaring. Hij is heel competent op dat gebied. Hij is iemand die bureaucratisch ook functioneert en ik denk dat Deetman daar belang in zag. Dat er een vertegenwoordiger was waar ie zaken mee kon doen. Dat was heel belangrijk.” Herkent u zich hier als secretaris van de commissie in?

 

4) Een ander slachtoffer: “Zoals ik nu begrijp is KLOKK veel meer een vazal van de commissie-Deetman en worden denk ik met subsidie stilgehouden.” Herkent u zich hier als secretaris van de commissie in?

 

Met betrekking tot beiden

5) Zoals eerder besproken zullen we melden dat op 30 maart 2012 een bijeenkomst plaatsvond met Deetman, Kreemers en vier slachtoffers. Volgens een van hen was Deetman bij die gelegenheid “zeer verontwaardigd”. Het slachtoffer: “Deetman wilde ons eigenlijk dwingen om geen parlementaire enquête te doen.” En: “Hij nam het ook heel persoonlijk, als een hele persoonlijke aanval dat er een parlementaire enquête zou zijn.”

 

Met betrekking tot Gert-Jan Verhoog

6) Eerder stelde u dat de commissie nooit een mening heeft gegeven over de parlementaire enquête. Wij hebben een e-mail in handen van 4 februari 2012 van Bert Kreemers aan KLOKK, waarin hij onder meer schrijft: “Er ligt nu een onderzoek van de commissie-Deetman, waar ik van vriend noch vijand een slecht woord over heb vernomen. Ik gun het jou van harte dat mevrouw Arib, mevrouw Gesthuizen en meneer Dibi dat onderzoek nog eens dunnetjes overdoen, maar ik heb niet de innerlijke overtuiging dat ze nog met iets nieuws komen.”

En: “Er is in mijn beleving al genoeg onderzocht.”

En: “De Tweede Kamer is geen onderzoeksinstituut. En ik heb (…) ook meegemaakt dat horen onder ede een farce is.”

Hoe valt dit te rijmen met de eerdere verklaring die u namens de heer Deetman en Kreemers aan ons stuurde?

Hopende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd,

Met hartelijke groet, ook namens Jolanda en Boris,

Jenne Jan Holtland

 

--

Bijlage 2

Persbericht KLOKK, 02.04.2012

 

--

 

Bijlage 3

E-mail 21.10.2015

Beste Gert Jan Verhoog,

Dank voor uw reactie. Ik betreur dat de heer Deetman verder geen toelichting wil geven, maar heb begrip voor uw uitleg.

Wel wil ik u ervan op de hoogte stellen dat wij zullen publiceren dat de heer Deetman op enig moment de slachtoffers heeft gevraagd niet langer te pleiten voor een parlementaire enquete. Op die manier heeft hij er de hand in gehad dat die enquete er niet is gekomen.

Vriendelijke groet,

Jenne Jan Holtland

 

--

Bijlage 4

 

E-mail 28.10.2016

Geachte heer Holtland,

Uw reactie van 21 oktober jongstleden op mijn bericht van deze datum noopt mij hierop terug te komen.
In uw reactie stelt u als volgt.

'Dank voor uw reactie. Ik betreur dat de heer Deetman verder geen toelichting wil geven, maar heb begrip voor uw uitleg.

Wel wil ik u ervan op de hoogte stellen dat wij zullen publiceren dat de heer Deetman op enig moment de slachtoffers heeft gevraagd niet langer te pleiten voor een parlementaire enquete. Op die manier heeft hij er de hand in gehad dat die enquete er niet is gekomen.'

Navraag bij de heer Deetman en de heer Kreemers, voorzitter en secretaris-onderzoeksmanager van de toenmalige commissie, biedt informatie die haaks staat op uw voorstelling van zaken.

Om te beginnen begrijp ik van de heer Deetman dat u telefonisch contact met hem opnam, zich aan hem voorstelde als freelance journalist, hem aangaf bezig te zijn met een onderzoek naar 'de nasleep' van kerkelijk misbruik en dat de heer Deetman u onmiddellijk doorverwees naar mij. Er was geen, dan wel kon nog geen sprake zijn van het voorleggen van (concept-)teksten door u aan de heer Deetman, begrijp ik van hem, laat staan van het weigeren van commentaar door hem.

Dan wat betreft uw bewering inzake een parlementaire enquête.

De heer Deetman heeft overal steeds het antwoord gegeven dat hij in de Tweede Kamer gaf, en wel dat ieder zijn eigen verantwoordelijkheid heeft: parlement, kerk en slachtoffers. In tegenstelling tot wat u beweert heeft hij de slachtoffers dan ook niets verzocht. Zowel de heer Kreemers, die bij alle bijeenkomsten en gesprekken van de heer Deetman met slachtoffers aanwezig was, als de verslagen van deze bijeenkomsten bevestigen dit. Van de gesprekken met slachtoffers (individueel of gezamenlijk) zijn verslagen gemaakt die door de betrokkenen zijn geakkordeerd.
In bijeenkomsten met slachtoffers is de heer Deetman een aantal malen naar zijn opinie over een parlementaire enquête gevraagd. Het antwoord hierop van de heer Deetman, dat hij vele malen heeft herhaald, was telkens dat hij daar niet over gaat, dat de onderzoekscommissie daar niet over gaat en dat het de verantwoordelijkheid van de Tweede Kamer is om over een parlementaire enquête te besluiten.

Kreemers zijn twee gelegenheden bekend waarin slachtoffers hebben laten weten dat ze de commissie onder leiding van de heer Deetman zouden beoordelen op de uitkomsten van haar onderzoek en na presentatie hiervan zouden besluiten over een eventueel pleidooi voor een parlementaire enquête. Dat was begin december 2010, kort na het eerste tussenadvies van de commissie, en tegen het eind van 2011, kort voor de publicatie van het onderzoeksrapport.

Wat de commissie heeft te melden kunt u, zoals gezegd, hierin vinden. Met de publicatie rondde de commissie haar onderzoeksopdracht af. Op de slotmonitor van de tenuitvoerlegging van haar aanbevelingen loopt de commissie uiteraard niet vooruit.

Met vriendelijke groet,

Gert Jan Verhoog

 

--

Bijlage 5

E-mail 28.04.2016

Beste Gert Jan Verhoog,

Ik zie uw bericht tegemoet. 

Nog een ander punt: we zullen ook melden dat Kreemers op 6 juli 2011 een envelop met 1.000 euro contant heeft overhandigd aan de slachtoffers. Met dat geld is KLOKK opgericht. Het zou gaan om een 'anonieme donatie'. Vraag aan u en Kreemers: van wie was die donatie afkomstig?

Vriendelijke groet,

Jenne Jan Holtland

Jolanda van de Beld

Boris Lemereis

Publicatie van correspondentie via e-mail tussen de dienstdoende ambtenaar van het ministerie van Veiligheid & Justitie en onderzoekssecretaris dr Bert Kreemers

Publicatie van correspondentie via e-mail tussen de dienstdoende ambtenaar van het ministerie van Veiligheid & Justitie en onderzoekssecretaris dr. Bert Kreemers. Aanleiding van publicatie van deze berichten vormt een verzoek op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) door een freelance journalist in relatie met de zogeheten UvA Onderzoeksgroep. 

 

--

 

'Correspondentie via e-mail tussen de dienstdoende ambtenaar van het ministerie van Veiligheid & Justitie (V&J) en onderzoekssecretaris dr. Bert Kreemers. Aanleiding van publicatie van deze berichten vormt een verzoek aan de minister van V&J op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) door een freelance journalist in relatie met de zogeheten UvA Onderzoeksgroep. Naar aanleiding van dit verzoek informeerde Kreemers deze op 5 januari 2016 als volgt.

Kort voor de kerstvakantie heeft het ministerie van Veiligheid en Justitie mij om mijn zienswijze gevraagd met betrekking tot een WOB-verzoek dat u bij dit ministerie heeft ingediend. Ik heb het ministerie de volgende zienswijze toegezonden.

 

‘Wat het WOB-verzoek betreft had ik enige moeite om te begrijpen wat verzoeker bedoelt. Door het wegvallen van onderwerp dan wel werkwoord in verschillende zinnen is het verzoek lastig te volgen. Voor zover ik het heb begrepen, betreft het verzoek inzage in correspondentie tussen uw ministerie en de toenmalige Onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk. Deze commissie bestond uit drs. W.J. Deetman, mevrouw dr. P.J. Draijer, mr. P. Kalbfleisch, prof. dr. H.L.G.J. Merckelbach, mevrouw prof. dr. M.E. Monteiro en prof. dr. ir. G.H. de Vries. Deze commissie heeft bestaan van 7 mei 2010 tot 17 december 2011. In het archief van de Onderzoekscommissie bevindt zich geen enkele vorm van correspondentie met uw ministerie.

 

Gelet op het bovenstaande maak ik formeel bezwaar tegen openbaarmaking door het ministerie van twee e-mailberichten van respectievelijk 5 november 2013 (in uw bericht aan mij wordt abusievelijk van 5 november 2014 gesproken) en van 20 november 2014. De twee e-mailberichten hebben betrekking op een andere commissie dan de hierboven genoemde Onderzoekscommissie. Waar in het bericht van 5 november 2013 wordt gesproken over ‘de leden van de nieuwe commissie’ worden de leden van de zogeheten HEG-commissie bedoeld: mevrouw dr. W. Langeland, mr. P. Kalbfleisch, mr. G.A.M. Stevens en dr. R. Westra. Ook het e-mailbericht van 20 november 2014 heeft betrekking op de HEG-commissie. Voor zover ik het verzoek van verzoeker heb begrepen, heeft zijn verzoek geen betrekking op de HEG-commissie.

 

Desalniettemin heb ik geen bezwaar tegen volledige openbaarmaking mijnerzijds van beide e-mailberichten. Dus met inbegrip van de passages die u voornemens was niet te openbaren. Ik zal de twee e-mailberichten na de kerstvakantie aan de verzoeker doen toekomen. De tekst van beide e-mailberichten wordt op de website www.onderzoekrk.nl geplaatst’.

 

Bijlage: emailbericht van freelance journalist aan de minister van Veiligheid en Justitie


Bijlage: emailberichten van de heer Bert Kreemers aan de heer mr. A. Dingemanse

Persbericht over slotactie voor erkenning en genoegdoening en Regeling van slotactie voor erkenning en genoegdoening

Erkenning en genoegdoening voor klagers over seksueel

misbruik in RK kerk van wie klacht ongegrond is verklaard

 

DEN HAAG, 12 oktober 2015 – De Rooms-Katholieke Kerk in Nederland heeft op voorstel van drs W.J. (Wim) Deetman besloten tot erkenning van en genoegdoening voor klagers over seksueel misbruik, van wie een onafhankelijke klachtencommissie de klacht eerder ongegrond heeft bevonden. Het gaat hierbij om klagers die ter ondersteuning van hun klacht zich alleen konden beroepen op hun eigen verklaring en niet over verder steunbewijs beschikten, terwijl hun klacht authentiek en geloofwaardig is.

 

Het gaat hierbij om ongeveer 250 klagers van wie de klachten tot 1 mei 2015 ongegrond zijn verklaard. Ongeveer 150 van deze klagers hebben inmiddels via herziening, mediation of schikking alsnog erkenning en genoegdoening gekregen. Op advies van een onafhankelijke commissie bieden de Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen een resterende groep van ongeveer 100 klagers van wie de klachten authentiek zijn, erkenning en genoegdoening aan. Zij bieden dit eveneens aan klagers aan van wie de klachten na 1 mei 2015 ongegrond zijn verklaard. Het gaat bij deze groep om een bedrag van bijna een miljoen euro. De bedragen die als financiële tegemoetkoming worden aangeboden liggen tussen 1.000 en 17.500 euro.

 

In het kader van de gegrond verklaarde klachten is tot 1 januari 2015 een bedrag toegekend van 16 miljoen euro, gemiddeld 30.000 euro. In totaal zijn tot 1 januari 2015 1.839 klachten ingediend. Daarvan zijn er 222 ingetrokken. Met 212 klagers werd tijdens de klachtprocedure een schikking getroffen. Voor de klagers over seksueel misgebruik en over geweld hebben de kerkelijke instanties tot nu toe twintig miljoen euro beschikbaar gesteld. Bij de onafhankelijke klachtencommissie zijn nog 393 klachten over seksueel misbruik in behandeling. Ook degenen van wie de nog niet volledig behandelde klacht in deze procedure ongegrond wordt bevonden, komen in aanmerking voor de slotactie. Het percentage ongegrondverklaringen is op dit moment twintig procent.

 

Regeling voor slotactie

De Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen hebben het initiatief genomen voor deze slotactie om erkenning en genoegdoening te bieden aan alle klagers, ook al is hun klacht door de onafhankelijke klachtencommissie ongegrond bevonden. De Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen hebben Deetman gevraagd een voorstel te doen voor zo’n regeling. De regeling voor de slotactie is zonder precedent, zowel wat betreft inhoud als ook wat betreft de hoogte van de bedragen die in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden aangeboden. Bij de uitvoering van de regeling is het niet de bedoeling uitspraken te doen over de feitelijke context van de gebeurtenissen. Met de regeling wordt het risico op de veronderstelling van een voor de klager als pijnlijk ervaren afwijzing teniet gedaan.

 

Contacten met klagers

Aan alle klagers wordt een gesprek aangeboden met vertegenwoordigers van de Rooms-Katholieke Kerk. Het bestuur van de Stichting Beheer & Toezicht van het Meldpunt Seksueel Misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk heeft aangeboden via de daar ten dienste staande voorzieningen hulpverzoeken te beantwoorden en voor hulp te zorgen.

 

Samenstelling commissie

De onafhankelijke commissie bestaat uit vier leden:

• mr P. (Pieter) Kalbfleisch die eerder deel uitmaakte van de Onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK;

• dr W. (Willie) Langeland, die ook bij dat onderzoek betrokken was;

• mr G.A.M. (Wiel) Stevens, die voorzitter is van de Klachtencommissie voor seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK;

• dr R.L.N. (René) Westra, die de opsteller is van de zogeheten nulmeting, een evaluatie van processen van erkenning van en genoegdoening over seksueel misbruik in de RKK.

 

Toezicht en verantwoording

In de regeling voor deze slotactie is vastgelegd dat Deetman toeziet op een onafhankelijke, transparante en juiste uitvoering van de regeling. Later dit jaar legt hij tegenover de opdrachtgevers, de Bisschoppenconferentie en de KNR, verantwoording af over de uitvoering van de regeling. Ook informeert Deetman dan de lotgenotenorganisaties hierover.

 

---

 

Regeling voor het bieden van erkenning en genoegdoening aan degenen die in de klachtenprocedure van het Meldpunt Seksueel Misbruik Rooms-Katholieke Kerk niet hebben kunnen voldoen aan het vereiste van aannemelijkheid

 

1. Doel van de regeling

De regeling heeft betrekking op twee groepen klagers die een klacht hebben ingediend bij het Meldpunt Seksueel Misbruik Rooms-Katholieke Kerk. De eerste groep betreft degenen waarvan de klacht(en) naar de stand van zaken van 1 mei 2015 ongegrond is/zijn verklaard. De tweede groep betreft degenen waarvan de klacht(en) thans nog in behandeling is/zijn en waarvan te zijner tijd zal blijken dat de klacht ongegrond wordt/worden verklaard.

 

De Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen zijn zich bewust van het leed dat zovelen als minderjarige is aangedaan door seksueel misbruik door personen die werkzaam zijn binnen de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland. Indachtig het onderzoek van de Onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk en het vervolgonderzoek van drs. W.J. Deetman spannen de Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen zich in om erkenning en genoegdoening te geven aan al degenen die als minderjarige slachtoffer zijn van seksueel misbruik door personen werkzaam in de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland.

 

Deze regeling is bedoeld om de hierboven genoemde twee groepen klagers erkenning en genoegdoening te geven. In de regeling wordt rekening gehouden met reeds door bisschoppen en hogere oversten verstrekte genoegdoeningen ongeacht het ongegrond verklaren van de klacht.

 

2. Reikwijdte van de regeling

Uitgangspunt is de authenticiteit van wat is gemeld over het leed dat het slachtoffer heeft ondergaan. De regeling is algemeen van aard en de uitvoering van de regeling is er niet op gericht om de feitelijke context van gebeurtenissen vast te stellen. Klachten, die door de Klachtencommissie als aantoonbaar onaannemelijk zijn bestempeld, worden buiten beschouwing gelaten, hoe zeer ook de regeling het risico op de veronderstelling van een voor de klager als pijnlijk ervaren afwijzing te niet wil doen.

 

3. Uitvoering van de regeling

a. de uitvoering van de regeling geschiedt door een onafhankelijke commissie die bestaat uit:

• mr. P. (Pieter) Kalbfleisch

• mevrouw dr. W. (Willie) Langeland

• mr. G.A.M. (Wiel) Stevens

• dr. R.L.N. (René) Westra

b. de commissie start haar werkzaamheden zo spoedig mogelijk en zij beëindigt haar werkzaamheden op 15 december 2015. Over na 1 mei 2015 ongegrond verklaarde klachten adviseert ze periodiek, totdat erkenning en genoegdoening is gedaan aan ook de laatste klager wiens klacht is ongegrond verklaard. Ten behoeve van haar werkzaamheden maakt de commissie een werkinstructie.

c. degenen waarvan de klacht ongegrond is verklaard vóór 1 mei 2015 ontvangen per aangetekende brief uiterlijk oktober 2015 van de kerkelijke autoriteiten bericht of zij in aanmerking komen voor deze regeling. Klagers zullen vervolgens op een eenvoudige wijze kenbaar kunnen maken bij de commissie of zij in aanmerking willen komen voor de regeling.

d. op een later moment zal eenzelfde procedure worden gehanteerd voor degenen wier klacht vanaf 1 mei 2015 ongegrond wordt verklaard.

e. de commissie doet voor haar vaststelling van het in aanmerking komen geen nader onderzoek en zij doet geen uitspraken over de feitelijke context van de gebeurtenissen waarvoor is geklaagd.

f. al degenen onder c. en d. ontvangen door of namens de kerkelijke autoriteiten een aanbod voor een financiële genoegdoening, die overeenkomt met het advies van de commissie. De commissie kan aan de heer Deetman specifieke zaken voorleggen. De heer Deetman adviseert of en zo ja welke maatregelen behoren te worden genomen waarin deze regeling niet voorziet. Het advies van de heer Deetman is bindend.

g. de commissie doet geen eigen onderzoek. De vaststelling van het in aanmerking komen voor deze regeling door de commissie betekent dan ook niet dat de ongegrondverklaring herroepen wordt.

 

4. Hulp en ondersteuning

Aan al degenen onder 3.c en 3.d wordt de mogelijkheid van (doorverwijzing naar) hulp geboden. Ook bestaat de mogelijkheid van gesprekken met vertrouwenspersonen van het Meldpunt en met de verantwoordelijke kerkelijke autoriteiten.

 

5. Toezicht en verantwoording

Op de uitvoering van de regeling houdt drs. W.J. Deetman toezicht. Op twee momenten bericht hij over de uitvoering van de regeling: uiterlijk eind dit jaar en kort na het advies over de laatste klacht die ongegrond wordt verklaard. De commissie stelt een verantwoording op over de wijze waarop zij haar werkzaamheden uitvoert. Deze verantwoording wordt gepubliceerd op www.onderzoekrk.nl.

Reactie op biografie kardinaal Simonis

Geen feitelijke grondslag voor enkele beweringen

DEN HAAG – 11 december 2014 – De biografie van kardinaal dr A.J. Simonis bevat enkele beweringen van zijn kant die geen grond vinden in de feiten. De voormalige onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) bracht deze feiten in haar eindrapport in beeld. De biografie van Simonis, waarvoor de auteur Ton Crijnen tekent, verscheen vandaag onder de titel Kardinaal Ad Simonis – kerkleider in de branding.

In de biografie brengt Simonis een aantal punten van kritiek naar voren op het eindrapport van de onderzoekscommissie dat drie jaar geleden verscheen. Dit persbericht licht een tweetal kritiekpunten hieruit. Deze punten hebben betrekking op de beweerde onwetendheid en op vermeende maatstaven voor seksuele relaties met kinderen in de jaren zeventig en tachtig. De onderzoekscommissie beperkt zich als steeds tot de feiten en bevindingen; ze onthoudt zich van waardeoordelen. Zie ook: www.onderzoekrk.nl.

De commissie die onder voorzitterschap stond van drs W.J. (Wim) Deetman, bracht met haar onafhankelijk onderzoek aard, omvang en omstandigheden van, als ook de verantwoordelijkheden voor seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK in Nederland in beeld, evenals de gevolgen hiervan voor slachtoffers en hun omgeving. Dit wetenschappelijk onderzoek in opdracht van de RK bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) besloeg de periode tussen 1945 en 2010.

‘Wir haben es nicht gewusst’

Vanuit de onderzoeksopdracht diende de commissie ook in te gaan op de rol van kardinaal dr A.J. Simonis, evenals op de uitlatingen die hij op 23 maart 2010 ten aanzien van seksueel misbruik deed in het televisieprogramma Pauw & Witteman. Zo reageerde Simonis op de vraag ‘Wat wist u er eigenlijk van?’ met de opmerking: ‘Het is een heel gevaarlijke uitspraak die ik doe, want het is zeer beladen: Wir haben es nicht gewusst’.[1]

In de presentatie van het commissierapport gaf Deetman op 16 december 2011 hierover aan: ‘De stelling ‘wij hebben het niet geweten’ kan ik niet staande houden’. De kardinaal noemt dit blijkens de biografie een loze uitspraak: ‘Hoe kon de generatie bisschoppen waartoe ik behoor, weet hebben van het groot aantal misbruikzaken als al die tijd per bisdom slechts sporadisch een geval van misbruik aan het licht kwam?’ Simonis zegt dat de grote omvang van het aantal misbruikzaken pas duidelijk werd uit het commissierapport. Ook stelt hij dat de misbruikzaken zich vooral voordeden in de internaten en buiten het gezichtsveld en de bevoegdheden van de bisschoppen.

Voorzichtige conclusie

De commissie baseerde zich in haar eindrapport op een analyse van de meldingen van seksueel misbruik en/of fysiek geweld, op verklaringen van plegers, op enquêtes (survey), diepte-interviews, casestudies, een studie naar de internationale literatuur en een archiefonderzoek. In het eindrapport trok de commissie op basis hiervan de voorzichtige conclusie dat het seksueel misbruik van minderjarigen voor ongeveer de helft plaatsvond in situaties waarvoor de bisschoppen verantwoordelijkheid droegen.

In de bisschoppenconferentie kwam onder voorzitterschap van Simonis seksueel misbruik, ook van minderjarigen, aan de orde. Het toenemend aantal meldingen hiervan in 2002 nam de conferentie het jaar hierop voor kennisgeving aan. Als aartsbisschop kreeg Simonis te maken met zestien of zeventien plegers van seksueel misbruik. In het programma Pauw & Witteman zei hij: ‘Ik ben 38 jaar actief bisschop geweest. In die 38 jaar heb ik naar mijn herinnering ongeveer tien gevallen meegemaakt in dit opzicht’. (Zie ook bladzijde 76, 80-95, 219-242 van het eindrapport.)

Uitspraak onjuist maar geen toedekking

In de biografie merkt Deetman over Simonis onder andere op: ‘Natuurlijk was de uitspraak ’wir haben es nicht gewusst’ niet slim en onjuist, maar daar staat tegenover dat hij in gevallen van seksueel misbruik die hem ter ore kwamen vrijwel altijd een psycholoog of psychiater inschakelde, de zaken nooit toedekte en zijn pastorale verantwoordelijkheid tegenover de slachtoffers niet ontliep. In tegendeel’. (Zie ook bladzijde 222-223, 224-227, 242 van het eindrapport.)

Van seksueel misbruik aangifte doen behoorde echter ook onder Simonis ‘niet tot het bestuurlijk repertoire’ van het aartsbisdom, stelt het eindrapport vast. ‘Dat werd aan de slachtoffers en hun ouders overgelaten. De Onderzoekscommissie plaatst een kritische kanttekening bij het niet inschakelen van het Openbaar Ministerie. De maatregelen die het aartsbisdom nam hadden veeleer het karakter van interne maatregelen: met vervroegd emeritaat, of op non-actief stellen.’

Ook constateerde de commissie in haar eindrapport dat de bisschoppenconferentie in de jaren tachtig en negentig niet heeft ‘bijgedragen aan een meer structurele aanpak van het vraagstuk van seksueel misbruik van minderjarigen. Dit is zondermeer te wijten aan de autonomie van de bisschoppen, maar desalniettemin zou een meer centrale regie wenselijk en nodig zijn geweest’. De bisschoppenconferentie stond tussen 1983 en 2007 onder voorzitterschap van Simonis. (Zie ook bladzijde 88-95, 220-223, 227-228 van het eindrapport.)

‘Toegeeflijker cultuur’

Simonis meent dat de commissie in haar eindrapport seksueel misbruik in de periode tussen 1970 en 1990 beoordeelde met de kennis, het inzicht en de strenge maatstaven van nu, ‘terwijl er toen in ons land een veel toegeeflijker cultuur heerste’ ten aanzien van seksuele relaties met kinderen. ‘Dit gold niet alleen voor de kerk, maar dat zag je ook op school, in de zorgsector, in de media, op radio en televisie’.

De commissie stelde voor haar onderzoek een houdbare definitie vast van seksueel misbruik. Ook verdiepte ze zich in de ontwikkeling van maatschappelijke opvattingen en van het strafrecht in de onderzoeksperiode. Ze constateerde dat het overgrote deel van het onderzochte misbruik plaatshad vanaf het midden van de jaren veertig tot het begin van de jaren zeventig. In deze noch in hierop volgende decennia was sprake van een breed gedragen pleidooi in de samenleving voor afschaffing van de wettelijke bescherming van kinderen tegen seksuele contacten met volwassenen. Evenmin heeft de commissie vast kunnen stellen dat de leer van de RKK in de door Simonis genoemde periode blijk gaf van coulance jegens pedofilie. (Zie ook bladzijde 60-61 en verder van het eindrapport.)

Opgave van actuele betekenis

Overigens nam Deetman met instemming kennis van de publieke reactie van Simonis op het eindrapport en stelde hij het op prijs dat de kardinaal op aangeven van de commissie met een slachtoffer sprak. In diens verklaring naar aanleiding van het rapport benadrukte Simonis dat hij zich wil inzetten voor verwerking van het door misbruik aangedane leed. Deetman: ‘Dat is een opgave die van onverminderde actuele betekenis is nu de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland haar verantwoordelijkheid wil nemen en blijken van erkenning en genoegdoening wil geven aan slachtoffers‘.



[1] Enkele dagen na deze uitlating bood Simonis hiervoor zijn verontschuldigingen aan, waarover hij in de biografie zegt: ‘De lading van de Duitse zin had ik echt verkeerd ingeschat’.

 

Beantwoording van de vragen van de vaste commissie van 7 november jl.

Den Haag, 11 november 2013

 

Aan de voorzitter en leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie

Per e-mail: cie.vj@tweedekamer.nl

 

Geachte voorzitter en leden van de vaste commissie,

 

Graag beantwoord ik uw brief van 7 november jl.

 

Voor de goede orde begin ik met twee algemene opmerkingen die voor de beantwoording van uw vragen van belang zijn.

 

De eerste heeft betrekking op het tweede onderzoek. In dat onderzoek is in archieven geen enkel feitelijk spoor aangetroffen van naar slachtoffers herleidbaar fysiek of psychisch geweld. Natuurlijk werd er in algemene zin over gesproken, maar als ervoor wordt gekozen om voor meldingen en klachten in dit verband een procedure in het leven te roepen analoog aan gebruikelijke klachtenprocedures dan loopt men naar mijn stellige overtuiging op tegen problemen. Er is geen bewijs, er is geen of nauwelijks steunbewijs. Terwijl we wel weten dat het nodige zich heeft afgespeeld wat als excessief fysiek en psychisch geweld moet worden gekwalificeerd. Daarbij past ook nog eens de kanttekening dat van een algemeen aanvaarde definitie geen sprake is. Dat vraagt om een procedure waarin in feite geen sprake is van bewijslast en vaststelling van de feiten. Het gaat immers om de slachtoffers en niet om ingewikkelde procedures met voor slachtoffers ongewisse uitkomsten. 

 

De tweede algemene opmerking ligt in het verlengde van de eerste. Als we van het bovenstaande uitgaan, is het dan voor de hand liggend om voor alle melders/klagers uit te gaan van een uitgebreide, tijdrovende, precieze procedure? De eerste meldingen over geweld, bij voorbeeld bij Mea Culpa United, dateren van het voorjaar van 2010. Door KLOKK wordt sterk aangedrongen op het nauwgezet volgen van termijnen in de klachten- en compensatieregelingen. De huidige regeling is doelbewust kort, maar ook flexibel gehouden. Waar nodig, kan worden aangestuurd op special mediation. Of gesprekken tussen slachtoffer en pleger/vertegenwoordiger van de (overleden) pleger.

 

De mogelijkheid van special mediation houdt de commissie nadrukkelijk open. Zij gaat er vanuit dat waar de noodzaak van special mediation aanwezig is met het betrokken slachtoffer afspraken kunnen worden gemaakt over de invulling van special mediation. Inzage in de tot nu toe bekende meldingen heeft mij geen zekerheid geboden over de inhoud en vorm van special mediation. Hierbij zijn de wensen van het slachtoffer uiteraard belangrijk. Ik heb kunnen vaststellen dat veel melders geen behoefte hebben aan een procedure met een lange doorlooptijd, maar snel en duidelijk erkenning willen krijgen voor het ondervonden leed.

Als melders zich na 1 december melden, zal gevraagd worden of zij zich bij andere instanties reeds eerder hebben gemeld. Als dat het geval is, wordt hun melding in behandeling genomen. Voor melders na 1 december die aannemelijk kunnen maken waarom ze zich niet eerder hebben gemeld geldt hetzelfde. Voor andere melders na 1 december geldt dat de commissie van geval tot geval, dus maatwerk,  beslist of ze de melding in behandeling zal nemen.

De regeling is wat de vaststelling van de feiten betreft laagdrempelig. Doorslaggevend voor de commissie is dat de melding authentiek is. Mochten op dat punt vragen leven bij de commissie, dan voorziet de procedure in een verzoek om meer informatie al dan niet in combinatie met een gesprek.

In alle drie gevallen staat de weg naar special mediation open. Alle melders wordt de gelegenheid geboden met de commissie een gesprek te voeren.

 

Anders dan de reactie van KLOKK doet vermoeden, bestaat wel degelijk de mogelijkheid van een gesprek tussen slachtoffer en pleger dan wel een vertegenwoordiger van de (overleden) pleger. Dit is geïnitieerd door KLOKK, reeds in gang gezet vanaf 6 februari jl., gecommuniceerd naar lotgenotengroepen en behoeft dus niet meer in een nieuwe regeling te worden vastgelegd.

 

Het VPKK zou – zo werd gemeld in de rondetafelconferentie - doelbewust zijn buitengesloten van voorbesprekingen over de nieuwe regeling. Ik heb me op het standpunt gesteld dat ik vanuit een onafhankelijke positie een nieuwe regeling zou voorstellen. Ik heb hierover met deskundigen en beoogde commissieleden gesproken, maar dat is in volstrekte onafhankelijkheid en vertrouwelijkheid gebeurd. Het VPKK is aangeboden om vertrouwelijk vooroverleg te voeren, maar het VPKK heeft laten weten op die basis daarvan geen gebruik te willen maken. Eerder had het VPKK laten weten de nieuwe regeling te willen afwachten. Met het bestuur van KLOKK heb ik regelmatig contact. Daarin worden op basis van vertrouwelijkheid verschillende onderwerpen, met name knelpunten in procedures en schrijnende gevallen, besproken. Naar aanleiding van de nieuwe regeling heeft Mea Culpa United laten weten graag te willen ingaan op afstemmings- en terugkoppelingsoverleg. Dit juich ik van harte toe. De commissie heeft de lotgenotengroepen laten weten dit overleg op prijs te stellen. KLOKK, VPKK en dus ook Mea Culpa United hebben laten weten hiervan gebruik te willen maken. Het eerste overleg is voorzien op 13 november om 13 uur. Het tweede begin december.

 

De nieuwe regeling is geen papieren regeling. Al eerder is besloten om slachtoffers in gesprek te laten komen met plegers en vertegenwoordigers van (overleden) plegers. Alleen al vanaf 6 februari jl betreft dit ongeveer 25 slachtoffers. Eerder (2010, 2011, 2012) heeft de commissie-Deetman al gesprekken met slachtoffers van geweld gevoerd. Deze slachtoffers hebben de verslagen van hun gesprekken geautoriseerd. Door de deelname van de heren Kalbfleisch en Kreemers aan deze nieuwe commissie is kennisoverdracht van deze vertrouwelijk gevoerde gesprekken gewaarborgd. Door de deelname van de heer Stevens ook het verband naar uitspraken van de Klachtencommissie, onder andere ook met het oog op eerder niet-ontvankelijk verklaarde klachten die eerder niet in behandeling zijn genomen en nu wel in deze commissie aanhangig zijn. Ik heb er bewust voor gekozen leden voor deze nieuwe commissie te kiezen die de meldingen, klachten, melders en klagers reeds kennen. Met het oog op een snelle afhandeling van alle klachten is het onwenselijk dat nieuwe leden een inwerkperiode en kennismakingstijd nodig zouden hebben. Alle melders die in aanmerking komen voor deze regeling krijgen het aanbod om met de commissie een gesprek te voeren.

Ik zal toezien op de uitvoering van de regeling en in mijn monitorrapportage begin volgend jaar rapporteren.

 

De in de regeling gebruikte bedragen zijn uitgangspunten. De regeling kent geen bewijslast en geen feitenvaststelling. Wie kan aantonen aanmerkelijke schade en inkomstenderving te hebben ondervonden, staat het vrij dit aan de commissie voor te leggen. De commissie zal dan alle mogelijke vormen van oplossing, zoals bemiddeling, (special) mediation, inschakelen. Hiervoor geldt ook een hardheidsclausule. Anders dan de heer Dohmen tijdens de rondetafelconferentie beweerde, is het bedrag van 5.000 euro geen maximum bedrag.

 

De hardheidsclausule houdt in dat ik op aangeven van de commissie een finaal en bindend advies over te treffen financiële genoegdoening aan de desbetreffende kerkelijke autoriteiten zal voorleggen. De gevolgen van de daad worden zodoende verdisconteerd. Een regeling die primair uitgaat van veronderstelde gevolgen vraagt om een bewijslast. Zie hiervoor hoofdstuk 7 van het eerste rapport van de commissie-Deetman. De huidige regeling biedt hiervoor wel degelijk een opening, maar waar het verband met het niet vast te stellen gebeurde niet kan worden gelegd voorziet de regeling wel in een financiële tegemoetkoming en genoegdoening.

 

De heren Kalbfleisch en Westra zouden niet gekwalificeerd zijn. De leden van de commissie zijn allemaal mannen. Ook dat is een verwijt. De heer Kalbfleisch is lid geweest van de eerste commissie Deetman en heeft in die hoedanigheid gesprekken met slachtoffers gevoerd. Hij heeft onder andere de functie van kinderrechter vervuld. Ik heb de heer Kalbfleisch als een van mijn externe deskundigen bij het vervolgonderzoek gevraagd. De heer Westra heeft onlangs in kaart gebracht waar de Rooms-Katholieke Kerk staat bij de uitvoering van de aanbevelingen van rapporten van de commissie-Deetman en het vervolgonderzoek van de heer Deetman. Hij heeft dit op verzoek van het bestuur van KLOKK, de Bisschoppenconferentie en de KNR gedaan. De heer Stevens is voorzitter van de Klachtencommissie seksueel misbruik minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk.  De ondersteuning van de commissie bestaat uit dr. H.P.M. (Bert) Kreemers), mevrouw dr. W. (Willie) Langeland en mevrouw M.E. (Mechteld) Giesen MA. Alle drie waren betrokken bij de eerdere onderzoeken van de commissie-Deetman en mij. Eventuele aanvullende expertise (bij voorbeeld voor special mediation) is voorhanden. De voltallige commissie bestaat derhalve uit vier mannen en twee vrouwen. De nieuwe regeling is zoals in de desbetreffende motie-Van der Steur is gevraagd bedoeld voor vrouwen én mannen. Voor zover nu bij de commissie bekend is, betreft ongeveer de helft van de melders en klagers uit vrouwen en de andere helft uit mannen. Deze verdeling kan uiteraard nog veranderen als alle meldingen zijn ontvangen.

 

Kortheidshalve vat ik het bovenstaande als antwoord op uw vraagpunten als volgt samen:

 

1.       Er is een hardheidsclausule

2.       De commissie bestaat louter uit mannen, maar maakt voor haar werkzaamheden gebruik van eerder voor onder andere de Onderzoekscommissie ingezet (vrouwelijke) deskundigen. Bij de vervolgstap naar ‘special mediation’ is deskundigheid voorhanden, van vrouwelijke professionals. Uit een eerste inventarisatie blijkt dat het gaat om voor de helft vrouwelijke slachtoffers, voor de andere helft mannelijke. Mijn voorstel voor de samenstelling gaat er in het belang van de slachtoffers vanuit dat de commissie bestaat uit ter zake deskundige, onafhankelijke leden.

3.       De hardheidsclausule biedt de mogelijkheid om de gevolgen te verdisconteren in de financiële tegemoetkoming. Waar de regeling geen enkele bewijslast kent, geldt dat wel voor de hardheidsclausule.

4.       De regeling voorziet zowel in gesprekken met de desbetreffende kerkelijke organisatie als de commissie. Het besluit hiertoe ligt in handen van klager/melder.

5.       Ik heb bij mijn eerdere aanbevelingen en voorstellen ervoor gekozen onafhankelijk van wie dan ook tot mijn  voorstellen te komen. Dat gold voor mijn tussenadvies over de hulpverlening, voor mijn tweede advies over hulpverlening, voor mijn eindrapport, voor mijn monitoringrapport, voor mijn tweede onderzoeksrapport en ook voor mijn voorstel voor deze regeling. Waar kritiek en suggesties aan de orde staan, is de nieuwe commissie bereid om afstemmings- en terugkoppelingsoverleg te voeren.  Het eerste overleg vindt op 14 november plaats, het tweede begin december. Alle lotgenotengroepen hebben toegezegd aan dit overleg deel te nemen.

 

Met de meeste hoogachting,

 

drs. W.J. (Wim) Deetman

 

Reactie op de uitgave van het Vrouwen Platform Kerkelijk Kindermisbruik

Den Haag, 29 oktober 2013

 

Aan de voorzitter en leden van de

Commissie voor Veiligheid en Justitie van de Tweede Kamer

Postbus 20018

2500 EA Den Haag

 

Geachte voorzitter en leden,

 

Graag reageer ik op uw verzoek dat mij op 7 oktober heeft bereikt (uw kenmerk 2013Z17597/2013D39162). U vraagt mij te reageren op een uitgave van het Vrouwen Platform Kerkelijk Kindermisbruik (VPKK), die op 11 september aan u is toegezonden.

 

Graag voldoe ik aan uw verzoek.

 

Voor een goed begrip van mijn reactie licht ik u allereerst in over het tweede onderzoek waaraan ik leiding heb gegeven. In dit verband ga ik ook in op de betrokkenheid van de huidige voorzitter van het VPKK bij dit onderzoek en de contacten die niet alleen ik, maar ook mijn medewerkers met haar hebben gehad in de aanloop naar dit tweede onderzoek en na publicatie. Ten slotte ga ik in op de 56 klachten waarover het VPKK in zijn uitgave spreekt.

 

1.      Aard en reikwijdte van het tweede onderzoek naar seksueel misbruik van en geweld tegen meisjes in de Rooms-Katholieke Kerk

 

Op 16 december 2011 is het eerste onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk gepubliceerd. Dit eerste onderzoek heeft anders dan mevrouw Knibbe stelt (bladzij 2 en 6 van haar notitie) betrekking op mannen én vrouwen. Hier is sprake van een misverstand. In het kader van het eerste onderzoek heeft de Onderzoekscommissie enkele honderden slachtoffers individueel of in groepsverband gesproken. Hieronder waren ook tientallen vrouwen. Ook – anders dan mevrouw Knibbe aangeeft – over misbruik in parochies en gezinssituaties. Zie hierover het eerste onderzoeksrapport, bladzij 200 tot en met 285, bladzij 310 tot en met 330 en bladzij 667 tot en met 685.[1]

 

Om de aard en omvang van seksueel misbruik te kunnen bepalen heeft de Onderzoekscommissie allereerst gebruik gemaakt van de meldingen die aan de Onderzoekscommissie waren gericht. Het bleek te gaan om meldingen van mannen (82,5 procent) en vrouwen (16,5 procent). Bij een aantal meldingen kon niet worden vastgesteld of sprake was van een man of een vrouw.

 

Om na te gaan of de meldingen een getrouw beeld gaven van de onderzochte problematiek is een grootscheeps onderzoek gestart met behulp van TNS Nipo. Een representatieve steekproef van mannen én vrouwen zijn vragen voorgelegd. Hieruit kwam naar voren dat van de slachtoffers van seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk sprake is geweest van seksueel misbruik van minderjarige mannen (77,5 procent) en van minderjarige vrouwen (22,5 procent). Hoewel het percentage misbruikten laag is, gaat het om aanzienlijke aantallen mannen én vrouwen. De Onderzoekscommissie kwam uit op een beredeneerde schatting van enkele tienduizenden mannen én vrouwen.

 

De Onderzoekscommissie had naast deze meer statistische aanpak ook gekozen voor een uitgebreid archiefonderzoek. Hiervoor waren de meldingen richtinggevend. Waar sprake was van meer dan 25 meldingen per kerkelijke organisatie en/of locatie zijn de archieven van deze instanties onderzocht. Het betrof op een enkele uitzondering na ordes en congregaties van mannelijke religieuzen. Om toch een zo goed mogelijk totaalbeeld te geven heeft de Onderzoekscommissie in het eerste onderzoek alle bisschoppelijke archieven onderzocht en heeft een (beperkt) onderzoek plaatsgevonden bij vier congregaties van vrouwelijke religieuzen.

 

In het tweede onderzoek lag de nadruk op congregaties van vrouwelijke religieuzen. Zowel in het eerste, als ook in het tweede onderzoek zijn de meldingen gebruikt om gericht te zoeken in archieven. Het is belangrijk om hierop te wijzen, omdat bij mevrouw Knibbe sprake is van de onjuiste veronderstelling dat de onder mijn leiding uitgevoerde onderzoeken zich vooral zouden richten op een weergave van de binnengekomen meldingen. Het eerste onderzoeksrapport bevat nauwelijks weergaven van meldingen, het tweede onderzoeksrapport gebruikt eveneens ook maar een aantal passages uit meldingen om dieper te kunnen ingaan op de vragen naar de omvang en aard van seksueel misbruik van en geweld tegen meisjes in de Rooms-Katholieke Kerk.

 

Het tweede onderzoek leverde geen andere inzichten op over de omvang van het misbruik van meisjes. Dat was geen verrassing, omdat het onderzoek met behulp van TNS Nipo al had uitgewezen dat het misbruik weliswaar omvangrijk was maar zich in meerderheid richtte op minderjarige mannen. Uitkomsten van onderzoeken in andere landen bevestigen dat bij het totale aantal slachtoffers  sprake was van veel meer minderjarige mannen dan vrouwen. Het spreekt voor zichzelf dat het hier allemaal om slachtoffers gaat, om minderjarigen, vaak heel jonge kinderen die aan de zorg van de Rooms-Katholieke Kerk waren toevertrouwd.

 

Het tweede onderzoek gaf geen aanleiding tot bijstelling, maar wel aan tot aanvulling van de conclusies en aanbevelingen in het eerste onderzoek. Hieronder volgen enkele van de conclusies uit het vervolgonderzoek:

  • Bij ruim veertig procent van de onderzochte meldingen van seksueel misbruik van minderjarige vrouwen is sprake van ernstig seksueel misbruik.
  • Misbruik van minderjarige vrouwen kwam blijkens de meldingen veel vaker thuis (veertig procent) en in de parochie (ruim dertig procent) voor. Seksueel misbruik van jongens kwam veel vaker in instellingen voor.
  • Seksueel misbruik ging in de helft van de gevallen gepaard met fysiek en/of psychisch geweld.
  • De nieuwe en eerdere meldingen maken, al dan niet in combinatie met seksueel misbruik, in de meeste gevallen gewag van een combinatie van fysiek en psychisch geweld. De aard van de geweldshandelingen komt eveneens in hoge mate overeen. Dat geldt ook voor de frequentie en duur van het geweld, namelijk herhaald en langer dan een jaar.
  • Het merendeel van de vrouwelijke slachtoffers was tussen de 6 en 14 jaar toen het seksueel misbruik en/of geweld begon. De meeste evaringen vonden plaats in de jaren vijftig en zestig.
  • Vond het seksueel misbruik van meisjes vooral thuis en in de parochie plaats, geweld tegen minderjarige vrouwen lijkt vooral te zijn gepleegd in instellingen zoals kindertehuizen en ziekenhuizen.
  • Bij fysiek en psychisch geweld (zonder dat sprake is van seksueel misbruik) wijzen de nieuwe en eerdere meldingen veelal vrouwelijke plegers aan, vooral vrouwelijke religieuzen die als onderwijzeres of verzorgster werkzaam waren.
  • In ongeveer de helft van de gevallen is het misbruik en/of geweld eerder ergens gemeld, maar vaak ook pas na jaren.
  • Diepgaand archiefonderzoek, onder andere in die van tien zustercongregaties, biedt geen directe aanwijzingen van geweld en geweldsincidenten. De onderzoeksorganisatie trof geen vastlegging aan van zulke incidenten.
  • Uit de onderzochte archieven rijst het beeld op van een omgang van zusters met meisjes en zusters onderling in een kille en koele omgeving van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig.

2.      De betrokkenheid van mevrouw Knibbe en het VPKK bij het tweede onderzoek

 

Mevrouw Knibbe heeft van meet af aan een belangrijke en prominente rol vervuld onder de slachtoffers. In eerste instantie was zij betrokken bij de Stichting Mea Culpa. Later werd zij actief als bestuurslid van KLOKK. In beide hoedanigheden heeft de Onderzoekscommissie met grote regelmaat met haar gesproken. Zij heeft niet alleen haar persoonlijke ervaringen met de Onderzoekscommissie gedeeld, maar ook anderen de weg gewezen naar de Onderzoekscommissie en de Onderzoekscommissie voorzien van goede adviezen. Ik ben haar daarvoor zeer erkentelijk. Zij was een van de eerste slachtoffers die heeft gewezen op het belang van een goed georganiseerde en goed gebundelde behartiging van de belangen van slachtoffers in één organisatie. Mede op haar aanraden heb ik frequent en intensief contact gehad met KLOKK, de organisatie waarvan zij tot 17 december 2012 bestuurslid is geweest.

 

Bij het uitwerken van de opzet van het tweede onderzoek heb ik uitgebreid gebruik gemaakt van haar adviezen en inbreng. Mijn medewerkers hebben intensief contact met haar gehad. Ze heeft voor de voorbereidingen van het tweede onderzoek notities geschreven en aan mij ter beschikking gesteld. Op 19 juni 2012 heeft ze in een (tweede) gesprek over de onderzoeksopzet suggesties en aanbevelingen gedaan die ik ten volle heb verdisconteerd in mijn opzet voor dit tweede onderzoek.

 

Op 16 december 2012 heeft ze laten weten dat ze haar bestuurslidmaatschap van KLOKK had beëindigd. Op haar verzoek heeft een van mijn medewerkers toen contact met haar gezocht. Een gesprek met haar bleek pas mogelijk op 19 januari 2013 in Maastricht. De dag ervoor verscheen in het dagblad Trouw een paginagroot interview met mevrouw Knibbe waarin ze kritiek uitsprak over mijn tweede onderzoek. Het tweede onderzoek zou ‘veel beperkter zijn dan het eerste’ en die beperking zou mij zijn afgedwongen onder druk van de bisschoppen en religieuzen. Mevrouw Knibbe gaf aan dat als vrouwen meer tijd (ze dacht daarbij aan jaren) was gegeven veel meer meldingen mij zouden hebben bereikt.

 

Ik heb de leden van het bestuur van het VPKK op 7 februari 2013 gesproken. Dat gesprek verliep constructief en we hebben toen ook afspraken gemaakt. Het ging hierbij om vermelding van hun website in het tweede onderzoeksrapport, voorinzage in het tweede rapport en een open contact waarin we elkaar over en weer zouden informeren, onder andere over initiatieven in de richting van de media en de Tweede Kamer.

 

3.      Na de verschijning van het tweede onderzoek

 

Overeenkomstig de gemaakte afspraken heb ik het VPKK voorinzage gegeven in mijn tweede onderzoeksrapport. Vertegenwoordigers van het VPKK hebben op 9 maart, twee dagen voor verschijning van het onderzoek, embargoexemplaren ontvangen.

 Op 11 maart jl heb ik het tweede onderzoek aangeboden aan de opdrachtgevers en gepubliceerd. Diezelfde avond heb ik de melders tijdens een besloten bijeenkomst een toelichting gegeven op mijn belangrijkste bevindingen. Ik heb de nodige vragen beantwoord en mevrouw Knibbe en het VPKK in de gelegenheid gesteld daar het woord te voeren en met de aanwezigen contact te leggen.

 

Op 11 maart jl heeft het VPKK in een persbericht laten weten dat het VPKK geen twijfel had dat ik en mijn medewerkers dit onderzoek naar eer en geweten hebben uitgevoerd.  In haar reactie herhaalde het VPKK dat ze niet tevreden was met de termijn waarbinnen nieuwe meldingen bij mij konden worden gedaan.  

 

Deze klacht acht ik overigens om de hieronder volgende redenen niet steekhoudend:

  • in het vervolgonderzoek zijn alle relevante meldingen betrokken die ik in de periode tussen 10 maart 2010 en 16 december 2011 heb ontvangen;
  • voor het vervolgonderzoek geldt dat al in de loop van januari/februari 2012 duidelijk was dat slachtoffers zich konden melden. De Tweede Kamer heeft in deze periode twee keer over het vervolgonderzoek beraadslaagd en de minister van Veiligheid en Justitie heeft in de Tweede Kamer uitvoerig bericht over mijn bereidheid om het vervolgonderzoek te verrichten;
  • volgens mevrouw Knibbe (bladzij 6 en 7 van haar notitie) was de periode van 22 mei tot 1 juli 2012 ‘vakantietijd’. Hier moet sprake zijn van een vergissing;
  • volgens mevrouw Knibbe is aan de mogelijkheid tot melding te weinig ruchtbaarheid gegeven. Ik heb voor bekendmaking van de meldingstermijn dezelfde wegen bewandeld als bij het eerste onderzoek;
  • de meldingstermijn was – gelet op de meldingstermijn bij het eerste onderzoek – adequaat;
  • alle na sluiting van het de aanmeldingstijd binnengekomen meldingen zijn in het onderzoek meegenomen. De sluitingsdatum was van belang voor het geven van richting aan en de voortgang van het onderzoek, vooral ook met het oog op een zo spoedig mogelijke hulp en genoegdoening

 

Op 15 maart werd ik geconfronteerd met vragen van media over een mij op dat moment onbekend persbericht, waarin het VPKK zou aangeven dat er bij het VPKK 21 klachten waren binnengekomen over de weergave van meldingen in mijn tweede onderzoeksrapport. Het persbericht spreekt in de kop van 21 klachten, maar in de tekst is sprake van 18 klachten. Ik heb op 16 maart laten weten dat ik het betreurde dat ik via de media van de kritiek van het VPKK had moeten vernemen en dat ik dat ik ook niet conform de op 7 februari gemaakte afspraken vond. Als reactie daarop kreeg ik bericht dat ik over de kritiek van melders zou kunnen spreken met mevrouw Knibbe nadat ‘vóór alles te horen of jullie het met mij eens zijn dat de weergave van de meldingen onbevooroordeeld moet zijn en dat de melders ook mogen vertrouwen dat de betekenis van hun klacht niet anders mag zijn weergegeven dan zij hem hebben aangereikt’.

 

Ik hecht eraan dit zo authentiek weer te geven, omdat hier duidelijk wordt dat mevrouw Knibbe en ik een verschillende visie hebben over de wijze waarop een gedegen, naar wetenschappelijke standaarden uitgevoerd onderzoek moet worden uitgevoerd. Voor haar is een zo volledig mogelijke weergave van een beschrijving van een melder een absoluut vereiste, voor mijn onderzoek was zo’n melding richtinggevend voor nader onderzoek. Het frappante is dat mevrouw Knibbe en ik niet verschillen in conclusie. Het springende punt is bij haar de wijze van weergave. Mijn opvatting is dat het weergeven van en citeren uit meldingen in een bredere context moet worden gezien en dienstbaar moet zijn aan een wetenschappelijk onderbouwde onderzoeksaanpak. De Onderzoeksoprganisatie heeft via haar een aantal uitvoerige meldingen gekregen. Sommige tellen meer dan tien bladzijden en bevatten uitvoerige levensbeschrijvingen. Hoe goed ook bedoeld, maar mevrouw Knibbe (aan wiens bedoelingen ik dus niet twijfel) gaat hier op de stoel van onderzoeker zitten. Hoe begrijpelijk ook, is dat vanwege mijn strikte onafhankelijkheid die ik ook in deze twee onderzoeken heb betracht, niet gewenst.

 

Ik heb op 16 maart mevrouw Knibbe gevraagd mij inzage te geven in de 18 dan wel de 21 door haar ontvangen klachten. Op 19 maart is mij meegedeeld dat dat niet mogelijk was. Het zou niet gepast zijn mij daarover te informeren. Op 20 maart heb ik voorgesteld om de klagers om toestemming te vragen mij over hun klacht te informeren, desnoods geanonimiseerd. De dag daarna is dit aanbod door mevrouw Knibbe van de hand gewezen. Zij deelde mij mee dat de twijfels over een deel van mijn tweede onderzoeksrapport zouden worden geboekstaafd en neergelegd zouden worden in een publiek document. Mij werd gevraagd hiermee in te stemmen. Op 24 maart heb ik aangeboden deze klagers in aanmerking te laten komen voor de door mij voorgestelde ‘special mediation’, dat wil zeggen via personen die niet onder mijn leiding vallen. Dat aanbod heeft – zo bleek mij uit door mevrouw Knibbe toegezonden e-mailberichtverkeer – binnen het VPKK even geleid tot een nadere afweging. Uiteindelijk is op 25 maart zonder een reactie op dit aanbod, zonder afstemming met mij en dus zonder mijn reactie in het kader van hoor en wederhoor door mevrouw Knibbe een bericht verzonden aan uw commissie en aan de media.

 

4.      Klachten over het onderzoeksrapport 

Het is mij – eerlijk gezegd – onduidelijk hoeveel klachten er nu precies zijn. In haar bericht aan uw commissie gaat het volgens mevrouw Knibbe om 56 klachten, die niet worden gespecificeerd maar betrekking zouden hebben op:

  • Een verkeerde selectie van informatie uit meldingen; weglating belangrijke gegevens, nadruk op irrelevante gegevens, zoekraken van meldingen, te korte meldtijd en onbekendheid van het onderzoek;
  • Onvoldoende of verkeerd gebruik van andere bronnen;
  • Fouten in de weergave.

 

In haar uitgave die aan u is voorgelegd gaat het om een beperkt aantal gevallen, waarover ik me niet in specifieke zin kan uitspreken omdat – voor zover ik deze meldingen ken – deze vertrouwelijk aan mij zijn gedaan.

 

Waar ik me wel over kan uitspreken zijn de klachten die mij rechtstreeks hebben bereikt. Tijdens de rondetafelconferentie op 28 maart is u meegedeeld dat op dat moment twee slachtoffers zich hadden gemeld met klachten en opmerkingen over het tweede onderzoeksrapport.  In één geval betrof het het weerwoord van de desbetreffende congregatie. Dit raakt uiteraard de bevindingen en de conclusies in het tweede onderzoek niet. Het tweede geval betrof het een melder die zich zowel bij het eerste als bij het tweede onderzoek had gemeld. In het eerste onderzoek over haar eigen ervaringen, in het tweede onderzoek ook over en namens anderen. De bezwaren van deze melder zijn deels wel, maar deels ook niet weggenomen. Beide melders blijken voor te komen in het door mevrouw Knibbe aan u toegezonden overzicht.

 

Inmiddels, op 11 september, heeft zich een derde persoon gemeld. Deze heeft erop gewezen dat de op deze persoon betrekking hebbende vermelding onjuistheden bevat over onder meer de gevolgde therapie en over precieze tijd en betekenis van bepaalde gebeurtenissen alsmede familieomstandigheden. Deze melder, die de Onderzoekscommissie vijf keer heeft gesproken, heeft het verslag van het gesprek van de Onderzoekscommissie alsmede de weergave daarvan in het onderzoeksrapport geautoriseerd. Eerder sprak de Onderzoekscommissie in het kader van het eerste onderzoek met dit slachtoffer van zeer ernstig te nemen misbruik (fysiek, psychisch en naar mijn oordeel ook seksueel misbruik). Het verslag van dit gesprek is door het slachtoffer voor akkoord bevonden.

 

Op 28 maart jl liet dit slachtoffer een van mijn medewerkers weten: ‘Laat ik je vertellen dat ik jouw  inspanningen heel erg waardeer en ik me door jou enorm gesteund voel en weet tijdens dit hele proces’. Op 11 september jl volgde een overigens reeds eerder aangekondigde mededeling dat haar melding niet volledig dan wel niet geheel juist is weergegeven. Deze melder komt niet voor in het overzicht van mevrouw Knibbe.

 

Het overzicht van mevrouw Knibbe telt twaalf casussen.

  1. Melding van mevrouw E.

Ik beschik over een melding van mevrouw E., die geen bijzonderheden bevat. Wel wordt verwezen naar een uitvoerig te boek gesteld egodocument, dat van groot belang is geweest voor het onder mijn leiding uitgevoerde archiefonderzoek. Anders dan mevrouw Knibbe stelt, wordt nergens in het verslag van mijn tweede onderzoek getwijfeld aan wat mevrouw E. is overkomen. Wel wordt gemeld dat in de archieven geen gegevens zijn gevonden die haar melding ‘direct ondersteunen’ (bladzij 111). Dat is trouwens bij geen van meldingen over geweld het geval (zie hiervoor). Een van mijn voornaamste conclusies is immers, dat in specifieke gevallen niet kon worden teruggevallen op de archieven, maar in algemene zin bevestigde het onderzochte archiefmateriaal dat binnen kloostergemeenschappen en de instellingen een klimaat heerste van ‘formalisme, liefdeloosheid, emotionele kilte, hardheid, repressie en vernedering’. (blz. 237 van mijn tweede onderzoeksrapport)

  1. De meldingen 2a en 2b van de tweelingzussen M

Het betreft hier twee meldingen die mij onbekend zijn, omdat ze nooit eerder aan mij zijn voorgelegd. Volgens mevrouw Knibbe gaat het om melders die pas op dag van verschijnen van mijn tweede onderzoek op de hoogte raakten van mijn onderzoek. Voor de goede orde wijs ik op het belang van publiciteit. Bij in het oog springende gebeurtenissen nemen veel slachtoffers de vaak lang gevoelde barrière en melden alsnog hun vaak zelfs voor hun naaste familieleden verzwegen misbruik. Hierover is uitvoerig in het eerste onderzoeksrapport bericht. Ik heb na de verschijning van mijn  tweede onderzoeksrapport ook nieuwe meldingen ontvangen. Overigens wordt  met het oog op de klachtenbehandeling de naam van de betrokkene toegevoegd aan de lijst meldingen, c.q. klachten, wanneer dat gewenst wordt. Deze twee personen kunnen zich uiteraard nog steeds bij mij melden.

  1. De melding van ‘meneer Sjo S’

Het betreft hier geen melding. Het gaat om een verslag van een gesprek tussen mevrouw Knibbe en ‘meneer Sjo S’ dat lange tijd te vinden was op de website van KLOKK. In dit verslag wordt melding gemaakt van eenzelfde persoon als bij de melding van mevrouw E. (zie hierboven). Voor mijn medewerkers was dit reden om in archieven de feitelijke gegevens van ‘meneer Sjo S’ te gebruiken. Dat heeft geen verdere aanknopingspunten over leden van de congregatie van de zusters Onder de Bogen opgeleverd.

  1. De melding van mevrouw MvG

Deze melding is mij bekend uit mijn eerste onderzoek. In het tweede onderzoek heeft deze melder zich weer gemeld. Toen namens een (groot) aantal slachtoffers. Bij mevrouw MvG leefden – zo bleek uit contact tussen de onderzoeksorganisatie en mevrouw MvG – bepaalde verwachtingen over de werkwijze van de onderzoeksorganisatie. Veel meldingen hadden betrekkingen op een bepaalde persoon. Mevrouw Knibbe stelt dat ik geen nader onderzoek heb gedaan naar de desbetreffende meldingen. Wat zij en melder MvG niet weten is dat ik persoonlijk met de door haar en andere melders genoemde persoon alsmede de leidinggevenden van deze persoon heb gesproken. Mijn bedoeling is altijd geweest om een diepgaand maar ook verantwoord onderzoek uit te voeren. Bij dit laatste hoort het geven van hoor en wederhoor en het ook zo precies mogelijk verwoorden van wat de melders mij hebben laten weten, in archieven is terug te vinden en betrokkenen te laten reageren. Dit hoort tot de essentie van onafhankelijk uitgevoerd onderzoek en laat geen ruimte voor concessies. In een gesprek met de onderzoeksorganisatie zijn mijn medewerkers ingegaan op het commentaar van mevrouw MvG.

  1. De melding van mevrouw PvdB

Met mevrouw MvG heeft de onderzoeksorganisatie twee keer uitgebreid telefonisch (op initiatief van de onderzoeksorganisatie) gesproken. Op een bericht van mevrouw PvdB is ook gereageerd. Haar kritiek had vooral betrekking op de reactie van de desbetreffende congregatie (die ontkende dat in de desbetreffende periode kinderen van haar leeftijd in het bedoelde instituut verbleven).

  1. De melding van mevrouw JM

Het verwijt van mevrouw Knibbe is dat de onderzoeksorganisatie uitgebreid met mevrouw JM heeft gesproken, maar dat het besprokene niet in de door mevrouw Knibbe gewenste vorm en omvang is weergegeven in het eindrapport. Voor de goede orde meld ik dat de Onderzoekscommissie en bij het tweede onderzoek de Onderzoeksorganisatie de met slachtoffers gevoerde gesprekken altijd op basis van strikte vertrouwelijkheid hebben gevoerd. Het onderzoek beoogde overigens geen compilatie van verslagen en meldingen te zijn. De kritiek van mevrouw Knibbe kan ik niet plaatsen.

 

De meldingen 4, 5 en 6 hebben betrekking op een en dezelfde congregatie waarmee – zo bleek mij in de loop van mijn vervolgonderzoek – de contacten tussen congregatie en slachtoffers haperingen vertoonden. Hoewel dit niet tot mijn opdracht hoorde, heb ik op 5 februari 2013 (dus voorafgaande aan de verschijning van mijn tweede onderzoek) een beroep gedaan op de KNR en op deze congregatie om de dialoog tussen de verantwoordelijken binnen deze congregatie en de slachtoffers op gang te brengen. Dit is aan een of meer van de hier genoemde slachtoffers namens mij op 11 maart jl, de dag van verschijning van mijn tweede onderzoek, overgebracht. De reactie van betrokkenen was toen positief.

  1. De melding van mevrouw F.K.

Deze melding is mij onbekend, althans niet traceerbaar. Volgens de notitie van mevrouw Knibbe heeft mevrouw F.K haar melding niet aan mij verstrekt.

  1. De meldingen van MK, PR, MW en ML

Deze meldingen hebben betrekking op misbruik in de context van parochies en thuissituaties die volgens mevrouw Knibbe in het tweede onderzoek niet zouden zijn onderzocht en voornamelijk vrouwen zouden betreffen. Zoals eerder aangegeven is anders dan mevrouw Knibbe aangeeft – over misbruik in parochies en gezinssituaties al in het eerste onderzoek uitvoerig verslag gedaan. Zie hierover het eerste onderzoeksrapport, bladzij 200 tot en met 285, bladzij 310 tot en met 330 en bladzij 667 tot en met 685.[2]

 

De vermelding van MK in de notitie van mevrouw Knibbe is niet ontleend aan een melding aan mij, maar aan een uitspraak van Hulp & Recht, die haar klacht gegrond heeft verklaard. De melding van mevrouw PR kan ik niet herleiden  tot een mij bekende melding. Dit geldt ook voor mevrouw M.W., waarbij mevrouw Knibbe nadrukkelijk spreekt over een melding, maar ik ervan uit moet gaan dat het geen bij mij bekende melding betreft. Vanzelfsprekend ontvang ik hun meldingen graag alsnog.

 

De vermelding van mevrouw ML is mij wel bekend, omdat met haar in het kader van het eerste onderzoek uitvoerig door een van mijn medewerkers is gesproken. Deze melder is aangeraden om een klacht bij het Meldpunt in te dienen. Daar stond deze melder wantrouwig tegenover. Ook is ervoor gezorgd dat dit slachtoffer met andere bij de Onderzoekscommissie bekende slachtoffers van paters Maristen in contact kon komen. Daarvoor heeft deze melder mij nog bedankt.

 

5.      Ten slotte

 

Van de door mevrouw Knibbe genoemde 56 klagers over mijn tweede onderzoek blijken in haar notitie 12 casussen te worden genoemd en gespecificeerd. Hierbij gaat het om een gecombineerde bij mij niet bekende melding van tweelingzussen (2a en 2b). Verder ook nog om een mannelijk persoon die in mijn tweede onderzoek niet als melder voorkomt (3). Vier meldingen onder 8. hebben betrekking op het eerste onderzoek. De melding onder 7. is mij onbekend. Met de melders onder 1 en 4 heeft de onderzoeksorganisatie na afloop van het tweede onderzoek gesproken dan wel gecommuniceerd. Daarbij zijn tekst en uitleg gegeven over de wijze waarop ik dit onderzoek heb laten uitvoeren.

 

Samenvattend blijft een beperkt aantal bij mij bekende melders (1, 4 en 5) over dat zich niet kan vinden in de wijze waarop ik mijn onderzoek heb uitgevoerd. Hierbij moet nog een melder worden toegevoegd die in het overzicht van mevrouw Knibbe niet voorkomt en die in het voorgaande heb genoemd.

 

Ik ben op 10 maart 2010 gevraagd leiding te geven aan een onderzoek dat voor zo velen diepingrijpend is en voor veel maatschappelijke beroering heeft gezorgd. Van meet af aan ben ik me bewust geweest van de gevoelens bij slachtoffers. Ik heb het contact met hen, en hierin voorop mevrouw Knibbe, opgezocht.

 

Het einde van 2013 nadert. Veel slachtoffers waarmee ik heb gesproken willen dat hun leed wordt erkend, aan hen hulp wordt geboden en waar dat voor hen aan de orde is ook genoegdoening wordt toegekend. Mijn onderzoeksopdracht zit erop.

 

Graag verantwoord ik me nogmaals voor mijn onderzoek naar seksueel misbruik van geweld tegen vrouwen in uw commissie. Ik deed dat al eerder op 4 april 2012 en op 28 maart jl in een rondetafelconferentie en kreeg van de opdrachtgevers van het tweede onderzoek de gelegenheid om ook voor slachtoffers van geweld een regeling voor te stellen.

 

Die is onlangs door de Bisschoppenconferentie en de KNR aanvaard. Ik hoop dat hiermee veel slachtoffers erkenning, hulp en genoegdoening kunnen vinden.

 

Met vriendelijke groeten,

 

 

drs. W.J. Deetman

 


[1] Het eerste onderzoek bevat een op basis van TNS NIPO onderzoek beredeneerde schatting van het misbruik in  parochies (20,5 procent van het totaal) en in gezinssituaties (10 procent van het totaal). Zie bladzij 76 van het eindrapport van het eerste onderzoek.

[2] Het eerste onderzoek bevat een op basis van TNS NIPO onderzoek beredeneerde schatting van het misbruik in  parochies (20,5 procent van het totaal) en in gezinssituaties (10 procent van het totaal). Zie bladzij 76 van het eindrapport van het eerste onderzoek.

Reactie van drs W.J. Deetman op het rapport van de Commissie Archiefonderzoek inzake het handelen van het openbaar ministerie bij seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk.

Minister mr I.W. Opstelten van Veiligheid en Justitie bracht dit rapport op 10 september 2013 ter kennis van de Tweede Kamer.

Algemeen

De aanleiding voor het onderzoek van de Commissie Archiefonderzoek betreft documentatie die in het voorjaar van 2012, dat wil zeggen na de verschijning van het eindrapport van de Onderzoekscommissie onder voorzitterschap van Wim Deetman, is ontdekt.

De Commissie Archiefonderzoek is blijkens haar rapport zorgvuldig te werk gegaan bij haar onderzoek. De commissie heeft zich laten bijstaan door een groot aantal deskundigen en in haar voorwoord wijst zij op de medewerking die zij voor haar onderzoek van tal van instanties heeft gekregen.

Bevindingen

De bevindingen en de conclusies van de Commissie Archiefonderzoek sluiten aan en ondersteunen de bevindingen en conclusies van de Onderzoekscommissie onder voorzitterschap van Wim Deetman.

In één geval (casus 8.4) heeft de officier van justitie besloten tot een sepot onder voorwaarden. Hij heeft dat – zo blijkt uit dit onderzoek – niet gedaan op verzoek van een kerkelijke gezagsdrager, maar op verzoek van de burgemeester.

Inzake reactie Vrouwen Platform Kerkelijk Misbruik

Op 11 september 2013 ontvingen de heer Deetman en diens secretaris Kreemers een reactie van het Vrouwen Platform Kerkelijk Misbruik onder de titel 'De Oorspronkelijke Meldingen'. Na verschijning op 11 maart jongstleden van het eindrapport van het vervolgonderzoek onder leiding van de heer Deetman naar seksueel misbruik van en geweld tegen meisjes binnen de RKK gaf het platform te kennen ongeveer 20 klachten te hebben ontvangen over het eindrapport. Het platform ging niet in op het verzoek van de heer Kreemers deze klachten te delen om de juistheid ervan na te gaan. Zelf ontvingen de heren Deetman en Kreemers twee reactie van slachtoffers op het eindrapport. In telefonisch contact en via de e-mail gaf de heer Kreemers de nodige toelichting. Van een en ander deed hij verslag in de hoorzitting van de Tweede Kamer op 28 maart jongstleden naar aanleiding van het eindrapport over het vervolgonderzoek.

Persberichten

Onderzoekscommissie seksueel misbruik minderjarigen RKK: Berichten NRC Handelsblad bevatten ‘in aard en ernst opvallende feitelijke onjuistheden’

DEN HAAG – 27 maart 2013 – Publicaties in NRC Handelsblad van 16 maart 2013 bevatten ‘in aard en ernst opvallende feitelijke onjuistheden’, ‘waarvan het de vraag is of ze kunnen worden afgedaan als onbewust gemaakte fouten’. Dit stelt de voormalige onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen binnen de Rooms-Katholieke Kerk (RKK).

De voormalige commissie onder voorzitterschap van drs. W.J. (Wim) Deetman presenteerde op 16 december 2011 het eindrapport van haar onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek. Met haar onderzoek in opdracht van de RK Bischoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) bracht de commissie aard, omvang en omstandigheden van, als ook de verantwoordelijkheden voor seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK binnen Nederland in beeld, evenals de gevolgen hiervan voor slachtoffers en hun omgeving.

Op 16 maart publiceerde de betrokken redacteur van NRC Handelsblad (opnieuw) berichten waarin hij juistheid en oprechtheid van het eindrapport in twijfel trekt. In een eerste publieke reactie op deze artikelen, ‘Deetman meldde belastende feiten bisschop Van Luyn niet’ en ‘Wat Deetman niet opschreef in zijn misbruikrapport’, nam de onderzoekscommissie hier afstand van op haar website www.onderzoekrk.nl.

Morgen voert de Tweede Kamer een gesprek met Deetman over de vraag of en in hoeverre de RKK werk maakt van de aanbevelingen in het eindrapport. Een Kamerlid zou Deetman op de zitting willen bevragen over beweringen in de publicaties. Mede met het oog hierop komt de commissie met een uitvoerige weerlegging op beide artikelen terug. 

Hoor en wederhoor niet serieus
Vóór publicatie van de artikelen ontving de commissie een reeks vragen van de redacteur, ‘een aantal suggestief en tendentieus’. De commissie zag haar antwoorden nagenoeg niet terug in beide publicaties en stelt dat dit niet voor het eerst is: ‘Van een serieus te nemen hoor en wederhoor is geen sprake. Toen niet en ook nu niet. Het gaat hier niet om nieuwsmakerij maar om beschuldigingen die niet met feiten zijn gestaafd, hoe ijverig de betrokken journalist ze ook probeert te verbuigen en te vervormen’.

In haar reactie loopt de commissie de beweringen in beide artikelen na en stelt hierin een reeks feitelijke onjuistheden vast die in aard en ernst uiteenlopen: ‘In een aantal gevallen gaat het om opvallende feitelijke onjuistheden, waarvan het maar de vraag is of ze als slordigheden moeten worden afgedaan’. Elders ‘worden de bewoordingen die de Onderzoekscommissie heeft gekozen plotseling van een andere, veel stelliger, redactie voorzien en wordt door weglating van het voorafgaande de desbetreffende passage uit haar context gehaald’.

Beide artikelen suggereren dat bisschop mgr. A.H. van Luyn Deetman aanzocht voor het onderzoek omdat hij hem volgens de redacteur goed zou kennen en zich zo verzekerde van een voor de RKK welgevallig onderzoek dat hemzelf zou sparen: ‘Dat Van Luyn bij Deetman uitkomt is niet vreemd. Ze kennen elkaar goed. Hun contact dateert uit de periode dat Deetman burgemeester is in Den Haag, in het bisdom van Van Luyn’, aldus de krant.

Verdachtmaking
Deetman sprak Van Luyn toen echter slechts enkele malen en wel uitsluitend over zakelijke aangelegenheden. In haar reactie stelt de commissie: ‘De bewering “kennen elkaar goed” is de opmaat naar de verdachtmaking dat de heer Deetman niet onafhankelijk is’.

Terwijl NRC Handelsblad de indruk wekt als zou de commissie haar opdrachtgever Van Luyn, toen voorzitter van de bisschoppenconferentie, hebben ontzien, laat de krant ook onvermeld dat de commissie aanvullend onderzoek deed in de archieven van de salesianen te Rome: ‘Twee van de vier vragen die de Onderzoekscommissie wilde beantwoorden met informatie uit deze archieven hadden betrekking op het handelen en het kennisniveau van mgr. Van Luyn als provinciaal overste en als persoonlijk secretaris van de provinciaal overste‘. Ook voerde de commissie twee uitgebreide gesprekken met Van Luyn zelf over diens betrokkenheid bij enkele zaken. Het eindrapport doet hier verslag van.

De commissie concludeert tot slot: ‘Bij beschuldigingen dat niet integer is gehandeld ligt de bewijslast bij degene die de beschuldiging uit. Aan zijn feitelijke onderbouwing mogen inderdaad hoge eisen worden gesteld. Uit het bovenstaande blijkt dat de feitelijke beweringen in NRC Handelsblad in aard en ernst opvallende feitelijke onjuistheden bevatten, waarvan het de vraag is of ze kunnen worden afgedaan als onbewust gemaakte fouten’.

Download het feitenoverzicht (word)
Download het feitenoverzicht (PDF)

Download het persbericht (word)
Download het persbericht (PDF)

Download het volledige onderzoek (PDF)

Verklaring inzake publicatie in NRC Handelsblad d.d. 16 maart 2013

NRC Handelsblad van vandaag, 16 maart 2013, geeft een onjuiste voorstelling van zaken met betrekking tot het eindrapport van de onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk. Het eindrapport van dit onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek verscheen op 16 december 2011. De artikelen onder de kop 'Deetman meldde belastende feiten bisschop Van Luyn niet' en 'Wat Deetman niet opschreef in zijn misbruikrapport' bevatten beweringen en aantijgingen die in een eerste reactie nopen tot een feitelijke weerlegging door de secretaris en onderzoeksmanager van de voormalige commissie, dr H.P.M. (Bert) Kreemers.

De kern van het artikel van de betrokken redacteuren is dat de onderzoekscommissie en in het bijzonder haar voorzitter Deetman niet integer hebben gehandeld, bij het schrijven van het eindrapport in 2011. Als bewijs wordt aangedragen dat de bisschoppen Van Luyn en Wiertz, te beschouwen als mede-opdrachtgevers, uit de wind zijn gehouden. Het gaat hier om historisch onderzoek, uitgevoerd langs meerdere lijnen (onderzoek naar meldingen in gesprekken en in archieven, internationaal literatuuronderzoek, onderzoek TNS-NIPO). Vervolgens zijn keuzes gemaakt, op basis van interpretaties van bronnenmateriaal dat in het rapport is verantwoord. De commissie heeft haar onafhankelijkheid vastgelegd, heeft zich gebonden aan algemeen aanvaarde criteria voor wetenschappelijk onderzoek, en blijft zich verplicht zien om de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen niet onnodig te schaden. Een aanval op de persoonlijke integriteit moet per definitie zorgvuldig worden beargumenteerd en van sterke bewijzen zijn voorzien. Dat geldt des te sterker in een geval als dit, waarin de commissie en haar opdrachtgevers juist uitdrukkelijk de risico’s onder ogen hebben gezien, daarover afspraken hebben gemaakt en die ook hebben gepubliceerd. De bewijslast dat niet integer is gehandeld ligt bij degene die die beschuldiging uit en daaraan mogen zeer hoge eisen worden gesteld. Het enkele gegeven dat er opdrachtgevers zijn geweest, is geen argument. Elke commissie, hoe ook samengesteld, zou in dezelfde situatie verkeren en er zijn keiharde afspraken gemaakt om de onafhankelijkheid te verzekeren. Het argument is ook gevaarlijk want het is schijnbewijs: bij alles wat een kritische buitenstaander, onkundig van het complete materiaal, opvalt lijkt dit argument zijn gelijk te bevestigen. Dat heet: ‘tunnelvisie’.

Alle verantwoordelijken in de Rooms-Katholieke Kerk gelijk behandeld

De Onderzoekscommissie heeft bij haar onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk alle verantwoordelijken (kardinaal, bisschoppen, hogere oversten) gelijk behandeld. Met alle ambtsdragers zijn gesprekken gevoerd waarvan de verslagen zijn geautoriseerd. Met enkele ambtsdragers is meer dan een keer gesproken. Dat geldt ook voor mgr. A.H. van Luyn, met wie twee keer is gesproken waarbij zowel zijn functioneren als bisschop van Rotterdam en voorzitter van de Bisschoppenconferentie alsmede zijn gehele loopbaan binnen de congregatie van de Salesianen aan de orde zijn gesteld. De gesprekken zijn gevoerd en voorbereid door onderzoekers van de Onderzoekscommissie in aanwezigheid van drs. W.J. (Wim) Deetman.  Met mgr. F.J.G. Wiertz is één keer gesproken. Dit gesprek is eveneens voorbereid en gevoerd door onderzoekers van de Onderzoekscommissie in aanwezigheid van de heer Deetman.

Onderzoek werd uitgevoerd in onafhankelijkheid en naar wetenschappelijke maatstaven

Het onderzoek van de Onderzoekscommissie is in onafhankelijkheid en naar wetenschappelijke maatstaven uitgevoerd. Het gaat om een historisch onderzoek, dat langs meerdere lijnen is uitgevoerd (onderzoek naar de inhoud van de klachten in gesprekken en archieven, internationaal literatuuronderzoek, onderzoek TNS-NIPO). Zoals steeds gesteld gaat het niet om een justitieel onderzoek naar individuele zaken. De toetsing van individuele klachten - gemeld en niet gemeld bij de onderzoekscommissie - vindt plaats door de klachtencommissie en eventueel door de compensatiecommissie wanneer slachtoffers zich bij die commissies melden. Dat het een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek betreft wil onder andere ook zeggen dat naar de opdrachtgevers toe afstand is bewaard. De melders zijn met respect tegemoet getreden, maar waar in hun meldingen feitelijke omstandigheden aan bod kwamen zijn deze met andere meldingen vergeleken, in gesprekken  getoetst en geverifieerd, waarbij ook informatie uit archiefonderzoek is betrokken. Dit is ook gebeurd bij de melding van de heer J. Hij meldde weliswaar seksueel misbruik maar prominent en overwegend stond in zijn melding zwaar lichamelijk letsel door een medeleerling en de afhandeling daarvan door bestuurlijke verantwoordelijken binnen de Salesianen. Hierover had hij contacten gelegd met de toenmalige bisschop van Rotterdam, mgr. A.H. van Luyn, en de hogere overste van de Salesianen. De correspondentie met deze hogere overste was bij zijn melding gevoegd en geeft aan dat op zijn verzoek om contact uitgebreid is gereageerd. Nergens in aan de Onderzoekscommissie voorgelegde stukken wordt gerept van een beschuldiging dat mgr. Van Luyn “het slachtoffer in de steek zou hebben gelaten”. De commissie kon op grond van die correspondentie geenszins de indruk krijgen dat mgr. Van Luyn of de hogere overste zich aan de zaak hadden getracht te onttrekken.

De melding van de heer L. was voor de Onderzoekscommissie aanleiding om met hem een uitgebreid gesprek te voeren en een eveneens uitgebreid archiefonderzoek uit te voeren. De heer L. heeft het verslag van zijn gesprek dat was voorbereid en werd gevoerd door drie onderzoekers van de Onderzoekscommissie (niet in aanwezigheid van de heer Deetman) geautoriseerd en aangevuld. De heer L. heeft op 17 december 2011 de secretaris van de Onderzoekscommissie bedankt voor de wijze waarop de Onderzoekscommissie met zijn melding is omgegaan [gesprek van de heer L. met de secretaris van de Onderzoekscommissie in Utrecht op 17 december 2011 om 16.30 uur].

De redacteur interpreteert de bevindingen van de Onderzoekscommissie naar zijn eigen inzichten en vermoedens

Niet voor het eerst stelt de betrokken redacteur van NRC Handelsblad vragen aan de Onderzoekscommissie die suggestief zijn en die zijn eigen inzichten en vermoedens als uitgangspunt hebben. Hiermee interpreteert hij vervolgens bevindingen en conclusies van de Onderzoekscommissie. De redacteur heeft een belangrijke rol gespeeld in het publiekelijk aan de orde stellen van het seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk. Hij heeft zich in dit opzicht gepresenteerd als de “voorcommissie” van de Onderzoekscommissie. De Onderzoekscommissie beschikte over veel meer en andere mogelijkheden en volgde ook wetenschappelijke benadering om tot haar onderzoeksrapportage te komen. Hiermee was het mogelijk om tot een afgewogen oordeel te komen. Meldingen, zoals de Onderzoekscommissie die heeft gekregen, bevatten belangrijke informatie, maar vragen – zeker als het gaat om gebeurtenissen die vaak decennialang geleden zich hebben voorgedaan – om toetsing en verificatie. Voor een onderzoek dat aan wetenschappelijke maatstaven moet voldoen is dat een absolute voorwaarde. Daarom zijn in de bijlage de op 13 maart gestelde vragen van de redacteur opgenomen en ook de antwoorden die dus in kort bestek van een niet meer bestaande organisatie werden gevraagd.

Tot slot nog dit. Het artikel 'Wat Deetman niet opschreef in zijn misbruikrapport' verwijst ook naar een 'regen' van klachten over het deze week verschenen eindrapport van het vervolgonderzoek naar seksueel misbruik van en geweld tegen minderjarige vrouwen in de Rooms-Katholieke Kerk. De organisatie van dit vervolgonderzoek ontving zelf geen klachten over dit onderzoek. Wel beklaagden enkele personen zich over de opstelling van de RKK in het algemeen en van afzonderlijke ordes en congregaties in het bijzonder. Het Platform Vrouwen tegen Kerkelijk Kindermisbruik is door de onderzoeksorganisatie gevraagd de klachten aan de opstellers van het tweede eindrapport voor te leggen, opdat zij de klagers een reactie op hun kritiek kunnen geven. Tot nu toe is aan dit verzoek niet voldaan.


Bert Kreemers

 

Bijlage

De betrokken redacteur geeft op 13 maart 2013 te kennen samen met een collega voor de krant van vandaag, zaterdag 16 maart 2013, een artikel te schrijven 'waarin wij terugkijken op drie jaar misbruikonderzoek door de heer Deetman en zijn commissie. Daarbij centraal staat het lot van de bisschoppen.

Wij hebben ons afgevraagd hoe ze door de commissie-Deetman zijn ‘behandeld’. Ik bedoel, wat heeft de commissie onderzocht van ze en op welke manier zijn ze in het eindrapport terechtgekomen?

Daarbij viel ons op dat over vooral Bär en Simonis, vele regels worden geschreven. Beiden worden gekapitteld in aparte bevindingen in het eindrapport, over beiden worden conclusies getrokken ten aanzien van hun bestuurlijk handelen. Ten aanzien van Van Luyn en Wiertz ontbreken zulke aparte bevindingen en conclusies.

De verwijten aan Bär en Simonis hadden onder meer te maken met de betrokkenheid  bij het overplaatsen van gekende pedofiele paters/broeders, het niet informeren van het OM. Zulke feiten waren en zijn echter ook bekend bij de commissie over Van Luyn en Wiertz. 

Ons viel voorts op dat verschillende kwesties waarmee Wiertz en Van Luyn in het nieuws gekomen waren voor en in het begin van het onderzoek door de commissie, niet voorkomen in het eindrapport.

Twee slachtoffers (S.J. en J.L.; de afkortingen zijn vanwege de voormalige onderzoekscommissie om redenen van privacy) schreven de commissie Deetman aan, met overlegging van documenten waaruit bleek dat Van Luyn hen als slachtoffer niet persoonlijk geholpen had. Ook dit ontbreekt in het eindrapport, hoewel de commissie met J.L. een uitgebreid gesprek gevoerd heeft.

Dit heeft bij ons tot enkele vragen geleid, die wij graag willen voorleggen aan de heer Deetman.

 

Is de heer S.J. antwoord gestuurd door de commissie, nadat hij in 2010 zijn beklag hadden gedaan over de handelwijze van bisschop Van Luyn en zijn zaak en correspondentie met Van Luyn had voorgelegd? Zo nee, waarom niet? Zo, ja wanneer?

Hoe kan worden verklaard waarom over het bestuurlijk handelen van de heer Van Luyn als overste salesiaan en bisschop, en bisschop Wiertz, geen aparte bevindingen zijn opgenomen en er geen omvattend oordeel wordt gegeven?

Waarom ontbreken feiten die belastend zijn voor Wiertz en Van Luyn, die wel bekend waren bij de commissie, in het eindrapport?

Waarom worden Bär en Simonis wel in aparte bevindingen gekapitteld over hun bestuurlijk falen, en Van Luyn en Wiertz niet?

Waarom wordt in de hoofdconclusies ten aanzien van het bisdom Rotterdam geconcludeerd dat na het vertrek van Bär (en de komst van Van Luyn) ,,deze situatie” op hield te bestaan? Met ,,deze situatie” wordt onder meer gedoeld op het overplaatsen van priesters naar andere bisdommen met alle risico’s van dien voor kinderen. Onder Van Luyn gebeurde dit toch ook nog, hetgeen bekend was en is bij de commissie.

Herkent de heer Deetman zich in de observatie dat waar de rol van Van Luyn te bekritiseren valt, in het eindrapport het noemen van zijn naam vermeden wordt. En dat daar waar de heer Van Luyn in een enkele misbruikzaak actie onderneemt, zijn naam wel wordt genoemd? Zo nee, waarom niet?

Is de heer Deetman het eens met de stelling dat de zittende bisschoppen Van Luyn en Wiertz ontzien zijn? Zo nee, waarom niet?

Wij maakten ook een reconstructie van de beginperiode, hoe de heer Deetman gevraagd is om eerste een advies en vervolgens het onderzoek te doen. Onze bronnen binnen de kerkprovincie melden dat de heer Van Luyn de heer Deetman gevraagd/ gepolst heeft om advies te verstrekken en daarna ook uitvoerder van het onderzoek te zijn.

Graag hadden wij vernemen wij de zienswijze van de heer Deetman.

In verband met de verwerking van de antwoorden verzoeken wij om vóór vrijdagochtend 9 uur te reageren'.

 

De voormalige onderzoekscommissie antwoordt op 15 maart als volgt:

Antwoord 1.

“Is de heer [J] antwoord gestuurd door de commissie, nadat hij in 2010 zijn beklag had gedaan over de handelwijze van bisschop Van Luyn en zijn zaak en correspondentie met Van Luyn had voorgelegd? Zo nee, waarom niet? Zo ja wanneer?”

De heer [J] heeft op 26 november 2010 per e-mailbericht en per brief de Onderzoekscommissie op de hoogte gebracht van seksueel misbruik door een pater salesiaan en van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (beenbreuk) door een medestudent in 1961 in Don Rua. Uit de melding blijkt echter niets van seksueel misbruik door de desbetreffende pater over wiens bestuurlijke handelen de heer J zich beklaagt. Over het bestuurlijk handelen van de desbetreffende pater en diens betrokkenheid bij seksueel misbruik heeft de Onderzoekscommissie in haar eindrapport (6.2.5.) uitgebreid aandacht besteed.

De heer J heeft op 26 november 2010 om 10.57 uur een bevestiging gekregen van de ontvangst van zijn bericht aan de Onderzoekscommissie. Het uitblijven van een reactie van mgr. Van Luyn op een e-mailbericht van 23 april 2008 komt slechts zijdelings aan de orde in de brief/e-mailbericht van de heer J. Uit de brief van de heer J blijkt dat inmiddels een uitgebreid contact was opgebouwd tussen de heer J en de toenmalige hogere overste van de salesianen Uit het meegestuurde krantenartikel is af te leiden dat contact tussen de heer J en mgr. Van Luyn is gelegd.

“Wat wordt bedoeld met ‘die situatie’?”

Hiermee wordt bedoeld de kwetsbare positie waarin mgr. Bär zich bevond jegens priesters die zich schuldig maakten aan seksueel misbruik en die op de hoogte waren van zijn vermeende homoseksualiteit.

Over L:

In het gesprek dat de Onderzoekscommissie met L op 7 april 2011 heeft gehad, laat de heer L uitgebreid weten wat hij aan mgr. Van Luyn heeft bericht maar laat hij in het midden of hij na een tweede bericht aan mgr. Van Luyn een reactie heeft gekregen. In ieder geval is van een klacht geen sprake in dat gesprek. In het gesprek komt het contact tussen de heer L en de hogere overste van de salesianen aan de orde dat onder andere tot een letselschadevergoeding van 16.000 euro heeft geleid.

 

In reactie hierop geeft de redacteur onder dankzegging op 15 maart aan:

'Ik wil er graag op reageren. Ten aanzien van de manier waarop de bisschoppen Van Luyn en Wiertz zijn behandeld in het eindrapport (verschil met de oud-bisschoppen Bär en Gijsen en kardinaal Simonis) vind ik niets terug in de verantwoording van het archiefonderzoek, waar de heer Deetman naar verwijst in zijn antwoord. Ik zou graag weten waar daar iets over gezegd wordt. Dat geldt ook voor de precieze gang van zaken rond de aanstelling van de heer Deetman als adviseur (wie vroeg hem wanneer? etc) en zijn aanstelling als onderzoeker.

Van de 9 vragen worden er uiteindelijk maar 3 van een apart antwoord voorzien.

1) S.J.

Ten aanzien van de zaak J., zie ik geen antwoord op de vraag waarom het niet helpen door Van Luyn niet in eindrapport behandeld is. Dat aan ziekenzaalbroeder P. aandacht besteed wordt, is helder. Maar daar gaat het niet om. Het betreft hier de beoordeling van de commissie over het al dan niet in de kou laten staan van een slachtoffer door een kerkbestuurder. Dat er een brief van de salesianen was waarin met spijt betuigt over de handelwijze van vroegere bestuurders, is geen verklaring voor het feit dat er aan de handelwijze van Van Luyn in deze zaak geen aandacht wordt besteed.

2) Wat wordt bedoeld met ‘de situatie’?

Hier wordt geantwoord dat dit slaat op de kwetsbare positie van Bär tegenover jonge priesters die op de hoogte waren van zijn vermeende homoseksualiteit.

Dat vinden wij niet terug in de betreffende alinea’s waarin de opmerking over ‘de situatie’ voorkomt. Voor de volledigheid geef ik hier de tekst uit het eindrapport weer, waarop wij ons moeten baseren:

13a. Het bisdom Rotterdam: 1983-1993

In het bisdom Rotterdam werden in de jaren tachtig, tegen de adviezen van de toenmalige selectiecommissie in, mannen toegelaten tot de priesterwijding die daar niet voor geschikt werden geacht en van wie een aantal zich aan misbruik van minderjarigen heeft schuldig gemaakt. De Onderzoekscommissie is in haar onderzoek op vijf concrete gevallen gestuit. Het is opmerkelijk dat op hun misdrijven en misdragingen geen enkele vorm van correctie of een voorzorgsmaatregel om herhaling te voorkomen is gevolgd. Naar buiten – onder andere in de richting van slachto^ers en hun familie – werd volgehouden dat strenge maatregelen waren getroffen, maar in werkelijkheid waren dit loze gebaren. De tamelijk luchtige wijze waarop de toenmalige bisschop, monseigneur Bär, reageerde op de (voorwaardelijke) strafrechtelijke veroordeling van een van deze priesters plaatst de Onderzoekscommissie voor raadsels. Dit geval staat niet op zichzelf. Hiermee wordt de vraag opgeroepen of de toenmalige bisschop wel in staat was om zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid waar te maken. De Onderzoekscommissie is geneigd die vraag ontkennend te beantwoorden. Onder monseigneur Bär als bisschop zijn afdoende maatregelen uitgebleven. Priesters die in het bisdom Rotterdam niet meer konden worden gehandhaafd werden in andere bisdommen tewerkgesteld, waarbij de risico’s van dit doorschuiven schromelijk werden onderschat, wat koste kon gaan van de fysieke en mentale integriteit van minderjarigen die met zulke priesters in aanraking kwamen. Priesters tegen wie maatregelen werden uitgevaardigd, negeerden de aanpak van de bisschop. Met het vertrek van monseigneur Bär en de komst van een nieuwe bisschop hield deze situatie op te bestaan.

13b. Broeders van Amsterdam

3) J.L.

In het gesprek dat de heer L. met jullie gehad heeft, is geen klacht over Van Luyn geuit, schrijft de heer Deetman. Dat neemt niet weg dat in de correspondentie die de heer L. heeft overhandigd aan de commissie duidelijk wordt dat hij tot drie keer toe een smeekbrief schreef aan de heer Van Luyn met zijn hele misbruikgeschiedenis, en dat de heer Van Luyn weigerde met L. in gesprek te gaan. De vraag is waarom deze wetenschap bij de commissie niet verwerkt is in het eindrapport. Het doel van de commissie was onder meer het handelen van kerkbestuurders te beoordelen, ook in hun benadering naar slachtoffers. Daarover worden ook in algemene termen opmerkingen gemaakt door de commissie'.

In antwoord op deze vervolgvragen bericht de voormalige commissie op 15 maart als volgt.

Antwoord 2.

'1.       De heer J heeft zich bij de Onderzoekscommissie gemeld met een melding die betrekking had op zwaar lichamelijk letsel toegebracht door een medeleerling. Dit valt buiten het bereik van het onderzoek. Uit zijn melding blijkt niet dat hij zich “in de steek gelaten voelt” door de bisschop van Rotterdam. Wel beklaagt hij zich over de houding van de advocaat van de salesianen.

2.       De situatie onder mgr. Bär was dat maatregelen tegen priesters die zich hadden schuldig gemaakt aan misbruik werden genegeerd. In een van de voornaamste casussen die in het eindrapport voorkomt negeerde een priester het verbod om als priester te fungeren in het bisdom Rotterdam. Het ging niet om overplaatsing naar een ander bisdom.

3.       Het gesprek met de heer L was inderdaad een vervolg op zijn melding. Het gesprek is bedoeld om een en ander te toetsen. Uiteraard hebben wij het verslag voor aanvullingen en verbeteringen aan de heer L voorgelegd. Hiervan heeft de heer L ruim gebruik gemaakt, maar hij heeft niets toegevoegd over zijn citering van een van zijn brieven aan mgr. Van Luyn. Voor de goede orde: de heer L heeft uitvoerig mededelingen gedaan over zijn contacten met de salesianen. Het misbruik is zoals bekend bij de salesianen gepleegd.

4.       Over de wijze waarop de heer Deetman is gevraagd advies te geven en de leiding van het onderzoek op zich te nemen is in het eindrapport verantwoording afgelegd. Eerder werd volledige transparantie gehanteerd, onder andere in twee persconferenties'.

Deetman adviseert speciale mediation voor geweld tegen vrouwen in RK Kerk

Persbericht C

Vervolgonderzoek: geen eenduidige definitie voor excessief geweld 

DEN HAAG, 11 maart 2013 - Speciale bemiddeling door professionele mediators moet vrouwelijke slachtoffers van (buitensporig) geweld in de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) heling, erkenning en herstel bieden in combinatie met financiële genoegdoening. Drs. W.J. (Wim) Deetman adviseert de RKK deze mediation mogelijk te maken om zo acht te slaan op dit geweld waarvan slachtoffers melding maakten. Deetman adviseert dit in het eindrapport van het vervolgonderzoek onder diens leiding naar seksueel misbruik van en geweld tegen meisjes binnen de RKK.

De uitkomsten van dit onafhankelijk wetenschappelijk vervolgonderzoek tussen augustus 2012 en begin 2013 bieden onvoldoende basis voor een scherp afgebakende, eenduidige definitie van (excessief) geweld die breed en ook met terugwerkende kracht bruikbaar is. Bij gebrek aan een eenduidige definitie van (excessief) geweld is de huidige klachtenprocedure niet toepasbaar. Om toch geweldsklachten in behandeling te kunnen nemen adviseert Deetman daarom deze speciale mediation.

Het vervolgonderzoek bouwt voort op dat van de commissie die, eveneens onder voorzitterschap van Deetman, seksueel misbruik van minderjarigen (jongens en meisjes) in de RKK onderzocht. Het eindrapport van deze onderzoekscommissie verscheen eind 2011. De organisatie van het vervolgonderzoek (onderzoeksorganisatie) richtte zich niet alleen op seksueel misbruik van maar ook op fysiek en psychisch (excessief) geweld tegen minderjarige vrouwen vanaf 1945 binnen de RKK in Nederland. Opdrachtgevers van beide onderzoeken waren de Bisschoppenconferentie en Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR).

Onderzoeksvragen en -bronnen

Het vervolgonderzoek kende in aanvulling op het eerdere onderzoek enkele hoofddoelen:

  • Nader inzicht bieden in de aard, ernst, omstandigheden en impact van, evenals in de verantwoordelijkheden voor seksueel misbruik en (excessief) fysiek en psychisch geweld jegens minderjarige vrouwen binnen de Rooms-Katholieke Kerk;
  • Het begrip excessief geweld definiëren en inzicht bieden in de mogelijkheden van het verkrijgen van bewijsmateriaal over dit geweld in het kader van verruiming van de regeling voor klachten en compensatie.

Het eindrapport van dit vervolgonderzoek bevat een kwalitatieve beschrijving van ervaringen met misbruik en geweld zoals slachtoffers rapporteren, een aanvullende internationale literatuurstudie naar fysiek en psychisch geweld tegen minderjarige vrouwen in afhankelijkheidsrelaties binnen de RKK, een verslag van diepgaand archiefonderzoek, evenals enkele wetenschappelijke essays en achtergrondonderzoeken van de hand van onafhankelijke deskundigen over relevante thema’s.

De onderzoeksorganisatie voerde tientallen gesprekken met slachtoffers, vertegenwoordigers van lotgenoten(groepen), deskundigen, plegers, (deels voormalige) gezagsdragers en personen die in hun hoedanigheid betrokken zijn of waren bij de vraagstukken van dit onderzoek. Ook belegde de onderzoeksorganisatie op 10 september 2012 een besloten bijeenkomst voor degenen die zich als slachtoffer meldden.

Voor het vervolgonderzoek ontving de organisatie een (beperkt) aantal van 181 nieuwe meldingen van seksueel misbruik van minderjarige slachtoffers, al dan niet in combinatie met geweld. Hiervan bleken 79 meldingen bruikbaar voor het vervolgonderzoek. Bij het vervolgonderzoek betrok de organisatie ook 71 meldingen van fysiek en/of psychisch geweld tegen minderjarige vrouwen en mannen uit het vorige onderzoek.

Enkele bevindingen inzake seksueel misbruik

  • De bevindingen van het vervolgonderzoek naar seksueel misbruik van minderjarige vrouwen wijken kwantitatief in hoofdzaak niet af van de bevindingen van het eerdere commissieonderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen (jongens en meisjes) in de RKK. Volgens de commissie ging het om tien- tot twintigduizend slachtoffers in internaten en instellingen en in totaal enkele tienduizenden slachtoffers in de periode 1945 tot 2010.
  • Nieuwe en eerdere meldingen vertonen op belangrijke onderdelen overeenkomsten.
  • Bij ruim veertig procent van de onderzochte meldingen van seksueel misbruik van minderjarige vrouwen is sprake van ernstig seksueel misbruik.
  • Misbruik van minderjarige vrouwen kwam blijkens de meldingen veel vaker thuis (veertig procent) en in de parochie (ruim dertig procent) voor. Seksueel misbruik van jongens kwam veel vaker in instellingen voor.
  • Waar sprake is van seksueel misbruik in de lichte ernstcategorie noemen de meldingen mannelijke en vrouwelijke plegers werkzaam binnen de RKK. Bij zwaardere ernstcategorieën van seksueel misbruik gaat het in hoofdzaak om mannelijke plegers.
  • Seksueel misbruik ging in de helft van de gevallen gepaard met fysiek en/of psychisch geweld.
  • Het vraagstuk van seksueel misbruik was reeds in de jaren zestig bespreekbaar gemaakt binnen de kloostergemeenschappen, in cursussen, tijdens bijeenkomsten en studiedagen op diverse niveaus. Hierbij bleef de context volledig beperkt tot de kloostergemeenschap zelf en de relaties tussen zusters onderling.

Enkele bevindingen inzake fysiek en psychisch geweld, omgeving en omgang

  • De nieuwe en eerdere meldingen maken, al dan niet in combinatie met seksueel misbruik, in de meeste gevallen gewag van een combinatie van fysiek en psychisch geweld. De aard van de geweldshandelingen komt eveneens in hoge mate overeen. Dat geldt ook voor de frequentie en duur van het geweld, namelijk herhaald en langer dan een jaar.
  • Het merendeel van de vrouwelijke slachtoffers was tussen de 6 en 14 jaar toen het seksueel misbruik en/of geweld begon. De meeste evaringen vonden plaats in de jaren vijftig en zestig.
  • Vond het seksueel misbruik van meisjes vooral thuis en in de parochie plaats, geweld tegen minderjarige vrouwen lijkt vooral te zijn gepleegd in instellingen zoals kindertehuizen en ziekenhuizen.
  • Bij fysiek en psychisch geweld (zonder dat sprake is van seksueel misbruik) wijzen de nieuwe en eerdere meldingen veelal vrouwelijke plegers aan, vooral vrouwelijke religieuzen die als onderwijzeres of verzorgster werkzaam waren.
  • In ongeveer de helft van de gevallen is het misbruik en/of geweld eerder ergens gemeld, maar vaak ook pas na jaren.
  • Diepgaand archiefonderzoek, onder andere in die van tien zustercongregaties, biedt geen directe aanwijzingen van geweld en geweldsincidenten. De onderzoeksorganisatie trof geen vastlegging aan van zulke incidenten.
  • Uit de onderzochte archieven rijst het beeld op van een omgang van zusters met meisjes en zusters onderling in een kille en koele omgeving van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig.
  • De jaren zestig maakten met behulp van schoolconferenties onder deskundige (bege)leiding de weg vrij voor een omslag in de omgang. Die sloot meer aan bij nieuwe inzichten en inmiddels gangbare ontwikkelingen in de onderwijswereld.

Enkele bevindingen inzake afstandsbaby’s

  • De problematiek van de afstandsbaby's in relatie tot de RKK blijkt lastig te onderzoeken, bij gebrek aan concrete of feitelijk onderzoekbare meldingen. Ook de literatuur biedt weinig tot geen inzicht in de problematiek van afstandsbaby's als gevolg van seksueel misbruik van minderjarige vrouwen in relatie tot de RKK. Dit geldt overigens ook voor situaties daarbuiten.
  • Ondanks deze beperkingen stelt het eindrapport van het vervolgonderzoek vast dat het vroegtijdig afstand doen van baby's door hun ongehuwde moeders in de decennia rond de Tweede Wereldoorlog in alle gezindten voorkwam. Verzuilde instellingen op het gebied van moederschapszorg ijverden vanaf de jaren twintig tot de jaren zestig gezamenlijk vóór het samenbrengen van moeder en kind en tegen het vroegtijdig afstand doen van het kind. Katholieke geestelijken (pastoors en ordesgeestelijken) bemiddelden juist vaker vóór een vroege afstand.

Bevinding inzake strafbare feiten

De afspraken die de onderzoekscommissie eerder maakte met het College van procureurs-generaal waren in het vervolgonderzoek onverminderd van kracht: toetsing van mogelijk strafbare en niet verjaarde feiten . De onderzoeksorganisatie trof dergelijke feiten niet aan. Wel legde ze drie verjaarde gevallen ter toetsing voor aan het openbaar ministerie wegens de ernst van de gemelde mishandeling.
Ook het vervolgonderzoek was overigens geen justitieel onderzoek naar individuele gevallen. Dit eindrapport doet dus evenmin uitspraken over wat zich in een specifiek geval wel of niet voordeed en/of wat hiervan waar is.

Zie verder ook ‘persbericht C.bijlage’ voor: (aanpak) archiefonderzoek, afstandsbaby’s, (nadere analyse) meldingen, aanloop en duur vervolgonderzoek, onderzoeksbronnen.

Uitzonderlijke gevallen
Op basis van het vervolgonderzoek kan de conclusie zijn dat het binnen de actieve vrouwelijke congregaties ging om ‘enkele uitzonderlijke gevallen van seksueel misbruik, niet om structurele misstanden. Als seksueel misbruik van minderjarigen binnen de vrouwelijke congregaties een ernstig en frequent verschijnsel zou zijn geweest, lijkt het aannemelijk dat dit direct of indirect binnen de SNVR (Stichting Nederlandse Vrouwelijke Religieuzen) ter sprake zou zijn gebracht’, aldus het eindrapport. Het eindrapport betwijfelt ‘of dat ook geldt voor het gebruik van fysiek en psychisch geweld tegenover bekeerlingen en pupillen. Fysiek geweld werd meestal door de regels en gebruiken verboden, maar was - ook buiten de kloosters - binnen zekere grenzen geaccepteerd’. Het eindrapport sluit fysiek en psychisch geweld dan ook niet uit.

Aannemelijkheid van ondervonden geweld
Zoals eerder aangegeven bleek het lastig een scherp afgebakende definitie te formuleren voor (excessief) geweld. Toch is het noodzakelijk dit soort geweldsklachten goed en voortvarend te behandelen, meent Deetman. Niettemin is het ook moeilijk om in een korte procedure het geweld en de schadelijke gevolgen ervan nauwkeurig te kwalificeren en te kwantificeren. Wel biedt dit vervolgonderzoek beschrijvingen die behulpzaam zijn bij behandeling van klachten wegens fysiek en psychisch geweld. Ook gelet op het beperkte aantal meldingen van uitsluitend fysiek en/of psychisch geweld verloopt de behandeling ervan volgens Deetman beter op basis van een toegesneden aanpak. Zoals eerder besproken in overleg met minister van Veiligheid & Justitie mr I.W. (Ivo) Opstelten krijgt Deetman de vorm te geven regeling voor deze aanpak voorgelegd.

Bij de aanbevolen benadering gaat het in hoofdzaak om de aannemelijkheid van het ondervonden geweld, niet zozeer om harde bewijsbaarheid in strafrechtelijke zin. Deze aanpak merkt bij geweldsklachten iedere melder aan als slachtoffer indien het ervaren geweld valt binnen de begrenzing van de beschrijving in het eindrapport van het vervolgonderzoek. Dit betekent dat er voorafgaand aan (herstel)bemiddeling geen waarheidsvinding nodig is om de validiteit van de klacht vast te stellen. Als de klacht alleen over geweld gaat vult herstelbemiddeling de bestaande klachten- en compensatieprocedure aan.

Met deze speciale procedure geeft het eindrapport antwoord op de onderzoeksvraag: Op welke wijze kan de klachten- en compensatieprocedure van de Stichting (Beheer en Toezicht) worden uitgebreid ten behoeve van de behandeling van klachten van fysiek en psychisch geweld, met inachtneming van de mogelijkheden en onmogelijkheden van bewijsmateriaal?

Financiële compensatie
Deetman beveelt voor de herstelbemiddeling een afzonderlijke procedure aan die onder toezicht staat van de voorzitter van de huidige klachtencommissie en die buiten de verantwoordelijkheid valt van de Stichting Beheer en Toezicht. Deze aanpak wil het vooral mogelijk maken om slachtoffers officieel te erkennen en hun genoegdoening te bieden. De hoogte van de financiële compensatie hangt volgens dit advies af van wat in de bemiddelingssessies ter sprake komt, gerelateerd aan het gemiddelde van de compensatiebedragen die de Compensatiecommissie tot nu toe toekende.

Herstelbemiddeling sluit aan op de benadering die eerder is ingezet bij seksueel misbruik van minderjarigen binnen de RKK in het buitenland en in Nederland. Het eindrapport verwijst in het bijzonder naar de congregatie van de Salesianen, de Broeders van Maastricht en de broeders van Liefde. Slachtoffers ervaren de door deze congregaties toegepaste (herstel)bemiddeling overwegend positief.

Jaarlijkse monitoring
De voormalige commissie Deetman betrekt de bevindingen, conclusies en aanbevelingen van het vervolgonderzoek bij haar periodieke monitoring. De opdrachtgevers zegden toe de aanbevelingen van de commissie onverkort over te nemen. De commissie monitort jaarlijks de voortgang van de uitvoering van deze aanbevelingen, vooral ook om opstelling en beleid van de RKK en de Stichting Beheer en Toezicht jegens slachtoffers verder te verbeteren en om gevallen van misbruik en geweld in de toekomst tegen te gaan. De eerste monitorrapportage verscheen op 28 september 2012, de tweede volgt in de tweede helft van dit jaar.

Download hier het volledige onderzoek (PDF)

Download hier het persbericht (Word)
Download hier het persbericht (PDF)

Download hier de bijlage bij het persbericht (Word)
Download hier de bijlage bij het persbericht (PDF)

Download the press release (Word)
Pownload the press release (PDF)

Download the appendix to the press release (Word)
Download the appendix to the press release (PDF)

Accountantsverklaring

Download hier de accountantsverklaring voor de periode 1 juli 2012 tot 1 maart 2012. (PDF)

10/18/12

Reactie op artikel in Elsevier

Op 16 december jongstleden publiceerde de voormalige commissie van onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk haar eindrapport.

Zij rondde daarmee haar werkzaamheden af en hield op te bestaan. Elsevier bericht deze week over dit eindrapport onder de kop ‘Na de grote woorden’. De voormalige commissie Deetman neemt afstand van dit artikel.

De stelling van Elsevier en de door haar geraadpleegde deskundigen als zou de commissie haar onderzoek hebben toegeschreven in de richting van een conclusie die slachtoffers zou behagen, is onjuist. Vast staat dat:

  • de commissieleden hun onderzoek niet zijn begonnen met uitgesproken opvattingen over aard en omvang het seksueel misbruik binnen de RK.
  • de commissie verschillende wegen heeft bewandeld om tot haar conclusies te komen: onderzoek onder de algehele bevolking via een uitgebreide landelijke survey en een schriftelijk vragenlijstonderzoek, onderzoek naar de meldingen van slachtoffers,  archief-onderzoek, literatuurstudies en vele gesprekken.
  • de commissie daarbij een reeks van methodologische voorzorgsmaatregelen in acht heeft genomen.
  • de commissie haar conclusies heeft getoetst aan de opvattingen en expertise van onafhankelijke terzake kundigen.
  • de commissie haar bevindingen gepresenteerd heeft met inachtneming van alle mogelijke nuances.

Eerder deze week al liet de voormalige commissie Deetman Elsevier weten:
'De Onderzoekscommissie zag zich bij het vaststellen van de vraag naar de omvang en aard van seksueel misbruik van minderjarigen binnen de Rooms-Katholieke Kerk geconfronteerd met enkele lastige problemen. Deze betroffen in de eerste plaats de vraag wat onder seksueel misbruik moet worden verstaan. De door de commissie gehanteerde definitie vindt u in de verantwoording, maar onzeker is of de respondenten van de TNS NIPO survey deze begrenzingen als uitgangspunt voor hun beantwoording hebben gekozen. De Onderzoekscommissie maakte bovendien onderscheid tussen misbruik binnen instellingen (internaten etc) en niet-instellingen. Een dergelijk onderscheid is van belang omdat de Rooms-Katholieke Kerk in een scala van situaties te maken had met de omgang met minderjarigen in onderwijs, opvoeding, vrijetijdsbesteding, pastorale zorg etc.
Deze onzekerheden heeft de Onderzoekscommissie gepoogd te ondervangen door een aantal slachtoffers de door haar opgestelde oorspronkelijke vragenlijst te laten invullen. Dat is in twee sessies gebeurd om zo optimaal gebruik te kunnen maken van hun commentaar op en vragen over eventuele onduidelijkheden in de vraagstelling.
TNS NIPO heeft (zie het roze boekje) de door haar gehanteerde aanpak verantwoord. Met deze verantwoording was het mogelijk om te berekenen hoeveel minderjarigen te maken gehad met seksueel misbruik (conform de definitie van de Onderzoekscommissie) in instellingen en in het algemeen. Om over adequate checks & balances te beschikken heeft de Onderzoekscommissie de aan de hand van deze verantwoording uitgevoerde berekening niet zelf uitgevoerd, maar hiervoor de directeur van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) gevraagd. Uit deze berekening kwam een exact cijfer. Gelet op de hierboven beschreven onzekerheden betwijfelde de Onderzoekscommissie of het noemen van dit exacte cijfer verantwoord was. De Onderzoekscommissie heeft ervoor gekozen een zekere bandbreedte te kiezen (tien- tot twintigduizend in instellingen, enkele tienduizenden in zijn algemeenheid). Deze aanpak heeft zij voor een 'second opinion' voorgelegd aan twee gerenommeerde deskundigen, professor Van der Heijden en professor Bijleveld. Zij heeft zich ook laten adviseren door professor dr. J.H. Smit en dr. A. Hoogendoorn van het Vu Medisch Centrum. Alle bevindingen zijn voorgelegd aan de klankbordgroep van de Onderzoekscommissie. Alle commentaren zijn verwerkt en verantwoord in de eindrapportage (zie blz. 550 en verder) en op de website van de Onderzoekscommissie. Met zoveel checks & balances is uw stelling lastig te begrijpen dat de Onderzoekscommissie naar een bepaalde conclusie heeft willen toeschrijven'.

Ook wees de commissie Elsevier op de inleiding van de heer Deetman bij de presentatie van het eindrapport, medio december 2011, waarin hij over de hardheid van de cijfers zei: 'De commissie heeft de grootst mogelijke zorgvuldigheid betracht. Daarom is veel werk gestoken in de methodologische verantwoording van het onderzoek en in betrokkenheid van deskundigen en controles door derden'. Ten behoeve van de wetenschappelijke waarborg van het onderzoek is een klankbordgroep betrokken geweest, bestaande uit vooraanstaand wetenschappers.
Geraadpleegde bronnen zijn open en toegankelijk en gepubliceerd op de website.
Het survey was het meest delicate onderdeel van het onderzoek: gevraagd werd naar ervaringen in het verleden, die verschillende emoties oproepen. Daarbij is bevraagd op een manier die gepaard gaat met onzekerheden en onbetrouwbaarheden. Een voorbeeld: over wat men verstaat onder seksueel misbruik bestaan in wetenschappelijke kring verschillende definities. En ook slachtoffers beschrijven dit op verschillende manieren. Daarom ben je in onderzoek kwetsbaar in een survey en is er een grote mate van onbetrouwbaarheid. De commissie heeft daarop een gerenommeerd onderzoeksbureau ingeschakeld, TNS NIPO. Stap voor stap zijn in het onderzoek representativiteitscontroles uitgevoerd en hier en daar is nadrukkelijk gecorrigeerd in het kader van een consistente beantwoording van vragen. Dit om de betrouwbaarheid zo groot mogelijk te krijgen. Het survey kende een hoge respons. Desalniettemin zijn er behoorlijke onzekerheidsmarges. De commissie heeft geaarzeld of ze wel aantallen zou noemen, maar heeft dat in het licht van de onderzoeksopdracht wel gedaan. Ze heeft daarover getwijfeld omdat men later met de getallen aan de haal zou kunnen gaan, zonder deze in een juist daglicht te plaatsen en te interpreteren.
De commissie heeft aan twee externe deskundigen gevraagd een oordeel te geven (de second opinion). Daarop heeft de commissie gereageerd. (Deze stukken zaten in de persmap.) De externe deskundige gaven een helder oordeel over de conclusies van het survey. Deze aanpak was nodig omdat hoe de commissie het onderzoek heeft aangepakt, nog niet eerder zo gedaan was. Al het statistisch materiaal is gepubliceerd, openheid en controle zijn verzekerd'.

Download hier de reactie in pdf
Download hier de reactie in word

 

Eenmalige nieuwsbrief inzake steunbewijs

Oktober 2012

Hierbij ontvangt u een eenmalige nieuwsbrief van de voormalige Onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen binnen de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland in de periode 1945 tot heden.

De voormalige Onderzoekscommissie presenteerde op 16 december 2011 haar eindrapport. Zij rondde daarmee haar werkzaamheden af en hield op te bestaan. In het eindrapport deed de voormalige Onderzoekscommissie een aantal aanbevelingen, onder meer in het kader van de hulpverlening en genoegdoening aan slachtoffers. Zij zegde toe periodiek de uitvoering van de aanbevelingen door de bestuurlijk verantwoordelijken te zullen monitoren.

Monitorrapportage
Op 28 september jl. publiceerde de voormalige Onderzoekscommissie haar eerste monitorrapportage op de website www.onderzoekrk.nl. De rapportage richt zich op het functioneren van de onafhankelijke Stichting Beheer & Toezicht inzake seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland alsmede de opstelling en medewerking van de Rooms-Katholieke Kerk daarbij.

Klachtenprocedures
De voormalige Onderzoekscommissie constateert in haar monitorrapportage een forse stijging van het aantal klachten dat door slachtoffers is ingediend bij de Klachtencommissie van de Stichting Beheer & Toezicht. Cruciaal in een klachtenprocedure jegens een pleger is steunbewijs, zoals meldingen van medeslachtoffers.

De voorzitter van de Klachtencommissie en de voormalige Onderzoekscommissie maakten de afspraak dat in lopende klachtenprocedures de Klachtencommissie kan vragen of er meerdere meldingen zijn over de aangeklaagde. Deze vraag wordt door de voormalige Onderzoekscommissie uitsluitend met ja of neen beantwoord. In verband met vertrouwelijkheid verstrekt zij nimmer nadere informatie over de meerdere meldingen of namen van medeslachtoffers aan derden.

Uw medewerking bij steunbewijs
In een aantal gevallen is echter nadere informatie over meldingen van medeslachtoffers wenselijk teneinde te komen tot voldoende steunbewijs. Die nadere informatie wordt door de voormalige Onderzoekscommissie thans niet verstrekt. In de eerste plaats omwille van de privacy van melders en de vertrouwelijkheid waarmee zij zich indertijd hebben gemeld. In de tweede plaats omdat meldingen op eigen initiatief en naar eigen inzicht zijn gedaan door slachtoffers en niet per definitie die informatie bevatten, die als steunbewijs kan fungeren.

Uitsluitend in het belang van uw medeslachtoffers doe ik derhalve mede namens de voorzitter van de Klachtencommissie mr. G.A.M. Stevens thans aan u het verzoek om, indien u wenst mee te werken aan klachtenprocedures van mede- slachtoffers, u te melden bij de Klachtencommissie. Natuurlijk hoeft u dat niet (nog eens) te doen als u zich al eerder bij het Meldpunt of de Klachtencommissie hebt gemeld.

U kunt daartoe contact opnemen per email (secretariaat@meldpuntmisbruikrkk.nl) of telefonisch (030-2306900). U krijgt dan een formulier toegestuurd waarop u de benodigde informatie kunt invullen. De informatie wordt door de Klachtencommissie vertrouwelijk opgenomen in een registratiebestand en uitsluitend benut ten behoeve van steunbewijs.

De voormalige Onderzoekscommissie en de Klachtencommissie realiseren zich dat dit verzoek om uw medewerking te verlenen en uw pijnlijke en emotionele ervaringen wederom te delen, belastend kan zijn. U bent uiteraard vrij al dan niet aan het verzoek gehoor te geven. Beide commissies zien het echter als hun morele plicht jegens slachtoffers dit grote beroep te doen op uw bereidheid om uw steun te verlenen aan medeslachtoffers. Zij vertrouwen op uw begrip hiervoor.

Ondersteuning
Indien u naar aanleiding van dit verzoek behoefte hebt aan hulpverlening of contact met lotgenoten, kunt u contact opnemen met Slachtofferhulp Nederland (telefoonnummer 0900-9999001), de Koepel Landelijk Overleg Kerkelijk Kindermisbruik (www.klokk.nl) of het Meldpunt Misbruik RKK
(www.meldpuntmisbruikrkk.nl).

Met vriendelijke groet,
drs. W.J. Deetman

Algemeen contact

Commissie onderzoek naar seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk
Postbus 556
2501 CN Den Haag
E: reactie@onderzoekrk.nl

Voor persinformatie
Gert Jan Verhoog
T 06 – 52 53 98 97  
E g.j.verhoog@gmail.com

Overige informatie

Voor informatie, advies, begeleiding of hulpverlening inzake seksueel misbruik binnen de Rooms-Katholieke Kerk  

Hulplijn Seksueel Misbruik
T 0900-9999001
E contact@hulplijnseksueelmisbruik.nl
W www.hulplijnseksueelmisbruik.nl

Meldpunt Seksueel Misbruik RKK
T 030-2306900
E secretariaat@meldpuntmisbruikrkk.nl
W www.meldpuntmisbruikrkk.nl

KLOKK - Koepel Landelijk Overleg Kerkelijk Kindermisbruik
www.klokk.nl